Boezemlaan 1926

Het overblijfsel van een der Boezemmolens aan de Boezemlaan, uit het zuidwesten, 1926.

De Boezemlaan ontleent haar naam aan de Hoge Boezem. Op 14 januari 1769 werd door de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend om, tot ontlasting van de gemeene boezem de Rotte, een tweede boezem te maken in de polder Rubroek. Het overtollige water kon door een sluis bij de Oostpoort ontlast worden in de Nieuwe Maas. De aanbesteding van de hoge en de lage boezem en de watermolens vond plaats op 25 april 1772. In 1854 werd nog een Reserveboezem gegraven. In 1897 werden de Hoge en Lage Boezem gedeeltelijk en de Reserveboezem geheel gedempt. De 2de Reserveboezemstraat heette van 1914 tot 1918 Kampioenstraat, een naam die herinnerde aan het door de voetbalvereniging ‘Sparta’ behaalde kampioenschap. Deze vereniging oefende op het nabijgelegen Exercitieveld. De Boezemweg vormde vóór 1973 een onderdeel van de Boezemsingel. Hoewel de naam Hoge Boezem als straatnaam reeds jarenlang in gebruik is, werd hij pas bij bovengenoemd besluit officieel vastgesteld. Op een plattegrond van 1881 komt de Boezemstraat voor onder de naam Abattoirstraat naar het slachthuis of abattoir, dat daar geprojecteerd was. Dit abattoir werd op 1 mei 1883 geopend.

Er maalden in 1766 31 molens uit op de Rotte. Bij de korenmolen ‘De Noord’ (dbnr. 2288) aan het Oostplein
stond De Kostverloren (dbnr. 3079), die het water op de rivier uitmaalde maar dit niet kon bolwerken. Er waren
ook nog plannen om de polders onder Bleiswijk en Bergschenhoek droog te malen.

Om het probleem op te lossen werd een boezem gegraven vanaf de Spiegelnissermolen aan de Rotte. In 1772
werden naar ontwerp van landmeter Dirk Smits acht molens gebouwd om onder andere de grote plassen ten westen van de Rotte tussen Bleiswijk en Bergschenhoek droog te malen, die het water uitmaalden op de Hooge boezem vanwaar het via sluizen afliep naar de Maas. Met zijn 2 km lengte en 25 m breedte kon de Hoge en Lage Boezem 70.000 m³ water bevatten. In 1854 werd noch een reserveboezem aangelegd als voor het geval van hevige regenval.

De molens kregen de nummers 1 t/m 8. Het waren achtkante grondzeilers, boezemmolens. Met de bouw van de molens werd aangevangen in 1769. Molens opgeleverd op 25-4-1772. Mogelijk zouden de 8 molens over 10 raderen beschikt hebben; dus 2 molens met 2 raderen. Plannen om ten zuiden van no. 8 nog drie molens te bouwen zijn nooit uitgevoerd.

Eén molen verbrandde in 1895/1896 als gevolg van blikseminslag. Op 1 november 1899 werden de zeven overgebleven molens stilgezet vanwege een nieuw gemaal. Het HHR Schieland ruilde met de gemeente Rotterdam de benodigde grond voor het stoomgemaal en ƒ 250.000,=
bijbetaling tegen het terrein van de Hoge Boezem met de molens. In 1899 werden de molens op twee na
geheel gesloopt (waarschijnlijk) door de firma J.B. Thobé uit Dordrecht.

Een der molens werd in 1901 gezet op het onderstuk van De Jonge Hendrik te Overschie en verbrandde daar ook nog in 1901. Zie De Oranje Nassau, dbnr. 2194. Eén molen werd (zeer waarschijnlijk) herbouwd in Rijpwetering (de huidige Blauwe Molen, Ned. Molendbnr. 1074) en een andere ging naar Apeldoorn om te worden herbouwd als de korenmolen van H. Vorderman (dbnr. 327). Restant verbrand in 1976. Een andere
molen kwam volgens Suetan nr. 150 in Zuidbuurt, Zoeterwoude, terecht als de Zuidbuurtse Molen van de Westbroekpolder (dbnr. 330), maar dat blijkt niet te kloppen met de jaartallen.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van http://www.molendatabase.org/molendb.php.

Met medewerking van Rotterdam van toen