Category Archives: Centrum

De Coolsingel met links het Calandmonument, 1926

De Coolsingel met links het Calandmonument en winkelgalerij de Passage, rechts de Boijmansstraat, 1926-1930.

Het ambacht Cool komt al voor omstreeks 1280. In 1596 kocht de stad de ambachtsheerlijkheid Cool, Blommersdijk en Beukelsdijk van Jonkheer Jacob van Almonde. Bij Koninklijk Besluit van 20 september 1809 werd het ambacht Beukelsdijk, Oost- en West-Blommersdijk, genaamd Cool, tot een zelfstandige gemeente verheven. In 1811 werd Cool door Rotterdam geannexeerd. Naast het ambacht had men ook nog de polder Cool. Deze lag tussen de Rotterdamse en Delfshavense Schie. Deze werd in 1925 opgeheven. Een gedeelte van het grondgebied van Cool was reeds in 1358 bij de stad getrokken na de vergunning van hertog Aelbrecht van Beieren om grachten om de stad te graven en het stadsgebied te vergroten met het Rodezand in het ambacht Cool. De Coolvest scheidde voortaan stad en ambacht. In 1480 is er al sprake van de singel tegenover de vest achter Bulgersteyn, later Coolsingel genoemd. De singel is in verband met de aanleg van een brede verkeersweg in de jaren 1913-1922 geheel gedempt. De naam Coolvest is daardoor verdwenen.

De Passage (1879-1940) in Rotterdam was een overdekte winkelgalerij tussen de Coolvest en de Korte Hoogstraat. De Passage werd in 1879 in gebruik genomen naar ontwerp van J.C. van Wijk. Bij de opening in 1879 bestond de Passage uit twee niveaus. In de benedenverdieping zat echter te weinig ‘loop’. Sinds 1905 was hier een badinrichting gevestigd, die onder meer door de mariniers van het Oostplein werd bezocht.

In 1882 was de Passage het eerste gebouw in Rotterdam dat elektrisch werd verlicht. De Passage werd in mei 1940 tijdens het bombardement op Rotterdam verwoest. Tegenwoordig bevindt zich op deze plek het kledingbedrijf C&A.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Sloop van de Sint-Ignatiuskerk aan de Westzeedijk, 1968

Tijdens de sloop van de Sint-Ignatiuskerk wordt een torentje naar beneden getrokken, 16 februari 1968.

De Sint-Ignatiuskerk, van 1956 tot de sloop in 1968 de Sint-Laurentius en Ignatiuskathedraal, tevens bekend als de Westzeedijkkerk, was een rooms-katholieke kerk aan de Westzeedijk 90 in Rotterdam.

De Ignatiuskerk werd in 1891 gebouwd als parochiekerk voor de rooms-katholieke gemeenschap in het Scheepvaartkwartier en het zuidelijke stadscentrum. Architect Nicolaas Molenaar sr. ontwierp een driebeukige kruiskerk in neogotische stijl. De toren stond aan de linkervoorzijde van de kerk en bestond uit drie vierkante geledingen, met daarbovenop een opengewerkte achtkantige lantaarn met naaldspits. Het schip had drie traveeën en twee transepten. Na de eerste travee met de toren kwam het eerste transept, gevolgd door twee traveeën, het kruisingstransept en de travee van het priesterkoor, dat werd afgesloten met een zevenzijdige apsis. In de kerk stond een orgel dat in 1863 was gebouwd door de firma Loret & Vermeersch en in 1905 door Michaël Maarschalkerweerd van een nieuw front was voorzien.

De Ignatiuskerk overleefde het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940. Bij de stichting van het bisdom Rotterdam op 2 februari 1956 werd de Ignatiuskerk tot kathedraal verheven. Bij deze gelegenheid werd de kerk ook gewijd aan Sint-Laurentius, de patroonheilige van Rotterdam. Begin 1967 werd de kathedraal gesloten en werd de Elisabethkerk de nieuwe kathedraal van Rotterdam. De Eendrachtskerk aan de Eendrachtstraat werd de nieuwe parochiekerk voor deze wijk. Het beeld van Maria van de Wijnhaven werd in deze kerk geplaatst. Het uurwerk werd overgebracht naar de Heilig-Hartkerk in Schiedam. Het orgel werd verkocht aan de Sint-Augustinuskerk in Geleen.

De Sint-Laurentius en Ignatiuskathedraal werd in 1968 afgebroken. Op deze plaats kwam een kantoorgebouw, dat in 2018 is getransformeerd in een woongebouw met circa 200 appartementen.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De bouw van de Meentbrug over de Delftsevaart, 1926-1930

De Meentbrug is een hefbrug in de Meent en is nog van voor de oorlog. De brug kan niet meer worden bediend, omdat niet alle kabels meer zijn gemonteerd aan de brug. Het was ooit een hefbrug met vier torentjes. De brug was voorzien van uitschuifbare trapjes, zodat voetgangers gewoon door konden lopen als de brug openstond. Een van de torentjes stond in de weg van het nieuwe gebouw dat ernaast werd gezet, maar werd gewoon geïntegreerd in het gebouw. De katrol hangt in de buitenmuur van het café-restaurant, het contragewicht hangt binnen.

De Meent kan men identificeren met de in 1385 genoemde ‘der Stede wech’ en met de ‘Poortweg’, waarvan in 1404 sprake is. De naam Meent als straatnaam treft men niet aan vóór de tweede helft van de 16de eeuw. Aangenomen kan worden dat aan deze straatnaam de betekenis ‘gemeene weide’ ten grondslag lag. Dit blijkt onder meer uit een keur op de twee jaarmarkten uit de eerste helft van de 15de eeuw. De paardenmarkt moest toen gehouden worden ‘in de Lombaertstrate upte meente neffens de capelle ende aldaer omtrent’. In 1531 en later komt ‘Beestenmarkt’ voor, daarna ‘Varckenmart’, ‘Meent ende Varckenmarct’ of ‘Meent bij de Varckenmarct’. Oorspronkelijk liep de Meent van de Botersloot naar de Oppert. Ten behoeve van het toenemende verkeer werd een plan ingediend voor de aanleg van een brede straat door de oude stad, die een verbinding tussen Coolsingel en Goudsesingel zou vormen.

De fotograaf is J.H.C. Vermeulen van de Maasbode en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia en uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Werkzaamheden aan het Hofplein en de bijbehorende verplaatsing van de Delftse Poort, 1939

De Delftsche Poort in Rotterdam was een stadspoort waarvan de laatste in 1764 werd gebouwd naar een ontwerp van architect Pieter de Swart. Het was reeds de derde poort op die plaats: de voorgaande twee waren wegens bouwvalligheid gesloopt. De eerste poort werd in de Middeleeuwen gebouwd en kreeg de naam de Noorderpoort en had een voorpoort. De tweede St. Joris- of Delftsche Poort werd in 1545 gebouwd.

In de jaren 30 van de 20e eeuw stond de poort in de weg: Rotterdam wilde een betere doorstroming van het toenemende verkeer. Men besloot de poort zo’n honderd meter te verplaatsen (afbreken stuitte op te veel weerstand). In 1939 begon men met de verplaatsing van het geheel. De onderbouw was in 1940 gereed, tijdens het bombardement werden zowel dit gedeelte als de opgeslagen beeldhouwwerken beschadigd. Een jaar later werd besloten dat “naar het inzicht van de meerderheid van de geraadpleegde deskundigen de poort niet meer afgebouwd kon worden en moest zij geheel verdwijnen”. Enkele sierwerken werden gered en opgenomen in de muren van de gebouwen op de hoek van het Stadhuisplein.

Vijftig jaar later werd er op nagenoeg de oorspronkelijke plaats van de Delftsche poort aan het Pompenburg een reconstructie in staal opgericht, ontworpen door de kunstenaar Cor Kraat. Rond de poort zijn enkele restanten opgesteld van de gebeeldhouwde ornamenten die de oorspronkelijke poort sierden.

De foto is vervaardigd door de Maasbode en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Delftsevaart met de Galerijbrug, rechts het Haagseveer, 1928

De Delftsevaart kan men beschouwen als een gedeelte van de vaart ‘van Rotterdam naar de Schie’, voor het graven waarvan graaf Willem IV op 9 juni 1340 aan Rotterdam vergunning gaf. Zij dankt haar naam aan de stad Delft. In 1368 sprak men van de vaart van der Spoeije en veel later nog, o.a. in 1608, is er sprake van Schieweg W.Z.. aan de Doelweg (Haagseveer). Beide zijden van de vaart hebben lang de naam Delftsevaart gedragen. De kaden werden eerst in het midden van de 16de eeuw bebouwd. Voor die tijd lagen hier slechts tuinen en scheepstimmerwerven. In het begin van de 19de eeuw noemde men het gedeelte dat tussen de Galerij en de Sint Jacobsstraat lag Rijkelui Delftsevaart. Verderop sprak men van de Gemeenelui Delftsevaart.

Vóór het bombardement in mei 1940 lag over de Delftsevaart een brug die Galerijbrug heette. Van de Hofpoort naar de Delftsche Poort liep vroeger een met bogen voorziene vestmuur, die bedoeld was om als verdedigingswerk dienst te doen. Later werd ze als kazerne gebruikt. In het laatst van de 18de eeuw is deze muur weggebroken. De naam bleef echter bestaan. Misschien was de ‘galerij’ één van de verdedigingswerken die na de Jonkerfransenoorlog werden gebouwd. Wij weten alleen zeker, dat er een galerij bij de waterpoort tussen twee torens in 1534 bestond, welke toen in betere staat is gebracht. Daar bij de Blauwe toren in het Westnieuwland in 1578 een galerij wordt genoemd, kan deze echter ook bedoeld zijn. Huizen met een galerij kwamen trouwens meer voor in Rotterdam. In de 17de en 18de eeuw treft men minstens zes huizen in verschillende straten aan, die ‘de Gelderij’ heetten. De huidige Galerij ligt iets ten zuiden van de vroegere straat van die naam. Bij besluit B. 30 juni 1942 werd de naam ingetrokken.

De fotograaf is J.H.C. Vermeulen van de Maasbode en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Gezicht op de Glashaven met de Rederijbrug en op de achtergrond de Zuiderkerk, 1914

De Glashaven is vernoemd naar de glasblazerij die daar vanaf 1614 was gevestigd. De Staten Generaal verleenden op 5 februari 1614 aan Claes Jansz. Wijtmans en Compagnie octrooi om allerhande soorten huis- en vensterglas te mogen maken. Enige weken later besloot de Rotterdamse vroedschap om aan de Compagnie een zestal erven aan de meest westelijke Dwarshaven, tussen Wijn- en Scheepmakershaven,af te staan voor de stichting van een glasblazerij of glashuis. De Compagnie verbond zich om gedurende twintig jaar nergens anders dit bedrijf uit te oefenen. De overige erven aan de Dwarshaven werden pas in mei 1614 verkocht. Aan de glasblazerij ontleende de haven sindsdien haar naam. In de eerste tijd komt ze ook voor als Gelderse Juffrouwenhaven of haventje van het glashuis. In 1882 werd ze gedempt. Sindsdien sprak men van Gedempte Glashaven. Bij bovengenoemd besluit verviel het toevoegsel en werd de straat weer gewoon Glashaven genoemd.

De Zuiderkerk was een hervormde kerk uit 1849 aan de Gedempte Glashaven in Rotterdam. Het gebouw werd in 1940 verwoest in het Bombardement op Rotterdam.

Tussen de Gedempte Glashaven en de toenmalige Jufferstraat, waar nu de Rederijhaven is, stond een kerk met dezelfde naam. Dit gebouw, in 1630 als schouwburg gebouwd, was bouwvallig geworden en is voor de bouw van de nieuwe kerk in 1844 gesloopt.

Na een prijsvraag werd het ontwerp van de toen 29-jarige architect A.W. van Dam aangenomen. J. van Limburgh, meester timmerman, voerde dit uit voor 312.416 gulden. De totale bouwkosten bedroegen ruim 500.000 gulden. Predikant dr. H. Oort nam op 22 april 1849 de kerk plechtig in gebruik.

De Zuiderkerk had een achthoekige grondvorm, met aan vier zijden kapellen. Het dak was een achtzijdige piramide, doorsneden door de vier nokken van de kapellen. Een achthoekige toren en spits bekroonden het dak. Ramen en deuren waren spitsbogen. In 1850 werd het orgel, gebouwd door firma J. Bätz & Co., orgelmakers te Utrecht, ingewijd door ds. Blaauw en in gebruik genomen door J.B. Spoelder, de organist van de Zuiderkerk, en Bartholomeus Tours, organist van de Grote Kerk. Tussen 1925 en 1939 maakte Marius Richters gebrandschilderde ramen voor de kerk.

Het bombardement op Rotterdam in 1940 verwoestte de Zuiderkerk; de kerk werd niet herbouwd. In 1960 nam de Hervormde gemeente de Pauluskerk aan de Mauritsweg in gebruik als vervanging van de Zuiderkerk en de ook door de bommen verwoeste Westerkerk.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Gedempte Botersloot met links de Gemeentelijke Telefoondienst op de hoek met de Vrouwensteeg, 1933

Gezicht op de de Gedempte Botersloot met links de Gemeentelijke Telefoondienst op de hoek met de Vrouwensteeg, 1933.

De Gedempte Botersloot werd zo genoemd na demping van de Botersloot in 1866. De naam Botersloot komt in 1433 voor het eerst in de bronnen voor. Het was destijds de benaming voor het water dat van de Buitenrotte tot in de Kipsloot, of Rotte binnen de stad, bij de Huibrug liep. Het noordelijkste gedeelte, ook wel Buitenbotersloot genaamd, omdat het buiten de stad was gelegen, heeft later de naam van Karnemelkshaven gekregen. De kaden langs de Botersloot kwamen eerst als Achterweg voor. Beide kanten waren ook wel ‘s-Gravenstraat genaamd, voor de oostkant dikwijls met de bijvoeging ‘in Quakernaat’. De oostkant kwam ook voor als ‘s-Gravenweg. Het zuidelijkste gedeelte was bekend onder de naam Huibrug. Deze laatste naam werd ook vaak alleen vermeld. Later heetten beide zijden Botersloot.

De raad besloot in 1866 het water te dempen. Vanaf die tijd sprak men van de Gedempte Botersloot. De Botersloot dankte zijn naam aan de zuivelprodukten die voornamelijk met schuitjes langs de Rotte worden aangevoerd. De huidige Botersloot ligt op dezelfde plaats als de vroegere Gedempte Botersloot. Alleen het gedeelte van de straat, gelegen tussen de Meent en de Goudsesingel is vervallen.

De Vrouwensteeg liep voor het bombardement in mei 1940 van de Hoogstraat naar het Achterklooster. Ze was vernoemd naar het Oudevrouwenhuis of het Sint Elisabethsgasthuis. Dit lag op het terrein waar de steeg omstreeks 1622 werd aangelegd. Op een plattegrond uit 1623 komt ze reeds onder de naam Vrouwensteeg voor. Bij bovengenoemd besluit werd deze oude naam officieel vastgelegd. In de 18de eeuw komt ze voor als Penssteeg naar de pensverkopers, die hun nering uitoefenden naast de Vleeshal bij de Vrouwensteeg. bij besluit B&W B. 30 juni 1942 werd de naam ingetrokken.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Kipstraat met rechts de Raadhuisstraat, 1934

Al in 1373 komt een straat onder de naam Kipsloot voor die langs het water van die naam liep. Nu loopt de Kipstraat van de Goudsesingel naar het Groenendaal. In oude stukken, tot in het midden van de 16de eeuw, komt het water ook wel onder de naam Rotte voor.

De naam Dijksloot herinnerde aan de oorspronkelijke bestemming, namelijk die van binnendijksloot langs de Schielands Hoge Zeedijk of Hoogstraat. Het gedeelte van de Oostpoort tot de Binnenrotte onderscheidde men als Kipsloot; het resterende deel van de sloot tot aan de Coolvest had verschillende benamingen. De Korte Kipstraat was de oudste benaming van het Achterklooster. Later werd de naam Korte Kipstraat gegeven aan de latere Kaasmarkt, die voordien Huibrug heette. De Kipsloot werd in 1860 gedempt.

De oorsprong van de naam ligt in het duister. Deze staat in ieder geval niet in verband met de dieren van die naam. Gedacht zou kunnen worden aan een huisnaam. De Kipstraat liep vóór in mei 1940 het bombardement van de Botersloot naar de Goudsewagenstraat. Na de oorlog is de naam Kipstraat gegeven aan een straat die van de Goudsesingel naar het Groenendaal loopt.

De informatie komt  uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking Rotterdam van toen

Leuvehaven, 1874

Zicht vanaf hotel Victoria op de Leuvehaven en omgeving, 1874-1878. Op de voorgrond de Stokkenbrug over de Zalmhaven, links de Nieuwe Leuvebrug.

De Leuvehaven is vernoemd naar de oude kreek ‘de Leuve’ of ‘de Loeve’, zoals de naam meermalen in de stadsrekening van 1426/27 voorkomt. In de 16de eeuw was de stad eigenares geworden van het land aan de Leuve. Op 23 april 1598 werd aan de westzijde van de kreek de grond in erven uitgegeven. Daarna begon men met het graven van de haven die in 1608 gereed kwam. In het begin sprak men van Nieuwehaven, doch daar dit verwarring kon geven, werd Leuvehaven al spoedig de enige naam.

Een verklaring voor de naam Stokkenbrug kan helaas niet gegeven worden. Mogelijk moet de naam in verband worden gebracht met de Rotterdamse familie Van der Stock. In 1782 kreeg de Zalmhaven een doorvaart naar de Leuvehaven en niet lang daarna vinden wij over deze ingang de Nieuwewerksbrug. In 1837 werd de brug over de Zalmhaven vernieuwd, in 1839 werd ze Stokkenbrug genoemd. De huidige Stokkenbrug werd in 1977 gebouwd. Op 28 januari 1997 ingetrokken door B&W, de brug is verplaatst en heet tegenwoordig Lodewijk Pincoffsbrug.

De foto komt uit de collectie Topografie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Gezicht op de Blaak en de bouw van de kubuswoningen aan de Overblaak, 1983

De kubuswoningen in Rotterdam zijn 38 kubusvormige paalwoningen en 13 bedrijfskubussen bij de Blaak nabij de Oude Haven. Ze zijn gebouwd tussen 1982 en 1984, na een eerste presentatie van de plannen in 1978. Het ontwerp van Piet Blom is een variant op de Helmondse kubuswoning in een iets groter maatraster. Het viaduct op één hoog heet officieel de Overblaak, maar het hele complex staat bekend als het Blaakse Bos. De kubuswoningen zijn gebouwd in de vorm van een gekantelde kubus op een paal, en worden ook wel paalwoning of boomwoning genoemd.

In de jaren 70 van de twintigste eeuw wilden architecten met inspraak van de bewoners en andere gebruikers herbergzame woonwijken maken als reactie op het grootschalig en een grijze modernisme van de architectuur van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Piet Blom, structuralist en adept van Aldo van Eyck ging ervan uit dat grootschalige bouwwerken op ‘s mensen maat moesten gebouwd worden door ze op te bouwen uit kleinschalige herkenbare elementen. Het basisidee, dat er gebouwd wordt op kolommen, zodat de ruimte onder de bebouwing openbaar kan blijven, is geïnspireerd door Le Corbusier. De eerste drie kubuswoningen werden in 1974 en 1975 gebouwd aan de Europaweg in Helmond, als voorproefje voor een groter project, dat in de jaren daarop gerealiseerd werd. De 18 woningen van het vervolgproject omringden het theater ‘t Speelhuis, waarmee ze een architectonisch geheel vormden.

In de kubuswoning van Blom zitten drie woonlagen: onderin het zogenoemde straathuis met de keuken en de woonkamer, tussenin het hemelhuis met ruimte voor studeer- en slaapkamers, en bovenin de loofhut, een driezijdige piramide met plaats voor een serre, een balkon of een bescheiden tuintje. In de zeshoekige kolom waarop de woning rust, bevinden zich de entree en het trappenhuis.

De kubuswoningen zijn in particulier bezit en worden bewoond. Vanwege de locatie boven een drukke autoweg zijn alle loofhutten uitgevoerd als gesloten kamers met kantelramen. De grotere kubussen huisvesten een amusementscentrum, kantoren en studio’s.

De foto komt uit de collectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen