Tag Archives: 1935

Groenendaal, 1935

Onder deze naam komt al in 1550 de kade ten zuiden van de Steigersgracht voor. Pas in 1576 werd de verbinding tussen deze gracht en de Nieuwehaven tot stand gebracht. Het gedeelte van de Steigersgracht, waarlangs het Groenendaal liep en dat gelegen was tussen de Valkenbrug en de Nieuwehaven, kwam ook voor onder de naam Groenendaalsgracht. De naam Groenendaal herinnert aan de oude toestand in het begin van de 16de eeuw, toen dat gehele gedeelte nog weiland en tuin was en men ten zuiden van de buitendijksloot (Steigersgracht) als in een groen dal kwam. Op 11 januari 1911 werd besloten tot demping van de Groenendaalsgracht. Daarbij verviel ook de vroegere Poppenbrug, die over deze gracht lag ter hoogte waar ze in de Nieuwehaven uitkwam. Het huidige Groenendaal ligt ongeveer ter plaatse van de vroegere straat van die naam.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Rubroekstraat 1935

De Rubroekstraat, 1935.

Deze straat heet naar het vroegere ambacht Rubroek, dat reeds omstreeks 1283 wordt vermeld. De oudste vorm is Rubroke, later komt ook voor Ruychbroek en Ruychpolder. Ruw en ruig zijn verwanten woorden. Rubroek moet verklaard worden als woest, nog niet ontgonnen moerasland. De polder Rubroek, bestaande uit Achter- of Oud-Rubroek en uit Voor-Rubroek of Vorenbroek werd vroeger, wat betreft waterschapszaken, bestuurd door ambachtsheren of molenbewaarders. Deze werden reeds in het midden van de 16de eeuw door Rotterdam aangesteld. Achter- of Oud-Rubroek behoorde tot de jurisdictie van Hillegersberg, Voor-Rubroek tot die van Rotterdam. Beide gedeelten waren gescheiden door de Oude Zeedijk. Van 1897 tot 1949 had men in deze buurt ook het Rubroekspad.

De foto komt uit de collectie Topografie Rotterdam en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Sportveld en tennisbaan op Dijkzigt, 1935-1940

Op de voorgrond de Melkkoplaan. Op de achtergrond het kantoorgebouw van Unilever.

De wijk Dijkzigt ligt in het vroegere Land van Hoboken, dat tot 1924 als een groene oase in de stad Rotterdam lag. De naam Dijkzigt komt van de ‘Villa Dijkzigt’ van de familie van Hoboken. In deze villa aan de Westzeedijk is tegenwoordig het Natuurhistorisch Museum Rotterdam gevestigd.

In de wijk Dijkzigt zijn voornamelijk musea, onderwijsinstellingen en kantoren gevestigd. Het grootste complex in de wijk is het Erasmus MC, dat momenteel vernieuwd wordt.

De Melkkoplaan herinnert aan boerderij ‘De Melkkop’, die vroeger in deze buurt lag. De boerderij kwam al in 1572 voor. In het midden van de 19de eeuw was ze een druk bezochte uitspanning, waar men melk, karnemelk en room kon krijgen. Ze werd daarom ook wel het Groote Roomhuis genoemd. Achter de boerderij strekte zich in noordelijke richting de Melkkopperwetering uit, die voor 1886 een onderdeel was van de grens tussen Rotterdam en Delfshaven. Bij de opspuiting van het Land van Hoboken rond 1927 zijn boerderij en wetering verdwenen. Voordien vormde dit pad een onderdeel van de Museumlaan. Bij besluit B&W 2 oktober 1963 werd de naam ingetrokken. Sindsdien vormt de laan een onderdeel van de Westzeedijk.

Het voormalig kantoor van Unilever is thans de hoofdvestiging van Hogeschool Rotterdam aan het Museumpark in Rotterdam. Het is tussen 1930 en 1931 gebouwd als hoofdkantoor van Unilever in zakelijk-expressionistische trant naar een ontwerp van architect H.F. Mertens.

Het gebouw ligt precies in de zichtas van het Eendrachtsplein en neemt door zijn architectonische autoriteit een cruciale positie in binnen het stedenbouwkundige plan dat W.G. Witteveen in 1926 voor dit gebied, het voormalige Land van Hoboken, maakte.

Tussen 1959 en 1962 werd het voormalige Unilevergebouw aan de zuidwestelijke zijde uitgebreid met een schijfvormige hoogbouw naar ontwerp van architect A.J.B. van der Graaf.

In 1993-94 werd het kantoor door EGM-architecten verbouwd ten behoeve van de Hogeschool Rotterdam en Omstreken, waardoor het oorspronkelijk interieur grotendeels verloren ging

De fotograaf is Richard Boske en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Libanon Hogere Burgerschool aan de Ramlehweg, 1935

De Libanon Hogere Burgerschool aan de Ramlehweg, 1935. Op de achtergrond de gasfabriek van Kralingen.

Het Libanon Lyceum is een openbare school voor voortgezet onderwijs voor mavo, havo, en vwo (Atheneum en Gymnasium) in Rotterdam. De school bestaat uit twee gebouwen, de onderbouw (klassen 1, 2 en 3 havo/vwo) krijgt les op de Mecklenburglaan, en de bovenbouw (klassen 3 mavo, 4, 5 en 6) op de Ramlehweg. Het gebouw aan de Ramlehweg is ontworpen door Grandpré Moliere.

Marinus Granpré Molière (1883-1972) behoort niet tot de bekendste architecten van Nederland, maar wel tot de invloedrijkste. Hij was de voorman van de zgn. Delftse School, een architectuurstroming die een tegenwicht voor het Nieuwe Bouwen vormde en een terugkeer beoogde naar traditionele waarden, vormen en materialen in de architectuur.

De naam Delftse School is afgeleid van de Delftse Technische Hogeschool, waar Granpré Molière van 1924 tot 1953 hoogleraar was. Zijn meeslepende colleges over Schoonheidsleer en Stedebouw waren invloedrijk en hij inspireerde een hele generatie architecten: J.F. Berghoef, A.J. Kropholler, de gebroeders Van der Laan, Pouderoyen en Kraaijvanger. Maar ook niet-traditionele architecten als Rietveld, Van Tijen en Bakema waren geboeid door zijn ideeën. Mart Stam werkte enige tijd op zijn bureau.
Molière bekeerde zich in 1927 tot het katholicisme. Het mede door hem opgerichte Rooms Katholiek Bouwblad was vanaf 1929 de spreekbuis van de Delftse School.

Granpré Molière studeerde in 1908 cum laude af aan de TH in Delft. Van 1910 tot 1914 werkte hij bij Gemeentewerken in Rotterdam. Hij ontwierp onder anderen de Libanon HBS aan de Ramlehweg.

De Ramlehweg ligt ter hoogte van het vroegere buitenhuis ‘Ramleh’ dat in de tweede helft van de jaren dertig werd gesloopt. Het droeg de naam van een stad in Israël.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het Stadsarchief Rotterdam, van Wikipedia en van rotterdam.nl.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Nieuwe Leuvebrug, 1935

Een ambtenaar van de Havendienst, vermoedelijk brugwachter, ter hoogte van de Nieuwe Leuvebrug, 12 januari 1935.

Deze brug werd vernoemd naar de oude kreek ‘de Leuve’ of ‘de Loeve’, zoals de naam meermalen in de stadsrekening van 1426/27 voorkomt. In de 16de eeuw was de stad eigenares geworden van het land aan de Leuve. Op 23 april 1598 werd aan de westzijde van de kreek de grond in erven uitgegeven. Daarna begon men met het graven van de haven die in 1608 gereed kwam. In het begin sprak men van Nieuwehaven, doch daar dit verwarring kon geven, werd Leuvehaven al spoedig de enige naam.

Over de haven lagen twee bruggen, de Leuvebrug en de Nieuwe Leuvebrug. Eerstgenoemde brug, ook wel Oude of Lange Leuvebrug genoemd, dateerde uit 1609 en werd kort na de Tweede Wereldoorlog gesloopt. De straat die op de brug uitliep heette Leuvebrugsteeg, vroeger ook wel Breede Leuvestraat of Brugsteeg geheten. Bij het bombardement in mei 1940 is de steeg verdwenen. De ten zuiden van de Leuvebrug gelegen Nieuwe Leuvebrug was in 1849 gebouwd. In de jaren vijftig van de 20ste eeuw werd ze afgebroken en vervangen door een nieuwe brede brug die eveneens deze naam kreeg. Het havenhoofd bij de Boompjes, waar het koopvaardijmonument ‘De Boeg’ werd geplaatst, ontving tegelijkertijd de naam Leuvehoofd. De daar gebouwde sluis werd Nieuwe Leuvesluis genoemd. Na het bombardement werd ten zuiden van de Steigersgracht de Leuvekolk gegraven. Via een onderdoorgang onder de Blaak stond dit water in verbinding met de Leuvehaven. Door de aanleg van de oost-westlijn van de metro is deze verbinding vervallen.

De foto komt uit de Collectie Koops en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De bouw van de kuip, 1935

Een foto van de bouw van De Kuip, 1935-1936. Feyenoord wil De Kuip verlaten om een nieuw stadion te betrekken.

Al decennialang is Feyenoord de ‘bewoner’ van De Kuip. Het stadion is ontworpen door architect Van der Vlugt. Grote man achter dit idee was Leen van Zandvliet. De voorzitter van Feyenoord in de jaren 30 riep op een dag uit “Ik heb het, ik heb het!” Hij was wakker geworden uit een droom; hij schreef het idee snel op een kladblok. De vorm van het stadion, met een ‘loshangende’ tweede ring zodat niets het uitzicht van de toeschouwers zou belemmeren, zou zijn droom tot hem zijn gekomen. Enkele maanden later werd architect Van der Vlugt uitgenodigd voor een gesprek. Een stadion met twee verdiepingen moest gerealiseerd worden. De kern van het gesprek was ‘eenvoud’, verfraaiingen kwamen er niet aan te pas.

In 1934 maakte Van Zandvliet enkele trips naar het buitenland om op zoek te gaan naar andere, soortgelijke stadions. Het Highbury van Arsenal FC maakte indruk op hem. Dat had namelijk ook sinds 1932 twee verdiepingen, hetzelfde idee als Van Zandvliet dus. Van Zandvliet vond dat de enorme toestroom van publiek tijdens wedstrijden van Feyenoord de bouw van een modern voetbalstadion met plaats voor tienduizenden toeschouwers rechtvaardigde. Hij ondernam tevens een studiereis naar Amerika en bezocht het stadion van de Boston Red Sox wat hem inspireerde om deze nieuwe inzichten van faciliteiten gecombineerd met meerdere lagen waarvanuit elk gezichtspunt de wedstrijd toch goed te zien zou zijn te verwezenlijken. Voor de financiering steunde hij op havenbaron Daniël George van Beuningen.

Eind 1934 werd er contact gezocht met Braat-constructiewerkplaatsen. Die wilde de taak op zich nemen en ging aan de slag. Een voetbalwedstrijd duurt twee keer drie kwartier. Tussendoor moet men spanning kwijt en wat kunnen eten. Zo zijn er dus zowel onder als boven toiletten tussen de stalen spanten gebouwd. Tevens moest er plaats zijn voor een vergaderruimte, een werkvloer, kleedlokalen, een hokje voor de officials en er is een politiebureau en ook nog een brandweerkazerne en het bevat ook nog eens 4 woningen. De trappen aan de buitenzijde van het stadion konden tevens als tribune dienen voor het trainingsveld. Van Zandvliet had haast; zo gauw er een bouwtekening klaar was, gaf hij direct de opdracht om te beginnen met de bouw van het stadion.

De eerste paal werd geslagen door Puck van Heel op 16 september 1935. Daarna werden er nog 578 heipalen 21 meter diep de grond ingeslagen. De bouw van het stadion werd in 1936 afgerond, maar doordat de door de gemeente beloofde infrastructuur rondom het stadion nog niet was aangelegd, stond het stadion er maandenlang onbruikbaar bij en vond de opening pas in maart 1937 plaats. Stadion Feijenoord had een capaciteit van 65.000, met onder meer veel staanplaatsen.

De fotograaf is Adrianus Langejan en de foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Bospolderplein 1935

Het Bospolderplein met muziektent en schoolgebouw, 1935.

Artikel van het AD op 6 januari 2007:
De Minervaschool, de Klimroos, de Bospolder kleuterschool, Hermes ulo, Aelbrecht Engelmanschool, de Hudsonschool: verschillende namen passeerden de revue.

Waar welke scholen precies waren gevestigd op dit Bospolderplein, daarover lopen de meningen uiteen. Wel kunnen we met stelligheid zeggen dat er in deze omgeving duizenden Rotterdammertjes moeten hebben gespeeld.

,,Die foto? Geweldig!’’ schrijft Rotterdammer Piet van Vliet. ,,In de omgeving van dit gebouw ligt mijn hele jeugd! In het rechter gedeelte, op de begane grond, was een openbare lagere school voor jongens. Het hoofd was de heer Peet. Daar boven was een meisjesschool. Het hoofd was mejuffrouw Van Weel. De ingang van deze scholen was de linkerpoort. De rechterpoort gaf toegang tot de ulo.’’

In het scholencomplex liggen de voetsporen van bekende Rotterdammers. André van Duin schijnt er te hebben gezeten en Hans van Heelsbergen, beter bekend als Hans Textiel. Rinus de Jong herinnert zich: ,,Ik zat op de lagere school bij hem in de klas. Zijn vader had in de Rosier Faassenstraat een textielwinkeltje. Zie wat ervan is geworden!’’

Veel anekdotes over leraren en leraressen bereikten ons. Juffrouw Poppel, meneer de Bruin, meester Peet, de juffen Van Weel en De Held, de meneren Kok, Den Ouden en Van Gameren, juffrouw Venema: ze komen allemaal voorbij.
Ben Saly: ,,Een leraar, Van Thiel heette hij geloof ik, had twee grijze pukkeltjes op zijn lip. Wij vroegen ons in het eerste jaar af waarom. Tot hij zich tijdens een les een keer naar het wasbakje spoedde om zijn aangebrande lip te blussen. Toen had hij er ineens drie. Hij bleek erg zuinig met roken te zijn. Roken mocht toen nog in de klas.’’

Ook bovenmeester Peet had een naam hoog te houden. ,,Hij had altijd z’n alledaagse bolhoed op. Eelt op zijn handen,’’ weet Cor Frings. ,,Als je daar mee te maken kreeg, dan voelde je de klap weken later nog. Meester Van der Meer was een hele fijne meester. Hij rookte Hofnarsigaren, en spaarde al zijn sigarenblikken voor ons op.’’

Maassluizer A. Klem kent de school via zijn vader. ,,Mijn vader was stoker op de Bospolderschool,’’ schrijft hij. ,,De verwarming werd warm gehouden met behulp van op kolen gestookte ketels. Zwaar werk was dat. Grote kitten werden met de hand gevuld en met een verrijdbare takel boven de ketels gehesen en leeggegooid.’’

In de Tweede Wereldoorlog werd onder het Bospolderplein een grote schuilkelder aangelgd, schrijven veel lezers. De school werd aanvankelijk gebruikt als kazerne voor het Nederlandse leger. Later werd het gebouw gevorderd door de Duitsers.
In de nadagen van de oorlog viel het meubilair ten prooi aan koukleumende Rotterdammers. ,,In de hongerwinter werd alles wat maar kon branden uit de school gesloopt,’’ schrijft mevrouw A. Kieneker. ,,Op zekere dag was ik met wat jongens stiekem houten wanden aan het slopen, toen iemand riep: ze staan ons op te wachten. Ik ben toen over het dak weggevlucht. Niet te geloven dat ik dat heb gedurfd.’’

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van ad.nl http://www.ad.nl/…/Meester-van-Thiel-brandde-zijn-lip-aan-n-peuk.dhtml

Met medewerking van Rotterdam van toen

Stieltjesplein 1935

Overzicht van het Stieltjesplein vanaf de spoorhefbrug, 1935. In het midden de rooms-katholieke kerk van de Martelaren van Gorkum en daarachter het Entrepotgebouw. Links de Rosestraat.

Het Stieltjesplein heet naar Thomas Joannes Stieltjes, 1819-1878, ingenieur en technisch adviseur van de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Hij ontwierp de basculebrug over de Binnenhaven en had de leiding van de havenaanleg op Feijenoord. Het Stieltjesplein bestond reeds in 1878, doch ontving eerst later deze naam.

De Stieltjespleinkerk was de eerste R.K. parochiekerk van Rotterdam-Zuid, opgericht jaren 1880 nabij de Kop van Zuid. Geconsacreerd in 1886. Driebeukige neogotische kruisbasiliek, qua stijl verwant aan de Noordduitse baksteengotiek (veertiende eeuw). Interieur geheel uitgevoerd in schoonmetselwerk, voorzien van een zgn. alternerend stelsel van pijlers, zuilen en zesdelige gewelven. Asymmetrisch front (voorgevel), met uitgebouwd portaal, geflankeerd door een ronde doopkapel op de linker en een toren met hoge naaldspits op de rechter hoek. Kaysers ontwerp vertoonde overeenkomsten met dat van de Allerheiligste Verlosserkerk aan de Goudse Rijweg in Rotterdam en de St. Pauluskerk in Vaals uit dezelfde tijd. De parochie ging in 1940 samen met die van de O.L. Vrouw van Lourdes op het naburige Noordereiland, waarvan de kerk bij het bombardement op 14 mei 1940 werd verwoest. Als gevolg van teruglopend kerkbezoek en bouwvalligheid werd de kerk buiten gebruik gesteld en gesloopt in 1976. De parochie verhuisde nadien naar een nabijgelegen woonhuis, en is later opgeheven. Op de plaats van de kerk staat een verzorgingstehuis.

Uit Het Volk, 21 November 1913.
Een krankzinnige. Terwijl gisterochtend de organist der R.-K. kerk aan het Stieltjesplein voor het orgel zat, kwam een man op het zangkoor, die den uitdrukkelijken wensch te kennen gaf het orgel te willen bespelen. Toen hem zulks geweigerd werd, greep hij een stoeltje, waarmee hij den organist te lijf ging en vervolgens op de toetsen sloeg. De man bleek krankzinnig te zijn.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van reliwiki.nl http://reliwiki.nl/…/Rotterdam,_Stieltjesplein_17_-_Martela…

Met medewerking van Rotterdam van toen

Hoek Coolsingel en de Van Oldenbarneveltstraat, 1935

Op de hoek van de Coolsingel en de Van Oldenbarneveltstraat, 1935.

Johan van Oldenbarnevelt (Amersfoort, 14 september 1547 – Den Haag, 13 mei 1619), zoon van Gerrit van Oldenbarnevelt en Deliana van Weede, was raadpensionaris van de Staten-Generaal tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Hij werkte lange tijd samen met Maurits van Oranje (de zoon van Willem van Oranje), maar werd het slachtoffer van een door Maurits beheerst politiek proces en daaropvolgende executie.

In 1570 werd Van Oldenbarnevelt advocaat bij het Hof van Holland. In 1572 sloot hij zich aan bij Willem van Oranje in Delft. Hij verhuisde naar Delft en werd advocaat voor het hoogheemraadschap van Delfland. Echt gevochten in de opstand heeft hij niet. Alleen bij het ontzet van Haarlem (1573) zou hij hebben deelgenomen aan een burgermilitie. Hij werd benoemd tot commissaris voor het doorsteken van de dijken in Zuid-Holland om Leiden te ontzetten. Hij trouwde in 1575 met de rijke Delftse (buitenechtelijke) regentendochter Maria van Utrecht, enig erfgename van vijf heerlijkheden. Een jaar later werd hij Pensionaris van Rotterdam, in die tijd een snel groeiende, maar nog kleine stad. Daar viel hij op vanwege zijn werklust en intelligentie. Als pensionaris van Rotterdam nam hij in de Staten van Holland en West-Friesland deel aan verschillende onderhandelingen. In 1579 werd hij gekozen in de commissies van financiën en marine van de Staten. Nadat Van Oldenbarnevelt in 1582 de vertrouwenspersoon van Willem van Oranje was geworden, en de Staten-Generaal met de prins naar Delft waren verhuisd, groeide de macht van Van Oldenbarnevelt.

Een theologisch meningsverschil over predestinatie tussen de twee Leidse hoogleraren Jacobus Arminius en Franciscus Gomarus leidde tot een breuk in de Nederduits Gereformeerde Kerk (later Nederlandse Hervormde Kerk). Rond 1610 ging deze kwestie een politieke rol spelen toen de predikant Johannes Uytenbogaert een klaagschrift of remonstrantie indiende, om de aanhangers van Arminius de vrijheid te geven zich van de orthodoxe kerkleer af te scheiden. De contraremonstranten kwamen daarop met een contraremonstrantie waarin werd geëist dat alle gelovigen zich bij de orthodoxe kerkleer zouden aansluiten. Van Oldenbarnevelt, zelf een aanhanger van het Arminianisme, vond dat de kerk meerdere stromingen moest kunnen hebben. Maurits stond echter een calvinistische eenheidskerk voor. Hoewel Maurits tot dat moment de diensten van de remonstrant Johannes Uytenbogaert wel had bezocht, besloot hij in het vervolg de diensten van de contraremonstranten in de Kloosterkerk te volgen, pal naast de woning van Oldenbarnevelt. Het was nu een politiek conflict geworden. Daardoor ontstonden ook tegenstellingen tussen de provincies en braken in verscheidene steden onlusten uit. Van Oldenbarnevelt, die bang was dat Maurits op een staatsgreep aanstuurde, liet in 1617 door de Staten van Holland de Scherpe Resolutie aannemen. Deze resolutie gaf onder andere de steden in Holland de mogelijkheid om zelfstandig huurtroepen (waardgelders) aan te nemen om onlusten te voorkomen.

Prins Maurits pleegde hierop een staatsgreep. Hij ontsloeg daarna de waardgelders en op 29 augustus 1618 liet hij Johan van Oldenbarnevelt, en zijn medestanders Hugo de Groot, Rombout Hogerbeets en Gilles van Leedenberch, arresteren op verdenking van hoogverraad. Johan van Oldenbarnevelt moest dit alles met onthoofding bekopen.
De foto komt uit de Collectie Koops en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Boompjes 1935

De Boompjes ter hoogte van de oprit naar de Willemsbrug, 19 januari 1935.

De Boompjes dankt zijn naam aan de dubbele rij lindenbomen die in 1615 werd geplant. In mei 1613 werden 117 erven langs de muur en de wallen tussen de Leuvehaven en de Oudehaven door de stad voor scheepswerven uitgegeven. Het eerste huis werd daar in 1614 gebouwd en in het daaropvolgende jaar werd een dubbele rij lindebomen geplant. Toen er huizen werden gebouwd is de noordelijkste rij bomen gerooid. In 1619 is de kade bestraat. Het oostelijk gedeelte van de Boompjes werd vroeger Koperroodkade genoemd naar de lading van de schepen die hier aanlegden. Ter gelegenheid van de geboorte van de zoon van Keizer Napoleon in 1811 werd de Boompjes verdoopt in Quai Napoléon of Napoleons Kaay. Deze naam is maar korte tijd van kracht geweest. De Boompjes vormen thans een onderdeel van de Maasboulevard. De lage laad- en loskade langs het water ontving de naam Boompjeskade.

De eerste Willemsbrug werd ontworpen door C.B. van der Tak, is in 1878 opengesteld en werd vernoemd naar koning Willem III.

In 1927 werd de brug enkele meters opgevijzeld en van zijn sierlijke ornamenten ontdaan. Ook werden het fiets- en voetpad naar de buitenzijde van de brug verplaatst, omdat het sterk toegenomen wegverkeer voor steeds gevaarlijkere situaties zorgde. De Willemsbrug was tot de opening van de Maastunnel tijdens de Tweede Wereldoorlog de meest westelijke vaste oeververbinding over de Maas, zodat ook het steeds belangrijker wordende internationale verkeer gebruik maakte van deze verbinding dwars door het oude centrum van Rotterdam.

De foto komt uit de Collectie Koops en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia..

Met medewerking van Rotterdam van toen