Plaswijckpark 1936

Overzicht vanaf de uitzichttoren in en op het Plaswijckpark, 1936 (geschat). Op de voorgrond de theeschenkerij en op de achtergond de achtertuinen van panden aan de Jan van Ghestellaan.

Het Plaswijckpark werd in 1923 opgericht in Hillegersberg door de Rotterdamse horecaondernemer C.N.A. Loos, als Theetuin Hillegersberg. De theetuin was een van de vroegst opgezette recreatieparken in Nederland. Het park bestond naast de theeschenkerij uit een Engelse landschapstuin, speeltuin met uitkijktoren en een dierentuin, waar onder meer apen en wallabies te zien waren. Omdat het park in één jaar zoveel bezoekers trok, werd het een jaar later uitgebreid met een bloemen- en plantenkwekerij.

De volledige naam van het ruim opgezette recreatiepark langs de Bergse Achterplas luidde: Plaswijckpark, Wandel- en Dierenpark. Stapsgewijs werd het park uitgebreid met onder andere een rotsplateau, een rosarium, een tuin met een vijver en een café-restaurant . Dit horecapaviljoen met verschillende niveaus en terrassen werd het Amphitheater genoemd.

Het park ontwikkelde de eerste tien jaar goede spel- en sportvoorzieningen. In het park konden roeibootjes en kano’s worden gehuurd, er was een rondvaartboot, plekken voor sportvissers en een deel van het park werd bestemd voor een ijsbaan. In de zomer was het strandbad geopend, dat vanwege het donkere water de Inktpot werd genoemd. Ook was er een tennisbaan, maar daar konden alleen leden gebruik van maken.

De kracht van het Plaswijckpark was de veelzijdigheid van het park. Vanaf het begin waren er speciale attracties voor kinderen, zoals schommels, klimrekken en wippen. Het park vormde een ontspannings- en vermaakcentrum voor het hele gezin. Plaswijck was er om te flaneren, had goede sport- en spelmogelijkheden en speelde een educatieve rol, waarbij de dieren en planten tot kennisvergroting dienden. Naast de vaste attracties waren er ook culturele evenementen, zoals muziekuitvoeringen en poppenkastvoorstellingen.

Door haar veelzijdigheid kon het Plaswijckpark zich meten met de grote Europese stadsparken. Tussen 1923 en 1933 telde het park tweehonderdvijftigduizend bezoekers per jaar. Het park was tegen betaling toegankelijk, of mensen konden lid worden en dan was de toegang gratis. De toegang was relatief laag, zodat het park betaalbaar was voor de meeste Rotterdamse arbeidersgezinnen. Zij maakten in de zomer massaal gebruik van het park.

Vanaf 1927 kreeg het park subsidie van de gemeente Hillegersberg, omdat ze het park zag als een waardevolle culturele voorziening met een grote aantrekkingskracht. De economische malaise en financiële moeilijkheden van Loos zelf in de jaren dertig noopten de horecaondernemer tot verkoop van het Plaswijckpark. In 1937 kocht de gemeente Hillegersberg het park. Een nieuwe bloeiperiode brak na de Tweede Wereldoorlog aan en duurde tot 1962. In 1954 werd het park uitgebreid met wandelmogelijkheden, dieren en kinderattracties.

De neergang van het Plaswijckpark trad in medio jaren zestig. Oorzaken hiervoor waren een toegenomen concurrentie van nieuwe evenementen en een kritischer publiek dat andere eisen stelde aan kindvriendelijkheid van speeltuinen en diervriendelijke dierentuinen. Door de toegenomen mobiliteit van auto’s en scooters ontstonden er in de jaren zestig parkeerproblemen rond het park. Bovendien had het Plaswijckpark ouderwetse speeltuinen zonder mechanisch aangedreven attracties. Het park werd gaandeweg minder aantrekkelijk door veroudering en veel achterstallig onderhoud.

In 1975 werd het park met sluiting bedreigd. Dankzij subsidie van de Gemeente Rotterdam kon het blijven voortbestaan. Het Plaswijckpark probeerde haar oorspronkelijke karakter te behouden. Dit betekende dat er geen ‘harde’ recreatie kwam met mechanische en lawaaierige attracties. De focus bleef gericht op bezoekers met een laag inkomen, en op kinderen tot twaalf jaar. Het park kreeg een aantal nieuwe attracties, waaronder een midgetgolfbaan, manege en een beeldentuin, en organiseerde evenementen, zoals een fuchsiatentoonstelling, huisdierenkeuring en een knuffelberenmarkt.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen