Category Archives: Blijdorp

Kampeerders op de stadscamping aan de Kanaalweg, 1958

Uit het Vrije Volk van 4 april 1958.

Kampvader Allewijn opent morgen de poorten van het Rotterdamse kampeerterrein aan de Kanaalweg, maar meer dan een symbolisch gebaar is dat niet, want hij heeft zijn eerste gasten, drie Nieuw-Zeelandse trekkers, van de week al begroet en vanavond verwacht hij een grote groep jonge Duitsers, die met scooters ons land komen bezoeken. Maar goed, officieel gaat het kampeerterrein, naar internationaal gebruik Camping genaamd, morgen open

De verwachtingen zijn hoog gespannen: vorig ; jaar, een verregend zomerseizoen, werd de Camping door meer dan twaalfduizend gasten bezocht. Die duizenden vakantiegangers uit vrijwel alle vrije landen van de wereld onderstreepten nog eens het belang van een goed kampeerterrein. Rotterdam is lang weifelmoedig geweest. Het kampeerterrein was een stiefkind, dat blijkbaar nergens gewenst was, maar nu zien we aanwijzingen, dat de Camping zijn plaats gevonden heeft en het is een goede plaats. Er schijnen nog wel plannen te bestaan om het kampeerterrein te verplaatsen, maar wij hopen dat het plannen blijven, want het is nu goed gesitueerd: aan grote verkeerswegen, aardig in het groen en met goede verbinding met de binnenstad. Het is belangrijk, dat deze voorziening voor een groeiend onderdeel van het sociaal toerisme een vaste plaats heeft, want dat betekent, dat de kampeerder weet waar hij in onze stad aan toe is. Mondreclame is belangrijk.

Officieel staat het dus nog niet volkomen vast, dat de Camping aan de Kanaalweg zal blijven, maar de verzorging van het. terrein wekt de indruk, dat men een blijvende vestiging heeft aanvaard. Verfje etc. De veertig cabines (met tachtig bedden!) zijn fris opgeschilderd, de wegen werden verharden de kampeerstroken kregen afscheidingen door beplantingen. Ook zijn er langs de paden boompjes geplant. De sanitaire afdeling kreeg eveneens een goede beurt, al blijven wij van oordeel, dat een installatie voor warm water een gebiedende eis is in ons kille klimaat. Een warme douche is niet te versmaden.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt via delpher.nl uit het Vrije Volk van 4 april 1958.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Bentinckplein-Walenburgerweg, 1957

Sloop van de diverse noodwinkels Bentinckplein-Walenburgerweg in de wijk Blijdorp, het winkelpand van H.H. de Klerk is nog intact, 1957-1958.

Willem graaf Bentinck (Whitehall in Londen, 6 november 1704 – Den Haag, 13 oktober 1774), heer van Rhoon en Pendrecht, na 1732 rijksgraaf Bentinck, oudste zoon uit het tweede huwelijk van Hans Willem Bentinck, graaf van Portland, was een Nederlands edelman en politicus. Hij had als lid van de Ridderschap van Holland zitting in de Staten van Holland en West-Friesland.

Willem Bentinck erfde geen goederen in Engeland. Hij deelde wel in het Hollandse bezit van zijn in 1709 gestorven vader en werd zo heer van Rhoon en Pendrecht en eigenaar van Huis Sorghvliet, het huidige Catshuis. Zijn jongere broer Charles erfde de oude landgoederen van de Bentincks in Overijssel en het kasteel Het Nijenhuis.

Willem Bentinck was een zeer gereserveerde en stugge aristocraat die desondanks de gave had om diplomaat te zijn. Hij werd een van de belangrijkste adviseurs van stadhouder Willem IV die aan Bentinck zijn verheffing tot erfstadhouder dankte. Er wordt verondersteld dat Willem Bentinck zo stug en gesloten was om praatjes te voorkomen; zijn vader was de favoriet en volgens vele tijdgenoten ook de minnaar van stadhouder Willem III geweest.

De Walenburgerweg herinnert aan de vroegere hoftede Walenburg. In 1579 kocht Hillegont Pieters, echtgenote van Adriaen Pietersz., ‘de ruyge werff groot omtrent vijf hont lants’. Hierop werd een hofstede gebouwd, die vermoedelijk al vrij spoedig de naam ‘Walenburg’ gedragen zal hebben naar de op dit terrein gelegen Waal.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Statensingel met de Prinsekerk, 1935

Deze singel is vernoemd naar de Staten van Holland. Dit college ontstond in de middeleeuwen als samenwerkingsorgaan van de schillende staten (standen). In Holland waren hierin de ridderschap en de steden vertegenwoordigd. De staten werden oorspronkelijk door de landsheer (in Holland de graaf) bijeengeroepen indien deze geld nodig had voor het overheidsapparaat of het voeren van oorlog. Dit geld werd hem dan verstrekt tegen toekenning van privileges (voorrechten). Sinds 1572 kwamen de Staten van Holland op eigen gezag bijeen. In 1581 werd de landsheer (koning Filips II) afgezworen. Tot 1795 vormden de Staten de regering over het autonome gewest Holland.

De Prinsekerk werd gebouwd naar een ontwerp van de architecten Meischke en Schmidt en dit fraaie gebouw werd gesitueerd op de hoek van de Statensingel en de Schepenstraat. De eerste steen werd gelegd door Mr. Abm. van der Hoeven op 17 December 1932. Op 13 december 1933 werd de kerk door ds. A.C.G. den Hertog in gebruik genomen.

De naam Prinsekerk ontleende men aan het feit dat het in 1933 vierhonderd jaar geleden was dat Willem de Zwijger werd geboren.

Toen in 1933 de laatste dienst plaats vond in de Hervormde Oosterkerk te Rotterdam, gebouwd in 1682 en gesloopt in 1933/1934, besloot men het orgel en het merendeel van het meubilair over te brengen naar de toen nieuw gebouwde Prinsekerk. Mede hierdoor is het interessant om deze kerk eens van binnen te bezichtigen. Zo zijn er bijzonder fraaie meubelstukken bewaard gebleven, t.w.: de vierkanten eiken preekstoel met drie weelderig met lover gesneden rechthoekige panelen. Het voorste toont een opengeslagen bijbel als symbool van het geloof. Het linker paneel heeft het anker als teken van de hoop. De liefde en barmhartigheid wordt op het rechterpaneel gesymboliseerd door een gevleugeld en brandend hart.

De foto komt uit de collectie Koops en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van reliwiki. https://www.reliwiki.nl/…/Rotterdam,_Schepenstraat_69_-_Pri…

Met medewerking van Rotterdam van toen

Tijgerverblijf Diergaarde Blijdorp, 1974

Een wrakke muur voor het tijgerverblijf in Diergaarde Blijdorp, 24 juli 1974.

Rond 1855 richtten twee spoorwegbeambten een spoortuintje in de Rotterdamse binnenstad in om hun verzameling exotische vogels onder te brengen. Deze hobby-vogeltuin werd een groot succes en leidde tot de oprichting van de ‘De Rotterdamsche Diergaarde’ in 1857. De eerste directeur was Henri Martin, oorspronkelijk leeuwentemmer van beroep. Aanvankelijk mochten alleen leden van de vereniging de dierentuin bezoeken.

In 1857 kreeg J.D. Zocher van de gemeente de opdracht om de tuin voor de Diergaarde aan te leggen. De bedoeling was om op een aangename wijze kennis van dieren en planten te bevorderen. Zocher voerde het plan uit samen met zijn zoon Louis Paul. De Diergaarde was een enorm succes. Tijdens de aanleg kon men de dieren al bezichtigen en binnen acht maanden tijd leverde dat ruim twaalfduizend bezoekers op. Daaronder bevonden zich bijna vierduizend stadgenoten die geen lid waren. Het lidmaatschap was namelijk erg duur, maar eenmaal per jaar, tijdens de kermis, kon de gewone man voor een gereduceerd tarief de dierentuin bezoeken.

De ingang van de Diergaarde was aan de Kruiskade. Rondom het terrein was een fraai hek geplaatst. De dierenverblijven en andere gebouwen werden ontworpen door de architecten A.W. van Dam en H.J. de Haas. In 1862 werd de Diergaarde uitgebreid, waarbij opnieuw de hulp van Zocher werd ingeroepen. Dit gedeelte, dat bekend werd onder de naam Nieuwe Tuin, sloot naadloos aan bij het oude gedeelte. De Diergaarde kon zich meten met die van Amsterdam en Antwerpen dankzij de smaakvolle aanleg van Zocher.

