Hooidrift 1930

Gezicht op de Hooidrift, vanaf de Heemraadssingel, 1930. Op de voorgrond de kruising met de Nozemanstraat. De volgende zijstraat rechts is de Messchertstraat. In de verte is nog een tram op de Mathenesserlaan te zien.

Hooidrift ligt op de plaats, waarvan men veronderstelt dat daar eens de bedding was van het water ‘Hoydrift’. Dit water liep in 1334 door Schoonderloo en kwam via een sluis in de Nieuwe Maas uit. In 1466 komt een stuk land ‘die Hoydrift’ voor. Later droegen drie morgen land in de Coolsepolder in het ambacht Schoonderloo deze naam. Op een kaart van 1570 komt voor ‘het noertdyep van de Maze geheeten de hoydrift, streckende van nieuw Matenesse tottet hoeft van Delfshaven’. Dit noorddiep begon bij een wetering ten westen van Delfshaven. Ten oosten van deze Hooidrift tot de Leuvehaven werd het noorddiep van de Maas, namelijk ten noorden van de Ruigeplaat, ‘die Couse’ genoemd.

De Nozemanstraat is vernoemd naar Cornelis Nozeman, 1721-1785, remonstrants predikant te Rotterdam 1760-1785.

Cornelius (ook wel Cornelis) Nozeman (Amsterdam, 15 augustus 1720[1] – Moordrecht, 22 juli 1786) was een Nederlandse predikant en geleerde in de 18e eeuw en onder meer auteur van het monumentale werk Nederlandsche vogelen.

Zijn ouders waren de componist Jacobus Nozeman (1693-1745) en Geertruida Maria Corsterus. In zijn geboorteplaats Amsterdam studeerde hij godgeleerdheid. Hij werd predikant in Leiden en later (1744) bij de remonstrantse gemeente van Alkmaar. Van 1749 tot 1760 was hij predikant in Haarlem. Hier was hij betrokken bij de oprichting van de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen, maar zijn eigen lidmaatschap daarvan werd tegengehouden door een van de andere oprichters, naar verluidt vanwege een tweetal ingezonden brieven aan het Hollands Magazijn in 1751 en 1752. Daarin zou hij ongewenst commentaar hebben geleverd op het wijsgerig onderzoek van deze geleerde naar de vraag “of er een ander wereldgestel van even groote goedheid, als het tegenwoordige, mogelijk zij”.

In 1760 kreeg hij een beroeping te Rotterdam. Daar was hij medeoprichter en voorzitter van het Bataafs Genootschap voor Proefondervindelijke Wijsbegeerte. Na een val die hem gedeeltelijk invalide maakte, werd hij voor een deel van zijn herderlijke taken vrijgesteld. Tot zijn dood woonde hij om gezondheidsredenen in Moordrecht.

Zoals vele ontwikkelde heren van zijn tijd beoefende hij de natuurwetenschappen. De vrije tijd die hem overbleef tijdens zijn eerste betrekking besteedde hij door zich verder te bekwamen in de proefondervindelijke wijsbegeerte en de natuurlijke historie. In zijn Haarlemse tijd legde hij een grote collectie vlinders aan, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor het Kabinet der Natuurlijke Historie van de weduwe van prins Willem IV. Dit gaf hem een vrijbrief om het hele jaar rond vogels te mogen schieten ten behoeve van zijn ornithologische werk.

Hij vertaalde een selectie uit de verhandelingen van de diverse Europese natuurwetenschappelijke genootschappen en publiceerde deze onder de naam Uitgezochte Verhandelingen uit de nieuwste werken van de Sociëteiten der Wetenschappen in Europa en van andere geleerde mannen, met naauwkeurige afbeeldingen.

Voor de Maatschappij ter Bevordering van de Landbouw schreef hij in 1783 een verhandeling over de paardenstaart, waarin hij de botanici van zijn tijd verre overtrof in de nauwkeurigheid van zijn waarnemingen en beschrijvingen.

Nozeman was vader van een groot gezin met acht kinderen. Hij was bovendien mede-eigenaar van een lettergieterij in Haarlem. Vanwege dat laatste en zijn vele publicaties merkte hij op dat zijn leven in dienst stond van de schone letteren.

De Messechertstraat draagt de naam van de Rotterdamse dichter Willem Messchert, 1790-1844. Messchert was dichter van de Gouden Bruiloft, 1825, ‘voor beschaafde vrouwen’. Hij was eerst brouwer, later uitgever en boekhandelaar en gaf 1836-’37 Brieven van Bilderdijk uit. Tollens verzamelde zijn Nagelaten Gedichten, 1849. Hij had ook het Voorbericht geschreven bij de huiselijke, vrome, genoegelijke Gouden Bruiloft, al was dan ook Messchert een man van het Réveil.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam, van Wikipedia en uit het Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid, 1952, K. ter Laan. .

Met medewerking van Rotterdam van toen