Category Archives: Kralingen

Oudedijk, 1977

Een speelplaats aan de Oudedijk in de wijk Jaffa, 17 april 1977. Op de achtergrond het gebouw van de scholengemeenschap ‘Libanon’ aan de Taxusstraat.

De Oudedijk is een deel van de zeedijk, welke in de 12de eeuw is aangelegd. De Oudedijk sluit aan de oostzijde aan op de ‘s-Gravenweg en vroeger aan de noordzijde op de Crooswijkseweg. De Oudedijk verbond Kralingen met Rotterdam, waarmee de ouderdom van het gezegde ‘zo oud als de weg naar Kralingen’ wordt weergegeven.

De Taxusstraat is vernoemd naar een conifeer, in de 19de eeuw ingevoerd uit het Verre Oosten. Bij de straataanleg op de grond van de voormalige buitenplaats ‘Jericho’ stond hier nog een forse haag van deze coniferen.

De naam Jaffa komt al in 1542 voor. Toen woonden, blijkens het Register van Sententiën, Jan Vrankensz. en Adriaen Claesz. in het Jaffa. In dit geval gaat het om een buurt van die naam. Later komen een huis, een herberg en een broodbakkerij onder de naam ‘Jaffa’ voor. Volgens de Rotterdamsche Courant van 26-08-1898 herinneren de namen Jaffa, Paradijs, Jeruzalem en Jericho aan de tijd, toen dit terrein aan de Duitse Orde behoorde.

De foto komt uit de collectie Topografie Rotterdam en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

 

Goudserijweg 1946

De Goudse Rijweg gezien vanaf de Veemarkt, 1946. Op de achtergrond de Koninginnekerk aan de Boezemsingel.

De Goudse Rijweg, de Goudseweg en de (vooroorlogse) Goudsewagenstraat vormden een onderdeel van de oude weg naar Gouda.De Goudsewagenstraat wordt al in 1366 in bronnen vermeld. Na 1358, toen er grachten om de stad gemaakt mochten worden, zal ook bij deze ‘rijweg’ aan de stadsvest een poort gebouwd zijn en kon men van Gouda daardoor met wagens in de stad, d.w.z. op de Hoogstraat, komen.

De Veemarkt herinnert uiteraard aan de veemarkt die hier van 1867 tot 1973 gevestigd. Tussen 1868 en 1940 lag in deze buurt een straat, die de naam Veemarktstraat droeg. Bij besluit B&W. 8 januari 1982 werd de naam ingetrokken.

De Koninginnekerk aan de Boezemsingel op de grens tussen de wijken Crooswijk en Kralingen in de gemeente Rotterdam werd in 1907 in gebruik genomen. Ze was genoemd naar koningin Wilhelmina.

Begin twintigste eeuw waren veel Rotterdammers naar nieuwe wijken buiten het stadscentrum verhuisd. Sommige in het centrum gelegen kerkgebouwen kampten daardoor met verminderd bezoek en werden gesloten en verkocht. De opbrengst investeerde men in nieuwe kerken in de randwijken. De Koninginnekerk werd op dergelijke wijze gerealiseerd. Bovendien ontving men een belangrijke gift van de gezusters Van Dam, die ook de Wilhelminakerk in Rotterdam-Zuid hadden gefinancierd en de bouw van het Rotterdamse Diaconessenhuis mogelijk maakten. In juli 1904 werd de eerste steen gelegd en op 1 april 1907 kon de nieuwe kerk plechtig worden ingewijd. Het ontwerp was van de architecten Barend Hooijkaas jr. en Michiel Brinkman. Het gebouw telde 1750 zitplaatsen. In de loop der jaren werd de Koninginnekerk een begrip in Rotterdam. Toen eind jaren zestig bekend werd dat het statige gebouw met zijn twee imposante torens afgebroken zou worden leidde dit in de stad tot veel protest. Desondanks werd het godshuis gesloopt nadat er op 31 december 1971 de laatste eredienst was gehouden.

De fotograaf is Gerard Roos en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Libanon Hogere Burgerschool aan de Ramlehweg, 1935

De Libanon Hogere Burgerschool aan de Ramlehweg, 1935. Op de achtergrond de gasfabriek van Kralingen.

Het Libanon Lyceum is een openbare school voor voortgezet onderwijs voor mavo, havo, en vwo (Atheneum en Gymnasium) in Rotterdam. De school bestaat uit twee gebouwen, de onderbouw (klassen 1, 2 en 3 havo/vwo) krijgt les op de Mecklenburglaan, en de bovenbouw (klassen 3 mavo, 4, 5 en 6) op de Ramlehweg. Het gebouw aan de Ramlehweg is ontworpen door Grandpré Moliere.

Marinus Granpré Molière (1883-1972) behoort niet tot de bekendste architecten van Nederland, maar wel tot de invloedrijkste. Hij was de voorman van de zgn. Delftse School, een architectuurstroming die een tegenwicht voor het Nieuwe Bouwen vormde en een terugkeer beoogde naar traditionele waarden, vormen en materialen in de architectuur.

De naam Delftse School is afgeleid van de Delftse Technische Hogeschool, waar Granpré Molière van 1924 tot 1953 hoogleraar was. Zijn meeslepende colleges over Schoonheidsleer en Stedebouw waren invloedrijk en hij inspireerde een hele generatie architecten: J.F. Berghoef, A.J. Kropholler, de gebroeders Van der Laan, Pouderoyen en Kraaijvanger. Maar ook niet-traditionele architecten als Rietveld, Van Tijen en Bakema waren geboeid door zijn ideeën. Mart Stam werkte enige tijd op zijn bureau.
Molière bekeerde zich in 1927 tot het katholicisme. Het mede door hem opgerichte Rooms Katholiek Bouwblad was vanaf 1929 de spreekbuis van de Delftse School.

Granpré Molière studeerde in 1908 cum laude af aan de TH in Delft. Van 1910 tot 1914 werkte hij bij Gemeentewerken in Rotterdam. Hij ontwierp onder anderen de Libanon HBS aan de Ramlehweg.

De Ramlehweg ligt ter hoogte van het vroegere buitenhuis ‘Ramleh’ dat in de tweede helft van de jaren dertig werd gesloopt. Het droeg de naam van een stad in Israël.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het Stadsarchief Rotterdam, van Wikipedia en van rotterdam.nl.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Weteringstraat, 1968

Gezicht in de Weteringstraat ter hoogte van de Plantageweg, 1938.

Zowel de Groene Wetering als de Weteringstraat liepen langs de inmiddels grotendeels gedempte Groene Wetering of Middelwatering. De wetering liep oorspronkelijk vanaf de Vliet (Vlietlaan) dwars door de groene weilanden in de Polder Kralingen. Reeds in 1612 wordt de wetering in de transportregisters van Kralingen vermeld. De Weteringbrug ligt bij de Laan van Woudestein over een nog bestaand gedeelte van de wetering.

De Plantageweg is vernoemd naar de Nieuwe Plantage, die tussen 1844 en 1848 werd aangelegd door de Rotterdamsche Werkvereeniging. Het werk werd uitgevoerd naar het plan van tuinarchitect J.D. Zocher. De Nieuwe Plantage liep van de Oostzeedijk naar de Oudedijk. Het grootste gedeelte van dit park werd bij het bombardement in 1940 verwoest, evenals een gedeelte van de Plantagestraat en de Plantageweg. De Plantagestraat is later verlengd over het terrein van het park. Van de vroegere Plantageweg draagt alleen het gedeelte tussen de Oudedijk en de Weteringstraat nog de oude naam. Het meest zuidelijke deel heet thans Dr. Zamenhofstraat.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Oudedijk, 1968

De Oudedijk, gezien vanaf de ‘s-Gravenweg met rechts de Kortekade, 1968.

De Oudedijk is een deel van de zeedijk, welke in de 12de eeuw is aangelegd. De Oudedijk sluit aan de oostzijde aan op de ‘s-Gravenweg en vroeger aan de noordzijde op de Crooswijkseweg. De Oudedijk verbond Kralingen met Rotterdam, waarmee de ouderdom van het gezegde ‘zo oud als de weg naar Kralingen’ wordt weergegeven.

De ‘s-Gravenweg was de oude zeedijk, die al in 1383 onder deze naam voorkomt. Deze sluit in het westen aan op de Oudedijk in Kralingen. De naam duidt er op dat deze weg of dijk door één van de Hollandse graven is aangelegd. Nadat Kralingen in 1895 door Rotterdam was geannexeerd, hebben B&W de naam overgenomen. De andere straten liggen in de omgeving van de ‘s-Gravenweg en hebben daaraan hun naam te danken.

