1e Gijsingstraat, 1943

De 1e Gijsingstraat met verwoeste panden als gevolg van het geallieerde bombardement van 31 maart 1943. Gezien vanaf de Bussinghstraat naar het westen.

Bernard Godfried Gijsing, burgemeester van Delfshaven van 1835-1840. Bij besluit van 28 november 1924 werd de Gijsingstraat gesplitst in een 1ste en 2de Gijsingstraat, terwijl een derde stuk Groote Visserijplein werd genoemd. In 1960 werd opnieuw een naamsverandering ingevoerd. De 1ste Gijsingstraat werd Gijsingstraat; de 2de Gijsingstraat ontving de naam Gijsinglaan.

Medio januari 1943 vond in Casablanca een geheime conferentie plaats tussen de Britse minister-president Winston Churchill, de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en hun belangrijkste adviseurs. Het doel was de strategie in de oorlogsvoering voor de komende periode nader te bepalen. Voor de oorlogsvoering in noordwest Europa werden de volgende prioriteiten vastgesteld: bestrijding van de Duitse onderzeeërs, vliegtuigindustrie, transportsector, olieraffinaderijen en overige oorlogsindustrie.

Een doel bij uitstek was het Rotterdamse havengebied, waar de bouw en reparatie van oorlogsschepen, olietankers, vrachtschepen en zware wapens van groot belang was voor de Duitse oorlogsvoering. En een zwaartepunt binnen dit gebied was de grote werf van Wilton-Feijnoord in Schiedam, waar, naast de hiervoor genoemde werkzaamheden, ook de vervaardiging van torpedolanceerbuizen voor Duitse onderzeeërs plaatsvond.

De toestellen van Amerikaanse 305 Bomb Groups losten op 31 maart om 13:21 uur vanaf een hoogte van ongeveer zeven kilometer de eerste reeks bommen. Een deel hiervan kwam terecht op de zuid-oever bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Enkele minuten later was het de beurt aan zeventien vliegende forten van 303 Bomb Groups. Deze formatie had oorspronkelijk als aanvalsdoel de werf van Wilton-Feijnoord in Schiedam. Toen bleek dat het doelwit te zeer onder het wolkendek schuil ging, werd op het laatste moment besloten uitwijkdoelen ten oosten van deze werf aan te vallen.

Bij een snelheid van circa vijfhonderd kilometer per uur was er voor deze doelen niet voldoende tijd meer om gebruik te maken van de automatische besturingsfunctie door de bomrichtapparatuur, de Norden Bombsight. De Norden Bombsight was een ultra geheim richtinstrument van de Amerikaanse luchtmacht. Met het instrument konden bommenwerpers vanaf grote hoogte hun doel nauwkeurig bepalen. Omdat het instrument niet gebruikt kon worden, moesten de bommenrichters bij het afwerpen de bommen handmatig corrigeren met betrekking tot snelheid, hoogte en windrichting. Bij het bepalen van de voorhoudshoek was rekening gehouden met al deze facetten, dus ook met de noordoostelijke (boven)wind.

Bij het doelgebied stond echter een grondwind, die uit tegengestelde richting kwam. Daardoor kregen de bommen, tijdens hun baan naar beneden een drift naar het noordoosten. Een onvoorziene, maar daarom niet minder noodlottige drift, want circa zeventig van de meer dan honderd brisantbommen kwamen noordoostelijk van de beoogde doelen terecht. Van 13:29 tot 13:31 uur sloegen de duizendponders in in de woonwijk Tussendijken.

De schade was enorm in de dichtbevolkte wijk. De stormachtige wind joeg de ontstane brand fel aan, waardoor de omvang van de ramp nog verder toenam. Direct na het bombardement kwam het reddingswerk op gang. Op een groot aantal plaatsen in de wijk Tussendijken waren onmiddellijk na de bominslagen branden uitgebroken. Behalve bluswagens van de Rotterdamse brandweer kwamen in de loop van de middag korpsen met krachtig materieel uit Delft, Den Haag, Leiden, Voorburg, Gouda en zelfs Utrecht. Deze hulptroepen waren echter te laat om uitbreiding van de vuurzee te voorkomen.

Als de brandweer de brandhaarden snel had kunnen aanpakken, hadden honderden huizen gered kunnen worden. Maar in het eerste uur na het bombardement was er gebrek aan bluswater, doordat het drinkwaterleidingnet geraakt was tijdens het bombardement. Pas drie uur na het bombardement kon begonnen worden met effectief blussen. Uiteindelijk kon die avond om half twaalf ‘s nachts het sein ‘brand meester’ worden gegeven. Dat betekende dat de brandhaarden weliswaar niet geblust, maar toch ten minste onder controle waren.

Een groot deel van de slachtoffers was door de bominslagen en instortingen op slag gedood. Sommige overleefden een bominslag in de omgeving, zoals twintig gasten van een bruiloftsfeest. Een van hen vertelde: ‘Alles werd plotseling donker om ons heen. De voorgevel viel voorover en de vloer zakte onder onze voeten weg. Dat wij het er levend vanaf gebracht hebben, begrijp ik nog niet.’ Veel mensen hadden dit geluk echter niet. Ondanks de vele brandhaarden had het zoeken naar overlevenden voorrang. Tweemaal slechts werden levenden gevonden. In de Blokmakerstraat werd vijftig uur na het bombardement, door haar gehuil, een driejarig meisje opgemerkt. Diezelfde vrijdagmiddag werd een eenentachtigjarige man uit het puin bevrijd, dorstig en hongerig, maar verder ongedeerd.

De verontwaardiging onder de bevolking over het onheil was algemeen. Daags na de ramp putten de dagbladen al uit in het vinden van superlatieven om aan hun afschuw over het gebeuren en hun weerzin tegen de veroorzakers ervan uiting te geven. De Britten werden aan de schandpaal genageld, want de Rotterdammers meenden de eerste paar dagen nog dat die het bombardement hadden uitgevoerd.

De fotograaf is Hendrik Ferdinand Grimeyer en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam. Lees verder op http://www.stadsarchief.rotterdam.nl/vergeten-bombardement-…

Met medewerking van Rotterdam van toen