Molen ‘De Noord’ bij het Oostplein, 1880

Molen ‘De Noord’ bij het Oostplein, 1880-1890.

Tussen 1695 en 1711 is molen ‘De Noord’ herbouwd, hiervoor was het een standerdmolen op een ronde toren die mogelijk was voorzien van een stelling. Deze standerdmolen was gebouwd omstreeks 1562 en was ingericht als moutmolen. Ook De Noord werd oorspronkelijk voor dit doel gebouwd. In de loop van de negentiende eeuw werd De Noord gebruikt als “Meelbloem en mestingmolen” (mesting is een ander woord voor veevoer).

De molen had een eigenaardige slanke vorm, wat te wijten was aan een latere verhoging van de romp vanwege windbelemmering. Na deze verhoging bedroeg de stellinghoogte 16,20 meter.

In 1918 werd de molen verkocht aan de firma van Vliet. In deze periode verscheen een artikel waarin werd gesuggereerd dat de molen zou worden onttakeld. Naar aanleiding van dit verhaal werd op 2 september 1919 een interpellatie in de gemeenteraad gehouden. Hieruit bleek dat de molen in zijn geheel voor sloop was verkocht aan de firma Burg en Romein. Door ingrijpen van de Rotterdamse architect J. Verheul Dzn. werd de koop ongedaan gemaakt. Tevens werd de toezegging gedaan de molen te restaureren. Vervolgens werd de molen verhuurd aan molenaar Arie Kluit. Hij bleef op de molen tot de fatale brand in 1954.

In augustus 1929 werd een nieuwe buitenroede gestoken door molenmaker Dirkse uit Mijnsheerenland. Net na de Tweede Wereldoorlog werd bij De Noord als één van de eerste molens in Nederland het fokwieksysteem van ingenieur Fauël aangebracht. De fokken werden op beide roeden bevestigd en waren voorzien van automatische remkleppen. Toen in de meidagen van 1940 door het Duitse bombardement de binnenstad in brand werd gezet, was de omgeving van het Oostplein in vlammen gehuld. Door de molen toen te laten draaien (het ‘vonken malen’) wist de molenaar de molen voor het vuur te sparen. Het ‘vonken malen’ is een oud en beproefd middel, wat hier ook met succes werd toegepast.

Bij de herbouw van de verwoeste stad, na de oorlog, bleef de molen staan, maar op 27/28 juli 1954 brandde de molen volkomen uit en werd daarna niet meer hersteld. (n.b. de roeden zijn waarschijnlijk door de brand verloren gegaan) Meteen na de brand werd de mogelijkheid tot herbouw overwogen. De molen was voor ƒ 175.000 verzekerd. Een aardig bedrag, zeker voor die tijd. Een tegenvaller was dat de romp (waarvan een gedeelte met het neerstorten van het wiekenkruis mee ging) te slecht was om nog te kunnen gebruiken.

Op 25 september 1954 werd begonnen met het slopen van de overblijfselen. Een kleine maand later, op 22 oktober, was alles weg en stuitte men op de fundamenten van de vroegere standerdmolen. Inmiddels was ook een herstelactie in het leven geroepen. Ten bate van deze actie werd een ansichtkaart van de brandende molen uitgegeven. Totaal werd een bedrag van ƒ 20.000 ingezameld en de architect F. Posthuma kreeg van de
gemeente de opdracht een herbouwplan te maken. Helaas kwam het nooit zo ver, want op 24 november 1954 werd het voorstel tot herbouw door de gemeenteraad verworpen met 22 tegen 18 stemmen.

Op de baard was het onjuiste bouwjaar 1718 vermeld. Het opschrift was bij de opknapbeurt in 1918 gewijzigd door de toenmalige nieuwe huurders om zo hun vroegere molen in Goidschalxoord te eren. Bron: De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 1. Rob Pols.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van molendatabase.org 

Met medewerking van Rotterdam van toen