De Kortekade dankt haar naam aan haar lengte. Ze was oorspronkelijk de dijk die ten oosten van de Noordplas (nu Kralingseplas) lag. Aan de westzijde van deze plas lag een dijk die de naam Langekade droeg. Beide kaden komen voor op de kaart van Schieland van de kaartmeester Floris Balthazarsz. (1611).

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Molen ‘De Noord’ bij het Oostplein, 1880

Molen ‘De Noord’ bij het Oostplein, 1880-1890.

Tussen 1695 en 1711 is molen ‘De Noord’ herbouwd, hiervoor was het een standerdmolen op een ronde toren die mogelijk was voorzien van een stelling. Deze standerdmolen was gebouwd omstreeks 1562 en was ingericht als moutmolen. Ook De Noord werd oorspronkelijk voor dit doel gebouwd. In de loop van de negentiende eeuw werd De Noord gebruikt als “Meelbloem en mestingmolen” (mesting is een ander woord voor veevoer).

De molen had een eigenaardige slanke vorm, wat te wijten was aan een latere verhoging van de romp vanwege windbelemmering. Na deze verhoging bedroeg de stellinghoogte 16,20 meter.

In 1918 werd de molen verkocht aan de firma van Vliet. In deze periode verscheen een artikel waarin werd gesuggereerd dat de molen zou worden onttakeld. Naar aanleiding van dit verhaal werd op 2 september 1919 een interpellatie in de gemeenteraad gehouden. Hieruit bleek dat de molen in zijn geheel voor sloop was verkocht aan de firma Burg en Romein. Door ingrijpen van de Rotterdamse architect J. Verheul Dzn. werd de koop ongedaan gemaakt. Tevens werd de toezegging gedaan de molen te restaureren. Vervolgens werd de molen verhuurd aan molenaar Arie Kluit. Hij bleef op de molen tot de fatale brand in 1954.

In augustus 1929 werd een nieuwe buitenroede gestoken door molenmaker Dirkse uit Mijnsheerenland. Net na de Tweede Wereldoorlog werd bij De Noord als één van de eerste molens in Nederland het fokwieksysteem van ingenieur Fauël aangebracht. De fokken werden op beide roeden bevestigd en waren voorzien van automatische remkleppen. Toen in de meidagen van 1940 door het Duitse bombardement de binnenstad in brand werd gezet, was de omgeving van het Oostplein in vlammen gehuld. Door de molen toen te laten draaien (het ‘vonken malen’) wist de molenaar de molen voor het vuur te sparen. Het ‘vonken malen’ is een oud en beproefd middel, wat hier ook met succes werd toegepast.

Bij de herbouw van de verwoeste stad, na de oorlog, bleef de molen staan, maar op 27/28 juli 1954 brandde de molen volkomen uit en werd daarna niet meer hersteld. (n.b. de roeden zijn waarschijnlijk door de brand verloren gegaan) Meteen na de brand werd de mogelijkheid tot herbouw overwogen. De molen was voor ƒ 175.000 verzekerd. Een aardig bedrag, zeker voor die tijd. Een tegenvaller was dat de romp (waarvan een gedeelte met het neerstorten van het wiekenkruis mee ging) te slecht was om nog te kunnen gebruiken.

Op 25 september 1954 werd begonnen met het slopen van de overblijfselen. Een kleine maand later, op 22 oktober, was alles weg en stuitte men op de fundamenten van de vroegere standerdmolen. Inmiddels was ook een herstelactie in het leven geroepen. Ten bate van deze actie werd een ansichtkaart van de brandende molen uitgegeven. Totaal werd een bedrag van ƒ 20.000 ingezameld en de architect F. Posthuma kreeg van de
gemeente de opdracht een herbouwplan te maken. Helaas kwam het nooit zo ver, want op 24 november 1954 werd het voorstel tot herbouw door de gemeenteraad verworpen met 22 tegen 18 stemmen.

Op de baard was het onjuiste bouwjaar 1718 vermeld. Het opschrift was bij de opknapbeurt in 1918 gewijzigd door de toenmalige nieuwe huurders om zo hun vroegere molen in Goidschalxoord te eren. Bron: De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 1. Rob Pols.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van molendatabase.org 

Met medewerking van Rotterdam van toen

Koninginnekerk Boezemsingel, 1946

Parkeerdrukte voor de Koninginnekerk, rechts de Slachthuiskade en links de Boezemstraat, 1946.

De protestantse Koninginnekerk aan de Boezemsingel op de grens tussen de wijken Crooswijk en Kralingen in de gemeente Rotterdam werd in 1907 in gebruik genomen. Ze was genoemd naar koningin Wilhelmina.

Begin twintigste eeuw waren veel Rotterdammers naar nieuwe wijken buiten het stadscentrum verhuisd. Sommige in het centrum gelegen kerkgebouwen kampten daardoor met verminderd bezoek en werden gesloten en verkocht. De opbrengst investeerde men in nieuwe kerken in de randwijken. De Koninginnekerk werd op dergelijke wijze gerealiseerd. Bovendien ontving men een belangrijke gift van de gezusters Van Dam, die ook de Wilhelminakerk in Rotterdam-Zuid hadden gefinancierd en de bouw van het Rotterdamse Diaconessenhuis mogelijk maakten. In juli 1904 werd de eerste steen gelegd en op 1 april 1907 kon de nieuwe kerk plechtig worden ingewijd. Het ontwerp was van de architecten Barend Hooijkaas jr. en Michiel Brinkman. Het gebouw telde 1750 zitplaatsen. In de loop der jaren werd de Koninginnekerk een begrip in Rotterdam. Toen eind jaren zestig bekend werd dat het statige gebouw met zijn twee imposante torens afgebroken zou worden leidde dit in de stad tot veel protest. Desondanks werd het godshuis gesloopt nadat er op 31 december 1971 de laatste eredienst was gehouden.

Op de plaats waar de kerk stond verrees een dertien etages hoge verzorgingsflat voor ouderen, woonzorgcentrum Hoppesteyn geheten. Hiernaast kwam in 2001 de Koninginnetoren te staan, een 78 meter hoog gebouw met 85 seniorenappartementen. De bovenste etages zijn groen gemaakt als herinnering aan de kopergroene daken op de torens van de kerk.

De Slachthuiskade is vernoemd naar het Rotterdams Openbaar Slachthuis dat in 1897 werd gebouwd aan de Boezemstraat in Crooswijk. In de volksmond stond het al gauw bekend als het ‘abattoir’. Het lag dicht in de buurt van de veemarkt. In de loop van de jaren is herhaaldelijk gepoogd het slachthuis naar een ander deel van Rotterdam te verplaatsen. Tot 1981 bleef het echter op de oude plaats in gebruik. In dat jaar verhuisde men naar een nieuw slachthuis in de Spaansepolder. Het oude complex in Crooswijk werd kort daarop gesloopt. Van 1900 tot 1987 had een zijstraat van de Slachthuiskade de naam Slachthuisstraat. Deze straat heet thans Keurmeesterstraat.

De Boezemstraat ontleent haar naam aan de Hoge Boezem. Op 14 januari 1769 werd door de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend om, tot ontlasting van de gemeene boezem de Rotte, een tweede boezem te maken in de polder Rubroek. Het overtollige water kon door een sluis bij de Oostpoort ontlast worden in de Nieuwe Maas. De aanbesteding van de hoge en de lage boezem en de watermolens vond plaats op 25 april 1772. In 1854 werd nog een Reserveboezem gegraven. In 1897 werden de Hoge en Lage Boezem gedeeltelijk en de Reserveboezem geheel gedempt.

De foto is gemaakt door de Dienst Gemeentewerken en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Vredenoordplein 1965

Een hele rij ‘IJzeren honden’ van de RMI voor melkbezorging vanaf het Vredenoordplein, 1965 (geschat).

Als een der oudste en grootste melkinrichtingen hier te lande mag ongetwijfeld “De Rotterdamsche Melkinrichting” (RMI / R.M.I.) genoemd worden. In 1879 is de RMI / R.M.I. op zeer bescheiden schaal opgericht, met een personeel van oorspronkelijk slechts 3 man, maar wist zij zich al spoedig, onder de zeer bekwame leiding van haren in 1910 overleden Directeur, den Heer G. C. van der Leck Sr., tot een zaak van beteekenis op te werken, welke, door het afleveren van een uitstekend product in Rotterdam een zeer goeden naam verkreeg.

De waardeering van het publiek voor dit streven naar een prima product bleek uit de van den aanvang af steeds voortdurende uitbreiding, ondanks felle concurrentie van andere melkinrichtingen, welke meenden door het aanbieden van een minderwaardig en daardoor goedkooper product, de oudere zaak te kunnen verdringen.

Zij kwamen hierin echter bedrogen uit en op dit oogenblik heeft de “Rotterdamsche Melkinrichting” (RMI / R.M.I.) zich ontwikkeld tot één van de grootste, zoo niet de grootste, melkinrichting van ons land.

De omvang van het tegenwoordig bedrijf wordt door de volgende gegevens nader geïllustreerd: De Vennootschap “Rotterdamsche Melkinrichting” (RMI / R.M.I.) beschikt nu over een kantoorgebouw met laboratorium en afleveringslokaal aan het Noordplein 45, een stoomzuivelfabriek en hygiënische melkstal aan den Bergweg, drie afleveringslokalen in het zuiden, oosten en westen van de stad, een boerderij met uitgebreide varkensmesterij in den Prins Alexanderpolder, benevens 21 verkooplokalen door de geheele stad verspreid. Het personeel bedraagt + 280 personen en de jaarlijksche melkomzet momenteel ca 11 millioen Liter.

Naast volle zoete melk worden nog de navolgende producten in den handel gebracht: Gepasteuriseerde merk in flesschen, gezondheidsmelk uit de modelstal, room, karnemelk, karnemelk in flesschen, speciaal voor zuigelingenvoeding, Yoghurt, karnemelk met gort, centrifugemelk, boter, diverse kaassoorten en eieren.

De naam van het Vredenoordplein herinnert aan de vroegere buitenplaats ‘Vredenoord’ aan de Hoge Boezem, daar gelegen in de eerste helft van de 19de eeuw.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van de site van Engelfriet: http://www.engelfriet.net/Alie/Aad/rmi.htm en uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De skyline van Rotterdam vanaf de Maasboulevard, 1974

De skyline van Rotterdam vanaf de Maasboulevard, maart 1974. Uiterst links het Witte Huis.

De Maasboulevard is de belangrijkste oostelijke toegangsweg van het centrum van Rotterdam. De Maasboulevard ligt langs de rivier de Nieuwe Maas, op de rechteroever, en strekt zich uit van de Oude Haven tot de Honingerdijk, waar de weg overgaat in de Abram van Rijckevorselweg. De Maasboulevard biedt over de grote bocht in de Maas een goed uitzicht op de skyline van Rotterdam.

Tot 1953 lag op de plaats van de Maasboulevard het spoorwegemplacement van station Rotterdam Maas. Na de Watersnood werd besloten de dijken te verhogen. De hoofdwaterkering in Rotterdam is toen verplaatst van de Oostzeedijk naar de Maasboulevard. De Maasboulevard is op deltahoogte gebracht en in 1964 voor het verkeer geopend. De weg telt 2×2 rijstroken voor het autoverkeer.

Tussen de Maasboulevard en de Nieuwe Maas ligt het zwembad Tropicana, dat tot 2010 als zwembad in gebruik is geweest. Verder is er tussen de Maasboulevard en de rivier geen bebouwing, waardoor een vrij uitzicht geboden wordt.

De fotograaf is Lex de Herder en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Aegidiusstraat, 1970

De Aegidiusstraat tussen Siondwarsstraat en Lusthofstraat, 1970.

De Aegidiusstraat heet naar Aegidius of Gillis van Voorschoten, onderbaljuw van Zuid-Holland. Het noordelijke gedeelte van de straat heette voordien Lemmstraat, later Oude Lemmstraat; het zuidelijke gedeelte heette Nieuwe Lemmstraat. De straat was aan beide zijden doodlopend. Ze was genoemd naar Theodorus Lemm (1824-1911) die aan de Oostzeedijk een grote smederij bezat. De naam Lemmstraat wordt in 1876 voor het eerst vermeld.

De Siondwarsstraat heet naar de berg Sion bij Jeruzalem. Dit in aansluiting op in deze buurt al bestaande bijbelse straatnamen. De straat ligt op het terrein van de vroegere buitenplaats ‘Het Paradijs’ in Kralingen. Omdat elders in de stad al een Paradijslaan en een Paradijsstraat waren, moest aan de nieuwe straten een andere naam worden gegeven. Zowel de Sionstraat als de Siondwarsstraat zijn bij het bombardement van mei 1940 grotendeels verdwenen. Vooral de Siondwarsstraat, die vroeger van de Sionstraat naar de Lambertusstraat liep, werd zwaar getroffen.

De Lusthofstraat ontleent haar naam aan de vroegere buitenplaats Lusthof. Ze lag ten oosten van de Adamshoflaan aan de Beneden-Oostzeedijk en strekte zich uit tot aan de Groene Wetering. Deze grote buitenplaats komt reeds voor in de 18de eeuw.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen