Tag Archives: delfshaven

Visafslaggebouw aan de Middenkous, 1933

Interieur van het visafslaggebouw aan de Middenkous, 1933.

De Middenkous is een oude haven in Rotterdam-Delfshaven. De haven is ontstaan in 1875 na het afdammen van de West Kous en de Oost Kous, de bevaarbare geul tussen Delfshaven en de Ruige Plaat, die Delfshaven van de Nieuwe Maas scheidde.

Een “kous” heeft in dit verband dezelfde betekenis als een “kil”, een geul dan wel smal kanaal tussen banken, droogten of platen enz., met name in zee vóór de kust, zoals de Kous in het Brouwershavense Gat, tussen Goeree en de Middelplaat voordat de Brouwersdam werd gebouwd. Er zijn, dan wel waren, dus meer “kousen”.

De Voorhaven en de Achterhaven in Delfshaven stonden vanaf het begin in rechtstreekse verbinding met de Nieuwe Maas. Voor de monding van deze havens ontwikkelde zich in de loop der eeuwen een grote zandbank, de Ruigeplaat. In de tweede helft van de negentiende eeuw, niet lang vóór de vereniging van Delfshaven met Rotterdam, werd besloten deze Ruigeplaat te ontwikkelen. De Kous, die veel eerder in het spraakgebruik en op de kaart al was gesplitst in een West Kous aan de westzijde van de ingang van de Voorhaven en Achterhaven en een Oost Kous aan de oostzijde van de genoemde haveningangen, werd daartoe afgedamd bij de Westkousdijk en de Oostkousdijk. De Ruigeplaat werd doorgegraven en van sluizen voorzien. Deze sluis met het voorhaventje werd de Schiemond genoemd. In 1968 is de Ruigeplaatsluis gesloten en heeft de Westzeedijk de verbinding tussen de Middenkous en de Nieuwe Maas verbroken.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Gezicht op de Coolhaven, 1938

Gezicht op de Coolhaven, 1938.

Het ambacht Cool komt al voor omstreeks 1280. In 1596 kocht de stad de ambachtsheerlijkheid Cool, Blommersdijk en Beukelsdijk van Jonkheer Jacob van Almonde. Bij Koninklijk Besluit van 20 september 1809 werd het ambacht Beukelsdijk, Oost- en West-Blommersdijk, genaamd Cool, tot een zelfstandige gemeente verheven. In 1811 werd Cool door Rotterdam geannexeerd.

Naast het ambacht had men ook nog de polder Cool. Deze lag tussen de Rotterdamse en Delfshavense Schie. Deze werd in 1925 opgeheven. Een gedeelte van het grondgebied van Cool was reeds in 1358 bij de stad getrokken na de vergunning van hertog Aelbrecht van Beieren om grachten om de stad te graven en het stadsgebied te vergroten met het Rodezand in het ambacht Cool. De Coolvest scheidde voortaan stad en ambacht. In 1480 is er al sprake van de singel tegenover de vest achter Bulgersteyn, later Coolsingel genoemd. De singel is in verband met de aanleg van een brede verkeersweg in de jaren 1913-1922 geheel gedempt. De naam Coolvest is daardoor verdwenen.

De Coolsestraat, vroeger Coolweg geheten, liep vóór de vereniging van Delfshaven met Rotterdam juist op de grens tussen beide gemeenten. Ze ligt, evenals de Coolsedwarsstraat, in het oude ambacht Cool of West-Blommersdijk. De Klein-Coolstraat ligt in de voormalige Klein-Coolpolder. De Coolhaven en -straat liggen eveneens in de vroegere Coolpolder. Voor de Coolhaven werd op 27 februari 1923 de eerste spade in de grond gestoken. De beide bruggen liggen over het binnenhoofd van de Parksluizen. Aan het ambacht of de polder Cool herinnerden vroeger ook nog de Coolhoek, de Coolskade en de Coolsche weg of Coolsche Binnenweg. Cool is nu een woonwijk, gelegen tussen Coolsingel en Schiedamsesingel enerzijds en Mauritsweg en Eendrachtsweg anderzijds.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Rösener Manzstraat, 1931

Openbare school voor G.L.O. in de Rösener Manzstraat op nummer 284, 5 maart 1931. Gezien vanaf de Korfmakersstraat.

Deze straat is vernoemd naar Johan Wilhelm Rösener Mansz, 1824-1894, burgemeester van Delfshaven 1866-1870.

Delfshaven is gesticht naar aanleiding van het privilege van 8 september 1389, waarbij Hertog Aelbrecht van Beieren aan de stad Delft een vrije vaart vergunde van de stad tot in de Maas, met bepaling dat de vaart en het aanliggende land tot op 14 roeden afstand zouden staan onder de jurisdictie van Schout en Schepenen van Delft. Delfshaven is Delfts gebleven tot de val van de Republiek. Op 24 januari 1795 maakte de Haven zich van de stad Delft los. 19 Januari 1803 nam het Departementaal Bestuur van Holland een Besluit, waarbij werd verklaard, dat Delft en Delfshaven één gemeente gingen vormen met een bestuur dat verplicht bestond uit deels inwoners van Delft en deels inwoners van Delfshaven. Eind 1811 werd Delfshaven door toedoen van de Franse overheersing weer een zelfstandige gemeente. In 1886 werd de zelfstandigheid van Delfshaven voorgoed beëindigd door opname van Delfshaven in de gemeente Rotterdam.

De Korfmakersstraat herinnert aan het korfmakersbedrijf, een van de bronnen van bestaan in het oude Delfshaven.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

R.S. Stokvis en Zonen aan de Ruigeplaatweg, 1920

Binnenplaats van het magazijn van R.S. Stokvis en Zonen aan de Ruigeplaatweg, 1920.

R.S. Stokvis en Zonen was een Rotterdamse handelmaatschappij die in 1849 werd opgericht. Het bedrijf handelde in ijzer en staal, ijzerwaren, gereedschappen, automaterialen, schokdempers, bougies, hefbruggen, hang- en sluitwerk, elektrotechnisch materiaal, isolatiemateriaal, pakkingen, plastics, radio’s en tv’s, bromfietsen en fietsen, auto’s, oliën, vetten en chemicaliën, maar ook in koffie. Het was het grootste handelsbedrijf in West-Europa. Het bestond als zelfstandige onderneming tot 1972.

In 1844, begon Rafaël Samuel Stokvis (1807-1889) met een handel in ‘Brabandsche (lees Belgische) gegoten ornamenten en andere ijzerwaren’ aan het Hang. Zijn oudste zoon zat al in deze branche te Brussel en breidde na zijn terugkeer naar Rotterdam samen met zijn vader de zaak uit tot een (zoals het op 1 mei 1849 in de krant werd beschreven) “Handel in Engelsche IJzerwaren, Gereedschappen en Brabantsche Gegoten Ornamenten in het groot”. Op 1 mei 1849 werd de firma voortgezet onder de naam “R.S. Stokvis en Zoon”, nu gevestigd aan de Delftschevaart te Rotterdam. De “zoon” is Samuel Rafaël (1827-1908), bijgenaamd S.R. senior. Zijn jongere broer Salomon Raphaël (1833-1900), die S.R. junior werd genoemd kwam vervolgens de gelederen versterken. Vanaf 1859 gingen de beide broers verder onder de naam “R.S. Stokvis en Zonen”, zonder hun vader. Aan het eind van de 19de eeuw deden zonen van S.R. senior en junior hun intrede in het familiebedrijf dat in 1904 werd omgezet in een naamloze vennootschap: NV Handelmaatschappij van R.S. Stokvis en Zonen. Op het hoogtepunt had het bedrijf in Nederland achttien filialen, later verkoopkantoren genoemd.

De handelmaatschappij importeerde en verkocht tal van technische goederen, uiteenlopend van smeermiddelen tot consumentenproducten als rijwielen en bromfietsen. Voor de afzet en service ontwikkelde Stokvis in de loop van de 20ste eeuw een landelijk net van vestigingen met magazijnen, met daarnaast een aantal regiokantoren. Het bedrijf (met het hoofdkantoor te Rotterdam) zelf telde in de jaren vijftig twintig handelsafdelingen. Stokvis verwierf belangen in vele industriële ondernemingen, waarvan het in Den Haag gevestigde Van der Heem, met het merk Erres  R.S. (Stokvis) wel het bekendste was. Andere Stokvisbedrijven waren EMI, Indola, en ASW van het merk Fasto F(rederik) A(ndré) Sto(kvis) (kleinzoon van S.R. junior). Ook fabriceerde Stokvisbedrijven Solex bromfietsen in licentie en fabriceerde of importeerde ze diverse andere (brom)fietsmerken, zoals Amstel, RAP, Zündapp, Mobylette, Kreidler en Puch en ook het fietsmerk Kroon.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Achterhaven 1975

oormalig pand van de Verenigde Oostindische Compagnie aan de oostzijde van de Achterhaven, 29 mei 1975.

Aan het begin van de zeventiende eeuw huurde de VOC een werf in Delfshaven voor de bouw en het onderhoud van schepen. Door de verwerving van omliggende percelen beschikte de VOC op den duur over een groot terrein. Hier werden honderdelf retourschepen voor de VOC gebouwd. Het waren kleine schepen van de 2e en 3e klasse. De beperkte lengte van de scheepshellingen en de destijds smalle toegang tot de Buizenwaal maakte het bouwen van grotere VOC-schepen onmogelijk.

Om alle voorraden voor de bouw van deze schepen te kunnen opslaan, werd in 1672 het grote Zeemagazijn gebouwd. Voor 17e eeuwse begrippen had dit gebouw een imposante afmeting.

De compagnieswerf van de Kamer Delft lag in Delfshaven, al vanaf de veertiende eeuw de haven van deze Hollandse stad. Hier werden de retourschepen voor de
VOC gebouwd. Om alle voorraden voor de bouw van deze grote schepen te kunnen opslaan, werd in 1672 een groot Zeemagazijn gebouwd. Het imposante gebouw was getooid met een klokkentoren, vier schijnschoorstenen met hemelglobes en met een gevelsteen met het bekende VOCD-monogram. De hemelglobes en andere uitbundige versiering op het pakhuis waren aangebracht om de status en de welvarendheid van de VOC te benadrukken.

Het zeemagazijn ging op 13 september 1746 in vlammen op. Ondanks dat het pakhuis uit steen was opgetrokken brandde het geheel af. Het blussen werd aanvankelijk vertraagd omdat men bang was dat er buskruit in het pand lag. Het belang van het zeemagazijn was voor de VOC-heren dermate groot dat ze binnen twee maanden na de brand besloten om het pakhuis te herbouwen. Het nieuwe pand werd opgetrokken op de restanten van de oude bouwmuren. De oorspronkelijke gevelindeling bij de herbouw van het zeemagazijn bleef gehandhaafd. De vroegere schijnschoorstenen en gevelverfraaiingen aan de voorgevel kwamen echter niet meer terug. Ook werd het oorspronkelijk rijk versierde monogram van de VOC vervangen door een simpeler gevelsteen met daarop de letters VOCD en over de vier hoeken van de steen verdeeld: Anno 1747.

Het pand is in de vorige eeuw lang in gebruik geweest door de Chemicaliënfabriek Kortman & Schulte (en later het chemiebedrijf Akzo). Achter het gebouw stond een petrochemische kraakinstallatie. Op deze plaats is in de jaren vijftig de Biotex ontwikkeld, die wonderzeep met enzymen, daarom heet de locatie ook wel het Biotexplein.

Na sluiting van de fabriek in 1996 werd het bedrijfsterrein ontmanteld en zijn de omringende bedrijfsgebouwen en installaties gesloopt. Het VOC-magazijn was het enige gebouw dat werd behouden. Het fabrieksterrein is daarna met het magazijn verkocht aan de gemeente Rotterdam.

Van het rijksmonument resteerde inmiddels niet meer dan een ruw, ruïneus casco met een interieur van afgebikte bakstenen wanden en ruwe houtconstructies. WORM, podium voor avant-gardemuziek en -film kreeg van 2005 tot 2014 het gebouw tijdelijk ter beschikking in afwachting van definitieve herbestemming.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van http://voczeemagazijn.nl/gescheidenis/ Het artikel is afgeleid van: Kroniek van Delfshaven: Erfgoed – Zeemagazijn der VOC kamer Delft.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Waaldijk 1975

De Waaldijk met links de Oostkousdijk, vanaf Het Heiman Dullaertplein, 1975-1978.

De Waaldijk is de dijk om de in 1602 gegraven Buizenwaal. Voor de vereniging van Delfshaven met Rotterdam in 1886 heette deze dijk Groenewegje.

De Oostkousdijk ligt ter hoogte van de Kous, een vroegere arm van de Nieuwe Maas, gelegen tussen Delfshaven en de Ruigeplaat. Waar de naam ‘kous’ vandaan komt is onbekend. Bij besluit B&W 30 oktober 1979 ontving de straat ten noorden van de Middenkous eveneens deze naam.

Heyman Dullaert (Rotterdam, 6 februari 1636 – aldaar, 6 mei 1684) was een Nederlands schilder en dichter en leerling van Rembrandt. Zijn schilderijen, veelal trompe-l’oeils, zijn te zien onder andere in Nederland in het Kröller-Müllermuseum.

Als dichter is hij vooral bekend door zijn gedichten Aan myne uitbrandende kaerse en Een korenwanner aan de winden, beide te vinden in De Nederlandse poëzie van de 17e en 18e eeuw van Gerrit Komrij.

Hij lag begraven in de Rotterdamse Prinsenkerk, die bij het bombardement van 1940 werd verwoest.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Interieur van het Centraal Belastinggebouw aan de Puntegaalstraat, 1955

Interieur van het Centraal Belastinggebouw aan de Puntegaalstraat, 1955.

Over het ontstaan van de naam van de Puntegaalstraat bestaat enige onzekerheid. Zeker is dat er rond 1736 een gebouw op een stuk grond in de toenmalige gemeente Schoonderloo staat dat “van outs punte gaale” genoemd wordt. In 1749 is op het perceel een herberg verrezen met de naam Punte Gale; naar deze herberg wordt in 1933 de straat door de gemeente vernoemd na het gereedkomen van het naastgelegen sluiscomplex.

De bebouwing op het perceel zelf is waarschijnlijk door zeelieden vernoemd naar een landpunt: de Punta Galla in Sri Lanka (dan Ceylon). In de hier nog altijd gelegen havenstad Galle bouwde de Vereenigde Oostindische Compagnie een fort. Het was destijds niet ongewoon een herberg te noemen naar een haven.

Grote bekendheid kreeg de straat onder de inwoners van Rotterdam nadat hier in 1948 het Centraal Belasting Gebouw werd geopend. Het gebouw werd ontworpen door H. Hoekstra (1881-1960), dan hoofdarchitect van de Rijksgebouwendienst. De bouw begon in 1938, maar als gevolg van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog moet deze worden onderbroken.

Tijdens de oorlog werd het nog niet voltooide pand door het Duitse leger gebruikt als locatie voor luchtafweergeschut. Op 11 november 1944 werd het pand gebruikt als verzamelpunt bij de Razzia van Rotterdam. Er werden duizenden Rotterdamse jongens samengedreven die in Noord-Rotterdam waren opgepakt. Vanaf dit verzamelpunt werden de opgepakte mannen te voet via de Maastunnel naar Station Zuid gebracht en afgevoerd in veewagons.

Na de oorlog werd het pand zo snel mogelijk in gebruik genomen, omdat andere belastingkantoren door het bombardement op de stad vernietigd waren. Wel werd de onderbreking in de bouw gebruikt om het pand aan te passen aan moderne technieken, zoals een paternosterlift.

Na het vertrek van de Belastingdienst in 1996 naar een nieuw complex (Wilhelminahof) op de Kop van Zuid, liet Stadswonen het pand verbouwen, waarbij het tevens een woonfunctie kreeg. In 1998 worden tweehonderd appartementen en enkele tientallen kleinere bedrijfsruimten opgeleverd. Het gebouw is in 2002 aangewezen als rijksmonument.

De fotograaf is Francois Henry van Dijk en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Keilestraat 1930

Gezicht op de Keilestraat bij de firma W.H. Köning & Co, 1930-1934.

De Keilestraat ligt in de voormalige Keilepolder. De naam Keile had vermoedelijk de betekenis van nauwe doorgang of opening. Deze polder was oorspronkelijk een buitengors, een smalle strook grond die langs de rivier lag. Wanneer de polder is ontstaan valt niet met zekerheid te zeggen. Op de kaart van Schieland van Floris Balthasars en Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1611 wordt deze al vermeld.

De Keilehaven is vooroorlogse industriehaven in Nieuw-Mathenesse in Rotterdam-West. De Keilehaven, ontworpen “in den trant van de Persoons- en Nassauhaven”, is gegraven tussen 1912 en 1914 en was 750 meter lang en met 50 meter relatief smal.

Rond de Keilehaven waren diverse opslagplaatsen en fabrieken gevestigd, waaronder de Gemeentelijke Gasfabriek van Rotterdam. De opslagplaatsen stonden met name aan de zuidkant van de Keilehaven. De zeezijdige aan- en afvoer van koopmansgoederen vond aan de andere kant van de Keilestraat via de Lekhaven plaats. De Keilehaven was daarvoor te ondiep, -3 m NAP. Aan de zuidzijde staat nog het industrieel monument Katoenveem uit 1919 van J.J. Kanters.

Een ander groot pand, van Thomsen’s Havenbedrijf, dat Keilepand heette, is in oktober 1951 bijna geheel afgebrand. Het werd aangepast aan de eisen van de tijd weer in oude glorie hersteld. Het zou nu in aanmerking komen om tot gemeentelijk monument te worden verheven.

Het oostelijk deel van de Keilehaven is in 1994-1995 gedempt. De Keilehaven wordt tegenwoordig nog gebruikt om koelwater van de elektriciteitscentrale aan de Galileistraat te lozen. Ook is er een overslagstation van de Roteb gevestigd: het huisvuil van de rechter Maasoever wordt hier overgeslagen op schepen en naar de vuilverbranding aan de Maashaven verscheept.
De Keilehaven is vernoemd naar de voormalige Keilepolder, waarin ze ligt.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Coolhaven 1920

De Coolhaven in aanleg met op de achtergrond panden in aanbouw aan de Rochussenstraat, 1920-1922.

De Coolhaven werd in 1922 gegraven als nieuwe verbinding tussen de Delfshavense Schie en de Nieuwe Maas. Het is behalve een waterweg tevens een boezem van het Hoogheemraadschap Delfland.

De verbinding tussen de Coolhaven en de Nieuwe Maas loopt via de in 1933 geopende Parksluizen en de Parkhaven. Vanaf de Parkhaven kunnen schepen doorvaren naar de Nieuwe Maas. In de Coolhaven ligt het opleidingsschip van het Scheepvaart en Transport College. Door de Coolhaven varen veel zand- en grindschepen uit en naar Delft en Den Haag.

De Rochussenstraat verbindt het centrum bij het Eendrachtsplein met de Aelbrechtskade (aan de rand van historisch Delfshaven). De Rochussenstraat loopt door de wijken Dijkzigt, Middelland en het Nieuwe Westen. Het gedeelte ten westen van de tunneltraverse is tussen 1900 en 1930 aangelegd. Het oostelijke deel van de Rochussenstraat stamt uit de jaren dertig en is aangelegd op basis van het stedenbouwkundige plan van W.G. Witteveen voor het gebied van het vroegere Land van Hoboken.

Charles Rochussen (Kralingen, 1 augustus 1814 – Rotterdam, 22 september 1894) was een Rotterdams kunstenaar en ontwerper.

Charles Rochussen kwam uit een welgestelde familie. Hij was een zoon van de zeep- en zoutfabrikant Hendrik Rochussen, een verzamelaar van kunst en oudheden, en Judith Bethlemine Charlotte Hubert. Zijn broer Henri (1812-1889) was eveneens schilder en tekenaar. Aanvankelijk voor een carrière in de handel bestemd, volgde Charles Rochussen zijn opleiding aan de academie in Den Haag. Na een lange periode van werken in Amsterdam (van 1849 tot 1869) keerde hij terug naar Rotterdam. In het negentiende-eeuwse Rotterdam was Rochussen een toonaangevende persoonlijkheid. De Rotterdamse notabele was zowel kunstenaar en ontwerper (van bijvoorbeeld historische optochten) als bestuurder van de Rotterdamse kunstacademie en diverse organisaties op cultureel gebied.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Pieter de Hooghweg 1917

Gezicht op het gebouw van de Nederlandse Economische Hogeschool (voorheen Hogere Handelschool) aan de Pieter de Hoochweg, 1917. Links staat de Hogere Zeevaartschool en rechts een gedeelte van de Anglicaanse Sint Mary’s church.

Rotterdam had als haven- en handelsstad aan het eind van de negentiende eeuw een sterke groei doorgemaakt. Een instelling voor hoger onderwijs, speciaal gericht op de handel, bestond in de stad echter nog niet. In 1906 begon de Rotterdamsche Vereeniging voor Voortgezet Handelsonderwijs met het organiseren van avondcursussen in navolging van een Amsterdams voorbeeld. Voorzitter en secretaris van deze vereniging waren de heren C.A.P. van Stolk en J.A. Ruys. Beiden heren waren het eens over de noodzaak van een handelshogeschool en gaven met mr. W.C. Mees, de oprichter van een scheepshypotheekbank, de eerste aanzet tot oprichting van de Nederlandsche Handelshoogeschool te Rotterdam. Dit initiatief werd in hoge mate gesteund door vertegenwoordigers van de Rotterdamse handel.

Op 28 februari 1913 werd een comité gevormd wat op 29 april 1913 leidde tot de oprichting van een vereniging die als doel had te komen tot een Nederlandsche Handelshoogeschool. De drie genoemde heren werden tot voorzitter en secretarissen benoemd. De definitieve vereniging, waarvan de statuten werden vastgesteld op 23 juli van dat jaar, kreeg de naam Nederlandsche Vereeniging voor Hooger Handelsonderwijs (Nederlandsche Handels-Hoogeschool, NHH). De statuten verkregen op 20 september 1913 Koninklijke goedkeuring.

De avondcursussen, gegeven door de Rotterdamsche Vereeniging voor Voortgezet Handelsonderwijs sinds 1906, werden in 1913 door de zojuist opgerichte Nederlandsche Handelshoogeschool overgenomen. Om financiële redenen kwam hieraan in 1921 een einde. De Nederlandsche Vereeniging voor Hooger Handelsonderwijs besloot echter eind 1922 deze avondcursussen weer te hervatten, echter apart van de Hoogeschool. De organisatie werd opgedragen aan een nieuw gevormde commissie voor Voortgezet Handelsonderwijs. De commissie werd opgeheven in 1983.

De feestelijke opening van de hogeschool vond plaats op zaterdag 8 november 1913 in de Grote Zaal van de Sociëteit ‘Harmonie’. Op maandag 10 november startten de colleges voor vijfenvijftig voltijd studenten. Gedurende de eerste jaren vond het onderwijs plaats in een tijdelijk onderkomen, maar in 1916 werd een nieuw gebouw aan de Pieter de Hoochweg, in Delfshaven, in gebruik genomen. De diploma’s van de NHH werden niet wettelijk erkend. In 1917 werd de eerste poging ondernomen om dit te veranderen. Het zou echter nog tot 1939 duren voordat de wettelijke erkenning er zou komen. In verband met deze erkenning werd toen de naam van de hogeschool gewijzigd in Nederlandsche Economische Hoogeschool (NEH) en de nieuwe naam voor de vereniging werd: Nederlandsche Vereeniging voor Hooger Handelsonderwijs in de Economische Wetenschappen.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam. http://www.stadsarchief.rotterdam.nl/nederlandse-economisch…

Met medewerking van Rotterdam van toen