In 1937 besloot het gemeentebestuur van Rotterdam dat de Diergaarde uit het stadscentrum moest wijken voor stedelijke bebouwing. Vanwege het steeds drukker wordende verkeer werd de Diergaarde verplaatst naar de wijk Blijdorp. Het jaar erop begon men met de bouw van de nieuwe Diergaarde ‘Blijdorp’, genoemd naar de polder Blijdorp, waar de tuin nog steeds gehuisvest is. Architect S. Van Ravesteyn kreeg de opdracht voor het ontwerp.

Toen de verhuizing naar Blijdorp in volle gang was, bombardeerden de Duitsers op 14 mei 1940 de binnenstad en daarmee ook de Diergaarde. De chaos was enorm en vele dieren overleefden het bombardement en de vuurzee niet. Voor zover mogelijk werden de overlevende dieren overgebracht naar Blijdorp, waar men nog volop bezig was met de bouw van de nieuwe tuin. Op 7 december 1940 werd de nieuwe Diergaarde officieel geopend.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Statenweg ter hoogte van de Bentincklaan, 1946

De Statenweg is vernoemd naar de Staten van Holland. Dit college ontstond in de middeleeuwen als samenwerkingsorgaan van de schillende staten (standen). In Holland waren hierin de ridderschap en de steden vertegenwoordigd. De staten werden oorspronkelijk door de landsheer (in Holland de graaf) bijeengeroepen indien deze geld nodig had voor het overheidsapparaat of het voeren van oorlog. Dit geld werd hem dan verstrekt tegen toekenning van privileges (voorrechten). Sinds 1572 kwamen de Staten van Holland op eigen gezag bijeen. In 1581 werd de landsheer (koning Filips II) afgezworen. Tot 1795 vormden de Staten de regering over het autonome gewest Holland.

De Bentincklaan draagt de naam van Willem Bentinck, 1704-1774, heer van Rhoon en Pendrecht, gedeputeerde ter Staten-Generaal voor het gewest Holland.

De foto is gemaakt door de Dienst Gemeentewerken en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Diergaardetunnel aan de Blijdorpzijde, 1961

De Diergaardetunnel is een verkeerstunnel in het westen van Rotterdam. De tunnel ligt tussen de Heemraadssingel in Rotterdam-West en de Van Aerssenlaan in de wijk Blijdorp en kruist het emplacement van station Rotterdam Centraal. Het gesloten deel van de tunnel is 100 meter lang.

De tunnel is gebouwd tussen 1952 en 1958 en is vernoemd naar Diergaarde Blijdorp, die in 1940 juist ten noorden van deze tunnel geopend was. De oude ingang van de Diergaarde ligt nabij deze tunnel. De bouw van de Diergaardetunnel viel samen met de wijzigingen in het emplacement van station Rotterdam Centraal die in de jaren vijftig uitgevoerd werden na de sluiting van station Delftse Poort en de opening van het nieuwe Centraal Station.

De tunnel telt drie buizen: de middelste buis met twee rijstroken is voor het autoverkeer en de buitenste buizen zijn voor fietsers en voetgangers.

De wijk Blijdorp dankt haar naam aan de voormalige Blijdorpsepolder, waarin ze is gelegen. De polder moet in de 13de eeuw zijn ingedijkt. De naam is een verbastering van Bridorp (Brijdorp). Dorp heeft hier vermoedelijk de betekenis van akkerland. Bij bri of brij kan men denken aan modderig og papperig. In een leenregister (eind 13de eeuw) is sprake van land in heer Enghebrechts ambacht. Hiermee wordt Blijdorp bedoeld. In 1389 wordt er gesproken over 2 morgen land ‘gelegen in Schyeban in de Bridorpsate’. In het noordwestelijke deel van de polder lag de buitenplaats ‘Blijdorp’. Deze komt voor het eerst voor op een kaart van 1653. In de 19de eeuw is ze gesloopt. Van 1787 tot 1797 stond in de polder, ter hoogte van het Vroesenpark, het eerste Nederlandse stoomgemaal (de vuurmachine van Steven Hoogendijk). De wijk Blijdorp is gebouwd in de jaren dertig van de 20ste eeuw. De wijk Blijdorpsepolder wordt voornamelijk gevormd door een recreatiegebied met parken en volkstuinencomplexen.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De hoofdingang van het Nenijtoterrein in 1928

In het najaar van 1926 ontstond bij enkele Rotterdamse ondernemers het idee om een nationale tentoonstelling op te zetten waarmee een beeld kon worden gegeven van de jongste verwovenheden van nijverheid en techniek. Dit idee leidde tot het ontstaan van de ‘Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling 1928 (internationaal)’, afgekort Nenijto: een tentoonstelling met een gedegen voorbereiding en succesvolle afloop. Meer dan anderhalf miljoen mensen bezochten tussen 26 mei en 30 september 1928 deze tentoonstelling. Sinds de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1883 was in er Nederland geen nijverheidstentoonstelling meer geweest die zo groot van opzet was.

De gedachte om de toestand in de ontwikkeling van de nijverheid weer te geven in de vorm van een tentoonstelling was volstrekt niet nieuw. De negentiende eeuw werd gekenmerkt door nijverheidstentoonstellingen in binnen en buitenland. In Nederland vond de eerste, op initiatief van koning Lodewijk Napoleon, plaats te Utrecht in 1808. Ook in Rotterdam waren al eerder nijverheidstentoonstellingen voorgekomen. Na 1900 was er met regelmaat sprake van een grote bedrijfstentoonstelling. In het ‘Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen’ aan de Schiedamsesingel waren in 1905 Rotterdamse industrieprodukten te zien, in ‘De Vereeniging’ aan de Schiekade had in 1916 een soortgelijk evenement plaats. Nog in 1923 was er ter gelegenheid van het jubileum van de ‘Vereeniging Nederlandsch Frabrikaat’ aan de Coolvest een expositieruimte ingericht voor nijverheidsproducten. Alleen deze laatste was van meer dan lokaal belang , maar ook in vergelijking met de Nenijto was deze maar klein van opzet.

Het verlangen om nijverheidstentoonstellingen te houden had te maken met het doel om de kwaliteit van de nijverheidsproducten te verbeteren en de nationale economie te stimuleren. Daarnaast traden ook steeds meer politieke doelstellingen als het kweken van een nationaal besef op de voorgrond. In 1928 ging het met de Nederlandse economie goed, er was zelfs sprake van een kleine economische bloei. De nijverheidstentoonstelling in Rotterdam gold voornamelijk als een mogelijkheid voor de fabrikant om zijn goederen aan de consument te tonen. Naast dit commerciële doel speelde een andere belangrijke reden een rol. In 1928 vonden namelijk in Amsterdam de Olympische Spelen plaats. Voor enkele Rotterdamse ondernemers stond het vast dat er geprofiteerd moest worden van de internationale belangstelling die ons land tijdens de Spelen zou krijgen. Een tentoonstelling zou het toeristisch verkeer dat tijdens de Spelen in Amsterdam verbleef over kunnen halen om ook Rotterdam te bezoeken. Dat men met de tentoonstelling Rotterdam in de belangstelling probeerde te zetten, bleek ook wel uit een opmerking van het NRC: ‘In ieder geval kwam (hiermee) de kans om de menschen, die onze havens en het vele andere, dat er hier te bewonderen valt, de reis naar Rotterdam niet waard mochten achten, door wat speciaals te lokken’. En inderdaad trok Rotterdam gedurende de Nenijto veel bezoekers. 1928 zou het jaar van Rotterdam worden want niet alleen vond de Nenijto er plaats, in dat jaar bestond de stad ook nog eens 600 jaar. Al met al was het groot feest dat jaar.

Hoewel de Nenijto oorspronkelijk van nationale opzet was, bleek het vooral een lokaal karakter uit te dragen. Het overgrote deel van de inzendingen was afkomstig van bedrijven uit Rotterdam en omgeving. De nadruk van het tentoongestelde lag dan ook op de handel en industrie die samenhingen met de havenfunctie van Rotterdam. Het woordje ‘internationaal’ achter de naam van de tentoonstelling duidde op buitenlandse inzenders. Aanvankelijk was het alleen de bedoeling geweest om uitsluitend producten uit Nederland en de koloniën tentoon te stellen. Toen echter bleek dat het aantal inzendingen niet toereikend zou zijn, werd al snel het roer omgegegooid. In januari 1928 werd het woordje ‘internationaal’ aan de naam Nenijto toegevoegd en kwam er een speciale hal op het tentoonstellingsterrein ter beschikking van buitenlandse inzenders.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Rivièrahal, Diergaarde Blijdorp, 1946

De Rivièrahal met de uitkijktoren in Diergaarde Blijdorp, 12 juli 1946.

De Rivièrahal is het hoofdgebouw van Diergaarde Blijdorp en werd in 1939 gebouwd naar het ontwerp van Sybold van Ravesteyn in neobarokke/functionalistische stijl.

Het tentoonstellingsgebouw is prominent gepositioneerd op de centrale, symmetrische as van de diergaarde. In de centrale hal was een wintertuin aanwezig. De zijvleugels waren bestemd voor onder meer het verblijf van reptielen, dikhuiden en apen. De naam van de hal verwijst naar de Franse Rivièra. Deze was dan ook bedoeld om bezoekers het gevoel te geven zich in een exotische omgeving te bevinden. Door het scheppen van een mediterrane, subtropische sfeer was de dierentuin ook in de winter aantrekkelijk voor publiek. Men kon er van oorsprong dineren in een chic restaurant en iets drinken in een cafetaria.

Het gebouw bestaat uit een langgerekte centrale hal met een van zuid naar noord uitwaaierende plattegrond. Aan weerszijden bezit de hal twee smallere zijbeuken met aan het zuidelijke einde ieder een cirkelvormig paviljoen. De hal wordt bekroond door een gebogen dak zonder nok. De zijbeuken worden bedekt door platte daken, gebogen daken en de paviljoens met koepeldaken. Alle daken zijn geheel rondom voorzien van een doorlopende strook bovenlichten. De dakranden zijn afgewerkt met geglazuurde tegels.

Omdat de hal deels als wintertuin werd gebouwd, kent het gebouw een kasachtige opzet met veel glas ten behoeve van daglicht- en warmtetoetreding. Het gebouw is uitgevoerd met een staalskelet dat plaatselijk voorzien is van een plastisch vormgegeven betonmantel. De symmetrische zuidgevel van de hal kent aan weerszijden twee entrees onder een luifel. Daartussen bevindt zich een uitspringend halfrond volume met een betonnen afgeronde borstwering, van oorsprong de begrenzing van een terras op die plek.

De fotograaf is Lex de Herder en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Vroesenlaan, 1935

Panden aan de Vroesenlaan, 1935.

De Vroesenlaan is vernoemd naar de vooraanstaande Rotterdamse familie Vroesen. In de zeventiende en achttiende eeuw waren verschillende familieleden lid van de Rotterdamse vroedschap en burgemeester van de stad. Niet iedereen hield zich alleen met besturen bezig. Zo’n voorbeeld is Adriaen Vroesen, die in 1669 zijn vader als burgemeester opvolgde. Als rijke regent was hij ook geïnteresseerd in het sociale en wetenschappelijke leven. Hij liet zelfs voor het (Rotterdamse) volk een enorm planetarium bouwen om ze daarmee te overtuigen dat niet de aarde maar de zon het middelpunt van het heelal was. Dat was ruim een eeuw eerder dan het nu bekende planetarium van Eise Eisinga in Franeker. Het planetarium werd in 1710 geschonken aan de Leidse Universiteit, vervolgens aan de Leidse sterrenwacht en het werd in 1931 overgedragen aan Museum Boerhaave in Leiden.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Diergaarde Blijdorp, 1962

Mensen op hun paasbest in het paasweekend voor de ingang van Diergaarde Blijdorp, 21-23 april 1962.

In 1940, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, werd de oude dierentuin op 12 mei zwaar beschadigd door bommen, twee dagen voor het grote bombardement op Rotterdam op 14 mei. Bij het grote bombardement werd de dierentuin niet getroffen. De dierentuin was toen al grotendeels verplaatst naar de huidige locatie. Tussen 1939 en 1941 werd er gebouwd op een locatie liggend tussen de spoorlijn Utrecht – Rotterdam en de Van Aerssenlaan. Bij het bombardement kwamen veel dieren om, terwijl een paar andere ontsnapten. Zo liep er een zebra door een winkelstraat en enkele zeeleeuwen zwommen in de singels van de stad.

Het ontwerp van de nieuwe dierentuin is van Sybold van Ravesteyn, waarbij traliewerk en hekken zo veel mogelijk zijn vermeden en vervangen door greppels en grachten. De verwarmde binnenverblijven en ruime leefweiden waren toentertijd uniek in de wereld.

Op 7 juli 1940 werd het noordelijk gedeelte geopend en in december was de nieuwe diergaarde geheel open. Van Ravesteyn had de dierentuin zo ontworpen dat er een symmetrieas door het park liep, waarop de betonnen gebouwen lagen: de Rivièrahal, de 47 meter hoge uitkijktoren, het roofdiergebouw, de grote vijver en het theehuis. Aan weerszijden van deze as lagen grote weiden voor hoefdieren als bizons en zebra’s.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen