Justus van Effenstraat, 1950

Het Justus van Effenblok aan de Justus van Effenstraat, 3 mei 1950.

Het Justus van Effencomplex is in 1918 ontworpen door de Rotterdamse architect Michiel Brinkman. De opdracht kwam van ir. A. Plate, toenmalig directeur van de Gemeentelijke Woningdienst. Hij wilde de huisvestiging voor de minst draagkrachtigen verbeteren. Het idee was om via een groot complex veel mensen tegelijk aan een woning te helpen. In september 1922 werd het complex voor de eerste keer opgeleverd, fonkelnieuw en hypermodern.

Het wooncomplex is opgetrokken uit gele IJsselsteen en roodbruine baksteen en bestaat uit vier woonlagen met een plat dak. Het complex heeft een omtrek van 80 bij 150 meter en telt vier ingangen. Het blok omsluit een binnenterrein waar wat kleinere huizenblokken staan. De voordeuren van de woningen liggen aan het groene binnenterrein en niet, zoals gebruikelijk, aan de omliggende straten, waardoor het woonblok de intieme sfeer heeft van een dorpje in de stad. Het telde in totaal 264 woningen.

De woningen bestaan uit één etage woningen op de begane grond en op de eerste verdieping. Hierboven op zijn maisonnettes gevormd op de derde en vierde woonlaag met een entree op de galerij. De woningen hebben centrale verwarming (voor het eerst toegepast in de volkswoningbouw in Nederland). Bovendien waren er allerlei voorzieningen in het complex gemeenschappelijk, zoals wassen, drogen en strijken. Die opzet zou bijdragen aan de saamhorigheid van de bewoners, zo hoopte architect Brinkman.

Het gebruik van een galerij, een verhoogde woonstraat aan de binnenkant van het blok, werd toen in Nederland nog nergens toegepast. De brede galerij langs de tweede verdieping maakte het bakkers en melkboeren mogelijk om met hun karren naar boven te gaan. De galerij is van zeer grote invloed geweest op de Nederlandse architectuur. Ze dient als inspiratie zoals bij eerste galerijflat van Nederland, de Bergpolderflat van Willem van Tijen.

De in 1984 gestarte renovatie van het inmiddels wereldberoemde Rijksmonument is uitgevoerd door architectenburo L. de Jong in samenwerking met de Rijksdienst van Monumentenzorg. De oorspronkelijke 264 kleine woningen (gemiddeld 50m2) werden samengevoegd tot 164 ruimere appartementen. De luchtstraat werd integraal vervangen en de authentieke gele gevels aan het binnenterrein wit geverfd. In 1985 kreeg het complex de status van Rijksmonument. Ondanks de ingrepen voldeed het gebouw al snel niet meer aan de moderne wooneisen en raakte het in verval.

In 2000 besloot Woonstad Rotterdam tot een grootscheepse restauratie. Uitgangspunt was het herstellen en terugbrengen van het gebouw in zijn oorspronkelijke waarde, waarbij het moest gaan voldoen aan de modernste eisen op het gebied van wooncomfort en energieprestatie. Aan de restauratie ging een visieprijsvraag vooraf die werd gewonnen door Molenaar & Co architecten en Hebly Theunissen architecten. Voor de ruimtelijke herinrichting van de binnenterreinen tekende Michael van Gessel Landscapes. Het bijzondere energieconcept is van W/E adviseurs. De werkzaamheden van aannemer Jurriëns Bouw begonnen in 2010.

Het aantal woningen werd verder teruggebracht. De 154 woningen voldoen nu aan de modernste eisen op het gebied van wooncomfort en energieprestatie. Waarbij veel oorspronkelijke details zijn hersteld die bij de eerste renovatie verloren waren gegaan. De gevels zijn in de originele staat teruggebracht, de trappenhuizen vernieuwd, de aluminium kozijnen zijn vervangen door houten reconstructies van de oorspronkelijke kozijnen, maar ook zijn de woningen voorzien van CO2-gestuurde ventilatie en vloerverwarming en zwaar geïsoleerd. Verwarming én verkoeling gebeurt door een centrale installatie voor warmte- en koudeopslag (WKO) die onder het voormalige badhuis is geïnstalleerd, op de plek van de oude stookkelder. De ingrijpende restauratie heeft twee jaar geduurd en 30 miljoen euro gekost. Op 6 september 2012 vond de officiële oplevering plaats. Het Justuskwartier, zoals het na de restauratie is gedoopt, is dan precies 90 jaar oud.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen