De Stadhoudersweg in de richting van het Stadhoudersplein, 1964

Stadhouder was de titel van een van de belangrijkste functionarissen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De titel werd door de hertog van Bourgondië ingevoerd in de Bourgondische Nederlanden.

De titel komt oorspronkelijk van het Latijnse locum tenens, locus = plaats en tenens = houdend (in de betekenis van beheren of besturen), via het Franse lieu-tenant, het Duitse Statthalter en het Engelse steward. Stadhouder betekent dus plaatsvervanger.

Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten voor hem het gezag uitoefende. Eerst kwam dit alleen bij uitzondering voor, maar het Bourgondische Huis verwierf in de vijftiende eeuw steeds meer grondgebied en kreeg wegens die uitgebreidheid behoefte aan permanente plaatsvervangers. Stadhouders hadden zitting in de Raad van State, konden de gewestelijke staten bijeenroepen en zaten het rechtscollege voor.

De hertog van Bourgondië Filips de Goede benoemde op 22 mei 1448 zijn raadsheer-kamerling Jan III van Lannoy tot stadhouder van de graafschappen Holland, Zeeland en Friesland. In de officiële akte wordt gesproken over “notre lieutenant en nosdiz pais, contez et seignouries de Hollande, Zellande et Frise”. De functie van ‘lieutenant’ werd in Holland in de Nederdietse stukken weergegeven als ‘stedehouder’, naar ‘lieu’ = plaats, ‘tenant’ = houdend. Daarvoor werd gesproken over ‘raad’ of ‘gouverneur’. Sinds 1452 werd het woord generael aan de functie toegevoegd als het stadhouderschap voor meerdere gewesten gold.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *