Category Archives: Rubroek

Goudsesingel met rechts de Willem Schürmannstraat, 1953

De Goudse Rijweg, Goudseweg en (vooroorlogse) Goudsewagenstraat vormden een onderdeel van de oude weg naar Gouda. De Goudsewagenstraat wordt reeds in 1366 in bronnen vermeld. Na 1358, toen er grachten om de stad gemaakt mochten worden, zal ook bij deze ‘rijweg’ aan de stadsvest een poort gebouwd zijn en kon men van Gouda daardoor met wagens in de stad, d.w.z. op de Hoogstraat, komen. Later was hier het beginpunt van het Goudse Wagenveer.

De Goudsesingel was oorspronkelijk de buiten de stad gelegen vestkade. In 1481 wordt de singel genoemd van de Oostpoort naar het kleine Goudse Poortje. Deze singel moet even ten noorden van de huidige Warande en het Ammanplein hebben gelegen. Na 1505, toen de stad in zuidelijke richting was ingekrompen, verstaat men onder Goudsesingel de weg van de Goudse Poort tot Couwenburghseiland (ter hoogte van het huidige Pompenburg). Ten oosten van de Goudse Poort heette hij Oostsingel. De Goudsesingel en Oostsingel waren de kaden ten noorden van de Goudsevest en de Oostvest.

Het eerste gedeelte van de Oostvest werd in 1871 gedempt. Dit gedeelte heette sindsdien Gedempte Oostvest. In 1888 volgde de demping van het tweede gedeelte. Op deze plaats ontstond het Oostvestplein. Ook de Goudsevest en Luthersche Vest werden gedempt. Nadat de demping was voltooid, ontving de nieuw gevormde brede weg vanaf het Boschje tot aan het Oostplein de naam Goudsesingel.

Willem Frederik Schürmann, 1879-1915, Rotterdams letterkundige. Hij schreef onder meer ‘De Berkelmans, een Rotterdamse familieroman, waarin hij zijn geboortestad Horredam noemde. Op 18 oktober 1916 werd aan de Parklaan ter herinnering aan hem een monument onthuld.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Goudseplein, 1959

Het Goudseplein in 1959.

De Goudse Rijweg, de Goudseweg en de (vooroorlogse) Goudsewagenstraat vormden een onderdeel van de oude weg naar Gouda. De Goudsewagenstraat wordt reeds in 1366 in bronnen vermeld. Na 1358, toen er grachten om de stad gemaakt mochten worden, zal ook bij deze ‘rijweg’ aan de stadsvest een poort gebouwd zijn en kon men van Gouda daardoor met wagens in de stad, d.w.z. op de Hoogstraat, komen. Later was hier het beginpunt van het Goudse Wagenveer.

De Goudsewagenstraat heette oorspronkelijke Oostwagenstraat, in tegenstelling tot de Westewagenstraat. De brug over de Goudsevest heette ook nog op het einde van de 17de eeuw Oostwagenbrug. In de 18de eeuw zijn beide namen verdwenen.

De Goudsewagenstraat liep vóór het bombardement in mei 1940 van de Goudsesingel naar de Hoogstraat. Ze lag iets westelijker dan de huidige straat van die naam. Het gedeelte tussen de Kipstraat en de Hoogstraat heette Korte Goudsewagenstraat. Onder Goudse Rijweg verstond men in de 16de eeuw ook de straat die thans Goudseweg heet. Tot 1900 droeg de westzijde van de Vlietlaan eveneens deze naam.

De Goudsesingel was oorspronkelijk de buiten de stad gelegen vestkade. In 1481 wordt de singel genoemd van de Oostpoort naar het kleine Goudse Poortje. Deze singel moet even ten noorden van de huidige Warande en het Ammanplein hebben gelegen. Na 1505, toen de stad in zuidelijke richting was ingekrompen, verstaat men onder Goudsesingel de weg van de Goudse Poort tot Couwenburghseiland (ter hoogte van het huidige Pompenburg). Ten oosten van de Goudse Poort heette hij Oostsingel. De Goudsesingel en Oostsingel waren de kaden ten noorden van de Goudsevest en de Oostvest. Het eerste gedeelte van de Oostvest werd in 1871 gedempt. Dit gedeelte heette sindsdien Gedempte Oostvest. In 1888 volgde de demping van het tweede gedeelte. Op deze plaats ontstond het Oostvestplein.

Ook de Goudsevest en Luthersche Vest werden gedempt. Nadat de demping was voltooid, ontving de nieuw gevormde brede weg vanaf het Boschje tot aan het Oostplein de naam Goudsesingel.

De fotograaf is P.J. Visser en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Goudsesingel, 1908

Gezicht op de markt op de Goudsesingel, 1908.

De Goudse Rijweg, Goudseweg en (vooroorlogse) Goudsewagenstraat vormden een onderdeel van de oude weg naar Gouda. De Goudsewagenstraat wordt reeds in 1366 in bronnen vermeld. Na 1358, toen er grachten om de stad gemaakt mochten worden, zal ook bij deze ‘rijweg’ aan de stadsvest een poort gebouwd zijn en kon men van Gouda daardoor met wagens in de stad, d.w.z. op de Hoogstraat, komen. Later was hier het beginpunt van het Goudse Wagenveer.

De Goudsewagenstraat heette oorspronkelijke Oostwagenstraat, in tegenstelling tot de Westewagenstraat. De brug over de Goudsevest heette ook nog op het einde van de 17de eeuw Oostwagenbrug. In de 18de eeuw zijn beide namen verdwenen .De Goudsewagenstraat liep vóór het bombardement in mei 1940 van de Goudsesingel naar de Hoogstraat. Ze lag iets westelijker dan de huidige straat van die naam. Het gedeelte tussen de Kipstraat en de Hoogstraat heette Korte Goudsewagenstraat. Onder Goudse Rijweg verstond men in de 16de eeuw ook de straat die thans Goudseweg heet. Tot 1900 droeg de westzijde van de Vlietlaan eveneens deze naam.

De Goudsesingel was oorspronkelijk de buiten de stad gelegen vestkade. In 1481 wordt de singel genoemd van de Oostpoort naar het kleine Goudse Poortje. Deze singel moet even ten noorden van de huidige Warande en het Ammanplein hebben gelegen. Na 1505, toen de stad in zuidelijke richting was ingekrompen, verstaat men onder Goudsesingel de weg van de Goudse Poort tot Couwenburghseiland (ter hoogte van het huidige Pompenburg). Ten oosten van de Goudse Poort heette hij Oostsingel. De Goudsesingel en Oostsingel waren de kaden ten noorden van de Goudsevest en de Oostvest. Het eerste gedeelte van de Oostvest werd in 1871 gedempt. Dit gedeelte heette sindsdien Gedempte Oostvest. In 1888 volgde de demping van het tweede gedeelte.

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Goudsesingel, 1928

De hoek van de Goudsesingel en de Sint-Janstraat, 1928-1932.

De Sint-Janstraat dankt zijn naam aan het oude Sint Janskerkhof, dat in deze buurt lag. Dit kerkhof werd tijdens de pestepidemie in 1635 in gebruik genomen. In dat jaar ontving het de naam Sint Maartenskerkhof. De naam Sint Janskerkhof treft men in 1647 aan. Wat de aanleiding was om de namen van deze heiligen aan dit kerkhof te geven, kon niet worden achterhaald. In de tweede helft van de 19de eeuw werd over het terrein van het voormalige kerkhof een straat aangelegd, die de naam Sint-Janstraat ontving. De straat liep van de Hoogstraat naar de Goudsesingel. Bij het bombardement in mei 1940 is deze straat verdwenen. De huidige Sint-Janstraat ligt oostelijker dan de vroegere straat van die naam.

De Goudsesingel was oorspronkelijk de buiten de stad gelegen vestkade. In 1481 wordt de singel genoemd van de Oostpoort naar het kleine Goudse Poortje. Deze singel moet even ten noorden van de huidige Warande en het Ammanplein hebben gelegen. Na 1505, toen de stad in zuidelijke richting was ingekrompen, verstaat men onder Goudsesingel de weg van de Goudse Poort tot Couwenburghseiland (ter hoogte van het huidige Pompenburg). Ten oosten van de Goudse Poort heette hij Oostsingel. De Goudsesingel en Oostsingel waren de kaden ten noorden van de Goudsevest en de Oostvest. Het eerste gedeelte van de Oostvest werd in 1871 gedempt. Dit gedeelte heette sindsdien Gedempte Oostvest. In 1888 volgde de demping van het tweede gedeelte. Op deze plaats ontstond het Oostvestplein. Ook de Goudsevest en Luthersche Vest werden gedempt. Nadat de demping was voltooid, ontving de nieuw gevormde brede weg vanaf het Boschje tot aan het Oostplein de naam Goudsesingel.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Voormalige fabriek van Jamin aan de Warande, 1972

Trefcentrum Rotterdam in de voormalige fabriek van Jamin aan de Warande, 8 maart 1972.

Uit het NRC Handelsblad van 2 oktober 1971:
Trefcentrum in Jaminfabriek deze maand klaar
ROTTERDAM, 2 okt. — Het trefcentrum in de oude Jaminfabriek in Rotterdam zal eind oktober in gebruik worden genomen. De grote fabriekshal wordt op het ogenblik verbouwd. Er komen een verplaatsbaar podium met tribunes, keuken, kantoor, toiletten en ruimten voor allerlei activiteiten. Gedacht wordt aan politiek café, kinderopvangplaats, sprekershoek, kunstatelier, sociëteiten o.a. voor minder validen, expositiegalerij, toneel, zaalsporten en hobbyhoek. De voorgevel van het gebouw zal door leerlingen van de Kunstacademie met een „kleurenspectrum” worden verfraaid.

De Warande herinnert aan de Lange en Korte Warande, die voor het bombardement in mei 1940 in deze buurt lagen. Velen trachten de naam te verklaren, door de tuin van het Predikheerenklooster tot deze straten te laten doorlopen en de ‘lange warande’ tot een van de wandelingen daarin te maken. Nog daargelaten dat deze tuin dan wel aanspraak had mogen maken op de naam van park en er geen enkel bewijs is dat de Dominicanen voor ontspanning zoveel grond gebruikt hebben, is ten overvloede bewezen, dat de laan oorspronkelijk een gedeelte van de Oude Vest was en pas in het begin van de 18de eeuw onder de naam Lange Warande voorkomt. Pas in de 17de eeuw wordt ze Jan van Loonslaan genoemd, naar de eigenaar die in het begin van die eeuw zowel grond ten oosten als ten westen van de Goudseweg in eigendom had. In 1627 had Nicolaes Puyck daar bezittingen. Dientengevolge wordt de weg in 1704 genoemd ‘de laan eertijds bij den heer Nicolaes Puyck uitgegeven ende nu de Lange Warande genaemt’. Ook wordt ze in de 17de en 18de eeuw wel Oost- of Pannekoeklaan genoemd. Een van de uitspanningen aldaar was zeker bekend om haar lekkere pannekoeken. In het midden van de 17de eeuw had Salomon Symonsz. de Waran of Warande hier grondbezit en het ligt voor de hand hem voor de naamgever van de straat te houden.

De foto komt uit de collectie Topografie Rotterdam en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het NRC (via delpher.nl) en uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Goudserijweg 1946

De Goudse Rijweg gezien vanaf de Veemarkt, 1946. Op de achtergrond de Koninginnekerk aan de Boezemsingel.

De Goudse Rijweg, de Goudseweg en de (vooroorlogse) Goudsewagenstraat vormden een onderdeel van de oude weg naar Gouda.De Goudsewagenstraat wordt al in 1366 in bronnen vermeld. Na 1358, toen er grachten om de stad gemaakt mochten worden, zal ook bij deze ‘rijweg’ aan de stadsvest een poort gebouwd zijn en kon men van Gouda daardoor met wagens in de stad, d.w.z. op de Hoogstraat, komen.

De Veemarkt herinnert uiteraard aan de veemarkt die hier van 1867 tot 1973 gevestigd. Tussen 1868 en 1940 lag in deze buurt een straat, die de naam Veemarktstraat droeg. Bij besluit B&W. 8 januari 1982 werd de naam ingetrokken.

De Koninginnekerk aan de Boezemsingel op de grens tussen de wijken Crooswijk en Kralingen in de gemeente Rotterdam werd in 1907 in gebruik genomen. Ze was genoemd naar koningin Wilhelmina.

Begin twintigste eeuw waren veel Rotterdammers naar nieuwe wijken buiten het stadscentrum verhuisd. Sommige in het centrum gelegen kerkgebouwen kampten daardoor met verminderd bezoek en werden gesloten en verkocht. De opbrengst investeerde men in nieuwe kerken in de randwijken. De Koninginnekerk werd op dergelijke wijze gerealiseerd. Bovendien ontving men een belangrijke gift van de gezusters Van Dam, die ook de Wilhelminakerk in Rotterdam-Zuid hadden gefinancierd en de bouw van het Rotterdamse Diaconessenhuis mogelijk maakten. In juli 1904 werd de eerste steen gelegd en op 1 april 1907 kon de nieuwe kerk plechtig worden ingewijd. Het ontwerp was van de architecten Barend Hooijkaas jr. en Michiel Brinkman. Het gebouw telde 1750 zitplaatsen. In de loop der jaren werd de Koninginnekerk een begrip in Rotterdam. Toen eind jaren zestig bekend werd dat het statige gebouw met zijn twee imposante torens afgebroken zou worden leidde dit in de stad tot veel protest. Desondanks werd het godshuis gesloopt nadat er op 31 december 1971 de laatste eredienst was gehouden.

De fotograaf is Gerard Roos en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Van Alkemadeplein, 1905

Gezicht op het Van Alkemadeplein met op de achtergrond het H.B.S.-schoolgebouw, uit het noorden, 1905.

Dit plein lag vóór het bombardement in mei 1940 tussen de Warmoeziersstraat en de Jan van Loonslaan. Bij besluit B. 25 november 1941 is de naam ingetrokken.Daarna werd bij besluit B&W 13 september 1949 deze naam gegeven aan een nieuw pleintje bij de Vondelweg, maar bij besluit B&W 11 maart 1964 weer ingetrokken. Dit pleintje vormt nu een onderdeel van de Van Alkemadestraat.

Cornelis van Alkemade (1654-173) eerste commies op het kantoor van Convooien en Licenten te Rotterdam en schrijver van geschiedkundige werken, onder andere over Rotterdam. Van Alkemade schreef ‘Rotterdamse heldendaden onder de stad voogdij van den jongen Heer Frans van Brederode, genaamt Jonker Fransen oorlog’ (1724). Hij droeg dit werk op aan de burgemeesters van de stad en ontving daarvoor een verering, bestaande uit ‘een silver Lampet’ ter waarde van 280 gulden. Vóór het bombardement in mei 1940 liep de Van Alkemadestraat van de Jan van Loonslaan naar de Goudsesingel.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van rotterdam van toen

Warmoeziersstraat, 1908

De Warmoeziersstraat met op de achtergrond de rooms-katholieke kerk aan het Boschje, 1908.

De straat liep voor het bombardement in mei 1940 van de Kortebrantstraat naar de Goudseweg. Ze vormde een onderdeel van het vroegere lanengebied ten noorden van de Goudsesingel. De Warmoezierslaan, die door de gemeente in 1863 van de eigenaars was overgenomen, dankte haar naam aan de vele warmoezerijen, die men hier vroeger aantrof. Reeds in het midden van de 18de eeuw wordt de naam genoemd. Bij bovengenoemd besluit werd de benaming laan in straat veranderd. De laan kwam in de 17de en 18de eeuw voor onder de namen Tuynderslaan in Rubroek en Tuynmanslaan bij de Goudseweg, die ontleend waren aan hetzelfde bedrijf. Ook de naam Moordenaarslaan voor deze laan kwam voor, waarschijnlijk naar een moord die in deze buurt is gepleegd. Bij besluit B. 21 april 1942 werd de naam ingetrokken.

De Sint-Antonius van Paduakerk, beter bekend als de Bosjeskerk (of Boschjeskerk), was een rooms-katholieke kerk in Rotterdam.

De Bosjeskerk werd in 1866 gebouwd aan het Boschjet in Rotterdam. Het was de eerste kerk die door Evert Margry, een leerling van Pierre Cuypers, werd gebouwd. Margry ontwierp een grote driebeukige kruiskerk in de voor deze tijd kenmerkende neogotische stijl. Het oorspronkelijke ontwerp had ook een hoge klokkentoren, maar die is nooit gebouwd.

Bij het bombardement op Rotterdam in mei 1940 werd de Bosjeskerk verwoest.

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Jonker Fransstraat 1921

Gezicht in de Jonker Fransstraat, 9 augustus 1921.

Frans van Brederode bijgenaamd Roofridder Frans (Kasteel Batenstein te Vianen, 4 februari 1465 – Dordrecht, 11 augustus 1490) was een hoofdrolspeler in de naar hem vernoemde Jonker Fransenoorlog tijdens de Hoekse en Kabeljauwse Twisten.

Hij was een zoon van Reinoud II van Brederode en Yolande van Lalaing. Frans van Brederode werd geboren in Vianen op kasteel Batenstein. Vanaf zijn zevende levensjaar begon zijn opleiding tot ridder en begon daarmee in de functie van schildknaap, hij moet rond zijn zeventiende geridderd zijn (circa 1481). Vervolgens vertrok Frans naar Brabant waar hij de Leuvense universiteit bezocht. In 1488 werd hij opgezocht door een delegatie van Hoekse voorstanders, deze groepering zocht nog naar een laatste strohalm om macht te vergaren in vooral Holland. Frans besloot om met deze mannen mee te reizen naar Sluis in Zeeuws-Vlaanderen waar het een heenkomen was van Hoekse bannenlingen. Hij werd uiteindelijk op 3 april 1488 in Sluis door een commissie van drie mannen (waaronder zijn broer Walraven II van Brederode, die later zou overlopen naar de Kabeljauwen) gekozen tot leider van de Hoeken, dit nadat de Hoeken niet akkoord gingen met de benoeming van Maximiliaan I van Oostenrijk tot regent voor zijn minderjarige zoon Philips de Schone, Hertog van Bourgondië en Graaf van Holland.

Op 18 november van dat jaar lukte het Frans van Brederode om Rotterdam in te nemen. Vanuit Rotterdam ondernam hij pogingen om omliggende steden, als Schiedam, Delft, Gouda, Dordrecht en Schoonhoven in te nemen. Hij kreeg hierbij hulp van een ervaren veldheer uit Gelre namelijk Reynier van Broeckhuysen, die tevens een oudere neef van hem was. Deze pogingen mislukten allemaal. Hij en zijn aanhangers plunderden regelmatig de omgeving van Rotterdam. Hierbij werden de steden Woerden en Geertruidenberg wel veroverd.

In 1489 kwam langzaam een einde aan de heerschappij van Frans van Brederode. Zijn medestanders, waaronder de burgemeester van Rotterdam, werden in Delft berecht en in juli 1489 onthoofd. Van Brederode verbleef op dat moment nog in Rotterdam, maar in samenspraak met de bevolking van Rotterdam gaf Frans zich over op voorwaarde voor een veilige aftocht. Hij dook met zijn overige manschappen onder ter hoogte van de Zeeuwse eilanden en voerde daar plundertochten uit. Op 23 juli 1490 raakte Frans van Brederode zwaargewond bij de Slag bij Brouwershaven. Hij werd gevangengenomen en opgesloten in de Puttoxtoren in Dordrecht. Daar overleed hij korte tijd later aan zijn verwondingen voordat hij zou worden opgeknoopt. Frans overleed zonder enig nageslacht op een leeftijd tussen de 22 en 25 jaar.

In Rotterdam groeide Jonker Frans al snel uit tot een held. Door de oorlogen was de positie van Rotterdam in vergelijking met de omliggende steden enorm versterkt. Zo had het nabijgelegen Delft al zijn schepen verloren en Gouda de helft van haar huizen. Dankzij Jonker Frans werd Rotterdam definitief een stad van betekenis in Holland.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Molen ‘De Noord’ bij het Oostplein, 1880

Molen ‘De Noord’ bij het Oostplein, 1880-1890.

Tussen 1695 en 1711 is molen ‘De Noord’ herbouwd, hiervoor was het een standerdmolen op een ronde toren die mogelijk was voorzien van een stelling. Deze standerdmolen was gebouwd omstreeks 1562 en was ingericht als moutmolen. Ook De Noord werd oorspronkelijk voor dit doel gebouwd. In de loop van de negentiende eeuw werd De Noord gebruikt als “Meelbloem en mestingmolen” (mesting is een ander woord voor veevoer).

De molen had een eigenaardige slanke vorm, wat te wijten was aan een latere verhoging van de romp vanwege windbelemmering. Na deze verhoging bedroeg de stellinghoogte 16,20 meter.

In 1918 werd de molen verkocht aan de firma van Vliet. In deze periode verscheen een artikel waarin werd gesuggereerd dat de molen zou worden onttakeld. Naar aanleiding van dit verhaal werd op 2 september 1919 een interpellatie in de gemeenteraad gehouden. Hieruit bleek dat de molen in zijn geheel voor sloop was verkocht aan de firma Burg en Romein. Door ingrijpen van de Rotterdamse architect J. Verheul Dzn. werd de koop ongedaan gemaakt. Tevens werd de toezegging gedaan de molen te restaureren. Vervolgens werd de molen verhuurd aan molenaar Arie Kluit. Hij bleef op de molen tot de fatale brand in 1954.

In augustus 1929 werd een nieuwe buitenroede gestoken door molenmaker Dirkse uit Mijnsheerenland. Net na de Tweede Wereldoorlog werd bij De Noord als één van de eerste molens in Nederland het fokwieksysteem van ingenieur Fauël aangebracht. De fokken werden op beide roeden bevestigd en waren voorzien van automatische remkleppen. Toen in de meidagen van 1940 door het Duitse bombardement de binnenstad in brand werd gezet, was de omgeving van het Oostplein in vlammen gehuld. Door de molen toen te laten draaien (het ‘vonken malen’) wist de molenaar de molen voor het vuur te sparen. Het ‘vonken malen’ is een oud en beproefd middel, wat hier ook met succes werd toegepast.

Bij de herbouw van de verwoeste stad, na de oorlog, bleef de molen staan, maar op 27/28 juli 1954 brandde de molen volkomen uit en werd daarna niet meer hersteld. (n.b. de roeden zijn waarschijnlijk door de brand verloren gegaan) Meteen na de brand werd de mogelijkheid tot herbouw overwogen. De molen was voor ƒ 175.000 verzekerd. Een aardig bedrag, zeker voor die tijd. Een tegenvaller was dat de romp (waarvan een gedeelte met het neerstorten van het wiekenkruis mee ging) te slecht was om nog te kunnen gebruiken.

Op 25 september 1954 werd begonnen met het slopen van de overblijfselen. Een kleine maand later, op 22 oktober, was alles weg en stuitte men op de fundamenten van de vroegere standerdmolen. Inmiddels was ook een herstelactie in het leven geroepen. Ten bate van deze actie werd een ansichtkaart van de brandende molen uitgegeven. Totaal werd een bedrag van ƒ 20.000 ingezameld en de architect F. Posthuma kreeg van de
gemeente de opdracht een herbouwplan te maken. Helaas kwam het nooit zo ver, want op 24 november 1954 werd het voorstel tot herbouw door de gemeenteraad verworpen met 22 tegen 18 stemmen.

Op de baard was het onjuiste bouwjaar 1718 vermeld. Het opschrift was bij de opknapbeurt in 1918 gewijzigd door de toenmalige nieuwe huurders om zo hun vroegere molen in Goidschalxoord te eren. Bron: De Molens van Rotterdam in oude ansichten deel 1. Rob Pols.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van molendatabase.org 

Met medewerking van Rotterdam van toen