Category Archives: Blijdorp

De hoofdingang van het Nenijtoterrein in 1928

In het najaar van 1926 ontstond bij enkele Rotterdamse ondernemers het idee om een nationale tentoonstelling op te zetten waarmee een beeld kon worden gegeven van de jongste verwovenheden van nijverheid en techniek. Dit idee leidde tot het ontstaan van de ‘Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling 1928 (internationaal)’, afgekort Nenijto: een tentoonstelling met een gedegen voorbereiding en succesvolle afloop. Meer dan anderhalf miljoen mensen bezochten tussen 26 mei en 30 september 1928 deze tentoonstelling. Sinds de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1883 was in er Nederland geen nijverheidstentoonstelling meer geweest die zo groot van opzet was.

De gedachte om de toestand in de ontwikkeling van de nijverheid weer te geven in de vorm van een tentoonstelling was volstrekt niet nieuw. De negentiende eeuw werd gekenmerkt door nijverheidstentoonstellingen in binnen en buitenland. In Nederland vond de eerste, op initiatief van koning Lodewijk Napoleon, plaats te Utrecht in 1808. Ook in Rotterdam waren al eerder nijverheidstentoonstellingen voorgekomen. Na 1900 was er met regelmaat sprake van een grote bedrijfstentoonstelling. In het ‘Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen’ aan de Schiedamsesingel waren in 1905 Rotterdamse industrieprodukten te zien, in ‘De Vereeniging’ aan de Schiekade had in 1916 een soortgelijk evenement plaats. Nog in 1923 was er ter gelegenheid van het jubileum van de ‘Vereeniging Nederlandsch Frabrikaat’ aan de Coolvest een expositieruimte ingericht voor nijverheidsproducten. Alleen deze laatste was van meer dan lokaal belang , maar ook in vergelijking met de Nenijto was deze maar klein van opzet.

Het verlangen om nijverheidstentoonstellingen te houden had te maken met het doel om de kwaliteit van de nijverheidsproducten te verbeteren en de nationale economie te stimuleren. Daarnaast traden ook steeds meer politieke doelstellingen als het kweken van een nationaal besef op de voorgrond. In 1928 ging het met de Nederlandse economie goed, er was zelfs sprake van een kleine economische bloei. De nijverheidstentoonstelling in Rotterdam gold voornamelijk als een mogelijkheid voor de fabrikant om zijn goederen aan de consument te tonen. Naast dit commerciële doel speelde een andere belangrijke reden een rol. In 1928 vonden namelijk in Amsterdam de Olympische Spelen plaats. Voor enkele Rotterdamse ondernemers stond het vast dat er geprofiteerd moest worden van de internationale belangstelling die ons land tijdens de Spelen zou krijgen. Een tentoonstelling zou het toeristisch verkeer dat tijdens de Spelen in Amsterdam verbleef over kunnen halen om ook Rotterdam te bezoeken. Dat men met de tentoonstelling Rotterdam in de belangstelling probeerde te zetten, bleek ook wel uit een opmerking van het NRC: ‘In ieder geval kwam (hiermee) de kans om de menschen, die onze havens en het vele andere, dat er hier te bewonderen valt, de reis naar Rotterdam niet waard mochten achten, door wat speciaals te lokken’. En inderdaad trok Rotterdam gedurende de Nenijto veel bezoekers. 1928 zou het jaar van Rotterdam worden want niet alleen vond de Nenijto er plaats, in dat jaar bestond de stad ook nog eens 600 jaar. Al met al was het groot feest dat jaar.

Hoewel de Nenijto oorspronkelijk van nationale opzet was, bleek het vooral een lokaal karakter uit te dragen. Het overgrote deel van de inzendingen was afkomstig van bedrijven uit Rotterdam en omgeving. De nadruk van het tentoongestelde lag dan ook op de handel en industrie die samenhingen met de havenfunctie van Rotterdam. Het woordje ‘internationaal’ achter de naam van de tentoonstelling duidde op buitenlandse inzenders. Aanvankelijk was het alleen de bedoeling geweest om uitsluitend producten uit Nederland en de koloniën tentoon te stellen. Toen echter bleek dat het aantal inzendingen niet toereikend zou zijn, werd al snel het roer omgegegooid. In januari 1928 werd het woordje ‘internationaal’ aan de naam Nenijto toegevoegd en kwam er een speciale hal op het tentoonstellingsterrein ter beschikking van buitenlandse inzenders.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Rivièrahal, Diergaarde Blijdorp, 1946

De Rivièrahal met de uitkijktoren in Diergaarde Blijdorp, 12 juli 1946.

De Rivièrahal is het hoofdgebouw van Diergaarde Blijdorp en werd in 1939 gebouwd naar het ontwerp van Sybold van Ravesteyn in neobarokke/functionalistische stijl.

Het tentoonstellingsgebouw is prominent gepositioneerd op de centrale, symmetrische as van de diergaarde. In de centrale hal was een wintertuin aanwezig. De zijvleugels waren bestemd voor onder meer het verblijf van reptielen, dikhuiden en apen. De naam van de hal verwijst naar de Franse Rivièra. Deze was dan ook bedoeld om bezoekers het gevoel te geven zich in een exotische omgeving te bevinden. Door het scheppen van een mediterrane, subtropische sfeer was de dierentuin ook in de winter aantrekkelijk voor publiek. Men kon er van oorsprong dineren in een chic restaurant en iets drinken in een cafetaria.

Het gebouw bestaat uit een langgerekte centrale hal met een van zuid naar noord uitwaaierende plattegrond. Aan weerszijden bezit de hal twee smallere zijbeuken met aan het zuidelijke einde ieder een cirkelvormig paviljoen. De hal wordt bekroond door een gebogen dak zonder nok. De zijbeuken worden bedekt door platte daken, gebogen daken en de paviljoens met koepeldaken. Alle daken zijn geheel rondom voorzien van een doorlopende strook bovenlichten. De dakranden zijn afgewerkt met geglazuurde tegels.

Omdat de hal deels als wintertuin werd gebouwd, kent het gebouw een kasachtige opzet met veel glas ten behoeve van daglicht- en warmtetoetreding. Het gebouw is uitgevoerd met een staalskelet dat plaatselijk voorzien is van een plastisch vormgegeven betonmantel. De symmetrische zuidgevel van de hal kent aan weerszijden twee entrees onder een luifel. Daartussen bevindt zich een uitspringend halfrond volume met een betonnen afgeronde borstwering, van oorsprong de begrenzing van een terras op die plek.

De fotograaf is Lex de Herder en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Vroesenlaan, 1935

Panden aan de Vroesenlaan, 1935.

De Vroesenlaan is vernoemd naar de vooraanstaande Rotterdamse familie Vroesen. In de zeventiende en achttiende eeuw waren verschillende familieleden lid van de Rotterdamse vroedschap en burgemeester van de stad. Niet iedereen hield zich alleen met besturen bezig. Zo’n voorbeeld is Adriaen Vroesen, die in 1669 zijn vader als burgemeester opvolgde. Als rijke regent was hij ook geïnteresseerd in het sociale en wetenschappelijke leven. Hij liet zelfs voor het (Rotterdamse) volk een enorm planetarium bouwen om ze daarmee te overtuigen dat niet de aarde maar de zon het middelpunt van het heelal was. Dat was ruim een eeuw eerder dan het nu bekende planetarium van Eise Eisinga in Franeker. Het planetarium werd in 1710 geschonken aan de Leidse Universiteit, vervolgens aan de Leidse sterrenwacht en het werd in 1931 overgedragen aan Museum Boerhaave in Leiden.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Diergaarde Blijdorp, 1962

Mensen op hun paasbest in het paasweekend voor de ingang van Diergaarde Blijdorp, 21-23 april 1962.

In 1940, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, werd de oude dierentuin op 12 mei zwaar beschadigd door bommen, twee dagen voor het grote bombardement op Rotterdam op 14 mei. Bij het grote bombardement werd de dierentuin niet getroffen. De dierentuin was toen al grotendeels verplaatst naar de huidige locatie. Tussen 1939 en 1941 werd er gebouwd op een locatie liggend tussen de spoorlijn Utrecht – Rotterdam en de Van Aerssenlaan. Bij het bombardement kwamen veel dieren om, terwijl een paar andere ontsnapten. Zo liep er een zebra door een winkelstraat en enkele zeeleeuwen zwommen in de singels van de stad.

Het ontwerp van de nieuwe dierentuin is van Sybold van Ravesteyn, waarbij traliewerk en hekken zo veel mogelijk zijn vermeden en vervangen door greppels en grachten. De verwarmde binnenverblijven en ruime leefweiden waren toentertijd uniek in de wereld.

Op 7 juli 1940 werd het noordelijk gedeelte geopend en in december was de nieuwe diergaarde geheel open. Van Ravesteyn had de dierentuin zo ontworpen dat er een symmetrieas door het park liep, waarop de betonnen gebouwen lagen: de Rivièrahal, de 47 meter hoge uitkijktoren, het roofdiergebouw, de grote vijver en het theehuis. Aan weerszijden van deze as lagen grote weiden voor hoefdieren als bizons en zebra’s.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Een groepje jongens met een orang oetan in Diergaarde Blijdorp, 1959

De ingang van de Diergaarde was aan de Kruiskade. Rondom het terrein was een fraai hek geplaatst. De dierenverblijven en andere gebouwen werden ontworpen door de architecten A.W. van Dam en H.J. de Haas. In 1862 werd de Diergaarde uitgebreid, waarbij opnieuw de hulp van Zocher werd ingeroepen. Dit gedeelte, dat bekend werd onder de naam Nieuwe Tuin, sloot naadloos aan bij het oude gedeelte. De Diergaarde kon zich meten met die van Amsterdam en Antwerpen dankzij de smaakvolle aanleg van Zocher.

In 1937 besloot het gemeentebestuur van Rotterdam dat de Diergaarde uit het stadscentrum moest wijken voor stedelijke bebouwing. Vanwege het steeds drukker wordende verkeer werd de Diergaarde verplaatst naar de wijk Blijdorp. Het jaar erop begon men met de bouw van de nieuwe Diergaarde ‘Blijdorp’, genoemd naar de polder Blijdorp, waar de tuin nog steeds gehuisvest is. Architect S. Van Ravesteyn kreeg de opdracht voor het ontwerp.

Toen de verhuizing naar Blijdorp in volle gang was, bombardeerden de Duitsers op 14 mei 1940 de binnenstad en daarmee ook de Diergaarde. De chaos was enorm en vele dieren overleefden het bombardement en de vuurzee niet. Voor zover mogelijk werden de overlevende dieren overgebracht naar Blijdorp, waar men nog volop bezig was met de bouw van de nieuwe tuin. Op 7 december 1940 werd de nieuwe Diergaarde officieel geopend.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Stadhoudersweg 1969

Gezicht op de Stadhoudersweg, 1969 (geschat). Toevallig passeert net een verhuiswagen van het verhuisbedrijf H. Vos.

Stadhouder was de titel van een van de belangrijkste functionarissen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De titel werd door de hertog van Bourgondië ingevoerd in de Bourgondische Nederlanden.

Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten voor hem het gezag uitoefende. Eerst kwam dit alleen bij uitzondering voor, maar het Bourgondische Huis verwierf in de vijftiende eeuw steeds meer grondgebied en kreeg wegens die uitgebreidheid behoefte aan permanente plaatsvervangers. Stadhouders hadden zitting in de Raad van State, konden de gewestelijke staten bijeenroepen en zaten het rechtscollege voor.

Met het Plakkaat van Verlatinghe in 1581 werd de landsheer afgezworen. Daardoor was de functie in feite overbodig geworden. Toch werd besloten hem in ere te houden. De reden was dat men de belangrijkste aanvoerders van de opstand, onder wie Willem van Oranje, een hoofdfunctie in de uitvoerende macht wilde geven, zonder ze tot landheer te laten uitgroeien. Willem was overigens al in 1572 door de Staten van Holland eigenmachtig tot stadhouder van de provincie Holland benoemd.

Officieel was de stadhouder een ambtenaar en bleef de volledige macht, uitvoerend en wetgevend, in handen van het bestuur van iedere provincie. In de praktijk trok de stadhouder grote persoonlijke macht naar zich toe. Op gewestelijk niveau droeg hij vaak de leden van de vroedschappen van steden voor en wist zo zijn eigen volgelingen in de meest fundamentele besluitvormende organen te benoemen. In Zeeland was hij de eerste edele en daarmee lid van de Staten van die provincie.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Uitkijktoren diergaarde Blijdorp 1971

D uitkijktoren van Diergaarde Blijdorp met op de voorgrond een ijsbeer, 1971 (geschat).

Het ontwerp van de nieuwe dierentuin is van Sybold van Ravesteyn, waarbij traliewerk en hekken zo veel mogelijk zijn vermeden en vervangen door greppels en grachten. De verwarmde binnenverblijven en ruime leefweiden waren toentertijd uniek in de wereld.

Op 7 juli 1940 werd het noordelijk gedeelte geopend en in december was de nieuwe diergaarde geheel open. Van Ravesteyn had de dierentuin zo ontworpen dat er een symmetrieas door het park liep, waarop de betonnen gebouwen lagen: de Rivièrahal, de 47 meter hoge uitkijktoren, het roofdiergebouw, de grote vijver en het theehuis. Aan weerszijden van deze as lagen grote weiden voor hoefdieren als bizons en zebra’s.

Ter gelegenheid van het 100-jarige jubileum in 1957 werden tegels met gestileerde dierenfiguren vervaardigd door Groeneveldts aardewerkfabriek. In dit jubileumjaar werd ook het predicaat Koninklijk verleend en werd de naam gewijzigd in Stichting Koninklijke Rotterdamse Diergaarde. In 1963 werd de Vereniging Vrienden van Blijdorp opgericht. De vereniging ondersteunt de diergaarde financieel, waardoor onder andere in 1965 het Henri-Martinhuis kon worden gebouwd, een gebouw voor kleine apen en nachtdieren. In 1972 werd de markante uitkijktoren wegens bouwvalligheid afgebroken. In 1984 werd in Blijdorp het eerste olifantje geboren, een Aziatische olifant met de naam Bernhardine, vernoemd naar Prins Bernhard. Bernhardine is voor zover bekend de eerste olifant die werd geboren in een Nederlandse dierentuin. Inmiddels zijn er zo’n tien olifanten geboren in Blijdorp.

In 1988 kwam Blijdorp met een masterplan, dat de hele dierentuin heeft veranderd. Volgens het masterplan worden dieren per werelddeel geordend, in natuurlijk ogende biotopen. Daarbij worden niet alleen dieren, maar ook planten en culturele elementen uit het nagebootste biotoop getoond. De eerste jaren stonden deze aanpassingen in het teken van Azië. Zo werd in de lente van 1991 de vleermuisgrot geopend, waar bezoekers vrij tussen honderden vliegende roezetvleermuizen konden lopen. In 1992 werd de wolvenvallei geopend, het eerste nieuwe verblijf voor Europese dieren, een groot bosrijk verblijf waar een roedel wolven wordt gehouden.

In 1994 volgde Taman Indah, het grote verblijf voor onder meer Aziatische olifanten, Indische neushoorns en Maleise tapirs. In 1999 werd het Afrikaanse Gorilla-eiland geopend en in 2000 volgde het Oceanium. Het Oceanium werd gebouwd op een 11 hectare grote uitbreiding van de dierentuin aan de andere kant van de spoorlijn naar Den Haag. De totale oppervlakte van de dierentuin is nu ongeveer 28 hectare.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Nenijto 1928

Luchtopname van het terrein en de gebouwen van de Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling (Nenijto), 26 mei – 15 september 1928.

In het najaar van 1926 ontstond bij enkele Rotterdamse ondernemers het idee om een nationale tentoonstelling op te zetten waarmee een beeld kon worden gegeven van de jongste verwovenheden van nijverheid en techniek. Dit idee leidde tot het ontstaan van de ‘Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling 1928 (internationaal)’, afgekort Nenijto: een tentoonstelling met een gedegen voorbereiding en succesvolle afloop. Meer dan anderhalf miljoen mensen bezochten tussen 26 mei en 30 september 1928 deze tentoonstelling. Sinds de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1883 was in er Nederland geen nijverheidstentoonstelling meer geweest die zo groot van opzet was.

De gedachte om de toestand in de ontwikkeling van de nijverheid weer te geven in de vorm van een tentoonstelling was volstrekt niet nieuw. De negentiende eeuw werd gekenmerkt door nijverheidstentoonstellingen in binnen en buitenland. In Nederland vond de eerste, op initiatief van koning Lodewijk Napoleon, plaats te Utrecht in 1808. Ook in Rotterdam waren al eerder nijverheidstentoonstellingen voorgekomen. Na 1900 was er met regelmaat sprake van een grote bedrijfstentoonstelling. In het ‘Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen’ aan de Schiedamsesingel waren in 1905 Rotterdamse industrieprodukten te zien, in ‘De Vereeniging’ aan de Schiekade had in 1916 een soortgelijk evenement plaats. Nog in 1923 was er ter gelegenheid van het jubileum van de ‘Vereeniging Nederlandsch Frabrikaat’ aan de Coolvest een expositieruimte ingericht voor nijverheidsproducten. Alleen deze laatste was van meer dan lokaal belang , maar ook in vergelijking met de Nenijto was deze maar klein van opzet.

Het verlangen om nijverheidstentoonstellingen te houden had te maken met het doel om de kwaliteit van de nijverheidsproducten te verbeteren en de nationale economie te stimuleren. Daarnaast traden ook steeds meer politieke doelstellingen als het kweken van een nationaal besef op de voorgrond. In 1928 ging het met de Nederlandse economie goed, er was zelfs sprake van een kleine economische bloei. De nijverheidstentoonstelling in Rotterdam gold voornamelijk als een mogelijkheid voor de fabrikant om zijn goederen aan de consument te tonen. Naast dit commerciële doel speelde een andere belangrijke reden een rol. In 1928 vonden namelijk in Amsterdam de Olympische Spelen plaats. Voor enkele Rotterdamse ondernemers stond het vast dat er geprofiteerd moest worden van de internationale belangstelling die ons land tijdens de Spelen zou krijgen. Een tentoonstelling zou het toeristisch verkeer dat tijdens de Spelen in Amsterdam verbleef over kunnen halen om ook Rotterdam te bezoeken. Dat men met de tentoonstelling Rotterdam in de belangstelling probeerde te zetten, bleek ook wel uit een opmerking van het NRC: ‘In ieder geval kwam (hiermee) de kans om de menschen, die onze havens en het vele andere, dat er hier te bewonderen valt, de reis naar Rotterdam niet waard mochten achten, door wat speciaals te lokken’. En inderdaad trok Rotterdam gedurende de Nenijto veel bezoekers. 1928 zou het jaar van Rotterdam worden want niet alleen vond de Nenijto er plaats, in dat jaar bestond de stad ook nog eens 600 jaar. Al met al was het groot feest dat jaar.

Hoewel de Nenijto oorspronkelijk van nationale opzet was, bleek het vooral een lokaal karakter uit te dragen. Het overgrote deel van de inzendingen was afkomstig van bedrijven uit Rotterdam en omgeving. De nadruk van het tentoongestelde lag dan ook op de handel en industrie die samenhingen met de havenfunctie van Rotterdam. Het woordje ‘internationaal’ achter de naam van de tentoonstelling duidde op buitenlandse inzenders. Aanvankelijk was het alleen de bedoeling geweest om uitsluitend producten uit Nederland en de koloniën tentoon te stellen. Toen echter bleek dat het aantal inzendingen niet toereikend zou zijn, werd al snel het roer omgegegooid. In januari 1928 werd het woordje ‘internationaal’ aan de naam Nenijto toegevoegd en kwam er een speciale hal op het tentoonstellingsterrein ter beschikking van buitenlandse inzenders.

De foto is gemaakt door KLM Aerocarto en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Prinsenkerk, Statensingel 1932

De aanbouw van de Prinsekerk bij de Statensingel, gezien vanuit noordoostelijke richting, 1932-1933.

De Prinsekerk werd gebouwd naar een ontwerp van de architecten Meischke en Schmidt en dit fraaie gebouw werd gesitueerd op de hoek van de Statensingel en de Schepenstraat. De eerste steen werd gelegd door Mr. Abm. van der Hoeven op 17 December 1932. Op 13 december 1933 werd de kerk door ds. A.C.G. den Hertog in gebruik genomen.

De naam Prinsekerk ontleende men aan het feit dat het in 1933 vier honderd jaar geleden was dat Willem de Zwijger werd geboren.

Toen in 1933 de laatste dienst plaats vond in de Hervormde Oosterkerk te Rotterdam, gebouwd in 1682 en gesloopt in 1933/1934, besloot men het orgel en het merendeel van het meubilair over te brengen naar de toen nieuw gebouwde Prinsekerk. Mede hierdoor is het interessant om deze kerk eens van binnen te bezichtigen. Zo zijn er bijzonder fraaie meubelstukken bewaard gebleven, t.w.: de vierkanten eiken preekstoel met drie weelderig met lover gesneden rechthoekige panelen. Het voorste toont een opengeslagen bijbel als symbool van het geloof. Het linker paneel heeft het anker als teken van de hoop. De liefde en barmhartigheid wordt op het rechterpaneel gesymboliseerd door een gevleugeld en brandend hart. Het ruggeschot toont een ovalen spiegel als symbool van de voorzichtigheid; erboven een gesneden lijst. Genoemde symbolen zijn gevat in de ouroboros, een slang die zichzelf in de staart bijt, het symbool van de eeuwigheid. Het rechthoekige klankbord heeft een gesneden lijst en rust op twee grote takken en wijd geopende bloemen, de bollen zijn nieuw. In de Oosterkerk had de preekstoel de trap aan de achterzijde. De twee leuningen werden in de Prinsekerk verzet naar de zijkanten omdat het meubel aldaar tegen de muur is geplaatst. De panelen zijn rijkelijk versierd met acanthusbladeren. Op de twee gebogen leuningen groeien takken en bladeren, die bij de eerste traptrede beginnen met wortels. Hoger opgaand ontluiken de knoppen en bloemen

De Statensingel is vernoemd naar de Staten van Holland. Dit college ontstond in de middeleeuwen als samenwerkingsorgaan van de schillende staten (standen). In Holland waren hierin de ridderschap en de steden vertegenwoordigd. De staten werden oorspronkelijk door de landsheer (in Holland de graaf) bijeengeroepen indien deze geld nodig had voor het overheidsapparaat of het voeren van oorlog. Dit geld werd hem dan verstrekt tegen toekenning van privileges (voorrechten). Sinds 1572 kwamen de Staten van Holland op eigen gezag bijeen. In 1581 werd de landsheer (koning Filips II) afgezworen. Tot 1795 vormden de Staten de regering over het autonome gewest Holland.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van reliwiki.nl. Lees verder op: http://reliwiki.nl/…/Rotterdam,_Schepenstraat_69_-_Prinseke…

Met medewerking van Rotterdam van toen

Stadhoudersweg 1950

De Stadhoudersweg richting de Schieweg, 26 juni 1950.

De Stadhoudersweg draagt de naam van de vroegere plaatsvervanger van de landheer. Ten tijde van de Republiek was hij dienaar van de Staten van de verschillende gewesten. Ter hoogte van het Stadhoudersplein bevond zich in vroeger tijd het ‘Galgenveld’, waar door het Rotterdamse gerecht veroordeelde personen werden geëxecuteerd. In 1795 werd het veld aan een paardenvilder verhuurd; daarom heette het later ook wel Vildersveld. Van 1913 tot 1932 was hier de Melkmarkt gevestigd.

De Rotterdamse Schie is de vaart, die ten gevolge van een handvest van 9 juni 1340 werd gegraven van Overschie naar Rotterdam. Ze sloot aan op de reeds bestaande Delftse of Oude Schie, die Delft met Overschie verbond. Ter plaatse van het latere Hofplein kwam de Schie uit in de Kolk welke door de Rotte was gevormd. Vanaf dit punt ging de vaart door de stad onder de naam Delftsevaart. Deze was via een spuisluis verbonden met de Merwede (Nieuwe Maas).

De Schie komt ook een enkele maal voor als Spuivaart. Langs beide zijden van de vaart werden kaden aangelegd. In het begin waren deze van weinig betekenis. De Oost-Schiekade was omstreeks 1562 nog maar een betrekkelijk smalle zomerkade. Eerst in 1741 werd deze door de stad bestraat, voor rekening van de eigenaars van de huizen aan de kade en de 1ste, 2de en 3de Schielaan. Dit waren drie laantjes die vanaf de Oost-Schiekade langs de tuinen van de buitenhuizen liepen. De West-Schiekade was breder en werd als rijweg naar Delft gebruikt. Bij een overeenkomst in 1471 werd bepaald dat het onderhoud van deze weg van de Delftse Poort tot aan het Leprooshuis voor rekening van de stad kwam. Het onderhoud van het gedeelte tot aan de Waelheul (Heulbrug) zou worden betaald door de ingelanden van de ambachten van Beukelsdijk, Cool, Schoonderloo, West-Blommersdijk en Blijdorp.

De West-Schiekade, gelegen tussen de Heulbrug en Overschie en vroeger vaak Lugt of Trekweg genoemd, heette sinds 1904 Schieweg. Bij besluit B&W 19 april 1932 heeft deze weg een andere loop. Vanaf de huidige Stadhoudersweg, die over een klein gedeelte van het traject van de oude Schieweg loopt, is de weg in noordelijke richting naar de Gordelweg doorgetrokken. Hij sluit thans aan op rijksweg A20. Het rotondeplein in deze rijksweg ontving de naam Schieplein.

De Schiestraat kreeg haar naam omdat ze op de Schie uitliep. Vóór het bombardement in mei 1940 liep deze straat van de Schiekade naar de Delftsestraat. In verband met de bouw van de wijken Blijdorp en Bergpolder werd in 1931 besloten het gedeelte van de Schie tussen de melkmarkt (latere Stadhoudersplein) en de spoorbaan te dempen. De gemeenteraad besloot op 22 juni 1939 tot demping van het gedeelte van de Schie, gelegen tussen het Hofplein en het Stadhoudersplein. Deze demping geschiedde voor een groot gedeelte met het puin van de huizen, die verwoest waren bij het bombardement. Sindsdien is een bekend Rotterdams gezegde ‘Eerst lag de Schie in Rotterdam, thans ligt Rotterdam in de Schie’

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen