Tag Archives: 1926

Hofplein,1926

Het Hofplein met op de achtergrond molen De Blauwe Molen en het spoorwegviaduct, 1926.

Het Hofplein herinnert aan de ridderhofstad Weena, die noordoostelijk van het huidige Hofplein was gelegen. De Hofdijk komt al in 1397 in bronnen voor. Het slot wordt reeds in 1306 vermeld. De oorspronkelijke Hofdijk stamde uit de 13de eeuw en strekte zich langs de Rotte uit tot het Zwaanshals en de Oudedijk. Het Hofplein ontstond in de eerste helft van de 19de eeuw nadat de Kolk of Gracht tussen de Delftse Poort en de Hofpoort was gedempt. Van 1853 tot 1875 was het plein als veemarkt ingericht. De oudste naam is Hofpoortplein naar de Hofpoort die daar stond en in 1833 is afgebroken. In 1908 werd aan het plein het station van de Zuid-Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij, de lijn Rotterdam-Scheveningen, geopend.

De oudste vermelding van een molen op deze plaats dateert van 1424, waarschijnlijk kreeg de molen in 1663 zijn latere
vorm. De naam Blauwe molen was misschien afkomstig van een dergelijk gekleurde voorganger, een standerdmolen.
In 1880 werd de molen onttakeld en voorzien van een stoommachine. De molen stond toen ook wel bekend onder de naam De Molen zonder wieken. In 1874 werd de Binnenrotte gedempt. In de romp naast brouwerij De Posthoorn was jarenlang een winkel gevestigd, met een opvallende gevel met Jugendstil-kenmerken. Na het bombardement van mei 1940 werd de molen in de maand juli van hetzelfde jaar gesloopt.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van molendatabase.nl. Lees verder op http://www.molendatabase.org/molendb.php…

Met medewerking van Rotterdam van toen

Van Cittersstraat, 1926

Gezicht op de Van Cittersstraat bij de hoek van de Hofstedestraat, 16 april 1926.

Jhr. Frédéric van Citters (Rheden, 13 juni 1839 – Ginneken, 12 november 1922) was een Nederlands burgemeester.

Hij begon zijn burgemeesterscarrière in 1867 te Rhoon en in 1871 werd hij burgemeester van Bodegraven. In 1879 volgde zijn benoeming tot burgemeester van Delfshaven wat hij zou blijven tot Delfshaven in 1886 opging in de gemeente Rotterdam. Daarna was hij tot 1910 wethouder in Rotterdam.

Petrus Hofstede (Zuidlaren, 16 april 1716 – Rotterdam, 27 november 1803) was een Nederlands gereformeerd theoloog en predikant. Hij nam vol overgave deel aan een groot aantal theologische discussies en conflicten, waarin hij een traditioneel standpunt innam, tolerantie van minderheden afwees en uitging van de band tussen de gereformeerde kerk, de Republiek en het Oranjehuis.

Petrus Hofstede was een zoon van de predikant Johannes Hofstede en Maria Abbring. Hij studeerde filosofie in Groningen, maar moest de stad verlaten nadat hij anoniem een satire had gepubliceerd op hen die alleen in naam studeerden, de pseudo-studiosus hodiernus (de hedendaagse schijnstudent). Hij vervolgde zijn studies aan de Universiteit van Franeker. Hij was predikant te Anjum (1739-1743), te Steenwijk (1743-1745), te Oostzaandam (1745-1749) en in Rotterdam tot aan zijn overlijden in 1803. Hier was hij vanaf 1770 ook hoogleraar aan de Illustere School. Met zijn even rechtzinnige Rotterdamse collega Johannes Habbema richtte hij in 1774 het theologische maandblad De Nederlandsche Bibliotheek op. Na een heftige aanval op de Utrechtse hoogleraar Rijklof Michaël van Goens werd in 1775 de verkoop in Utrecht door de Staten verboden. Na zijn dood werd hij begraven in de Laurenskerk. Zijn grafzerk is gespaard gebleven bij het bombardement op Rotterdam in de meidagen van 1940, en is geplaatst in een kapel van de Noorderzijbeuk.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Virulyplein 1926

Gezicht op het Virulyplein met op de achtergrond links de toren in aanbouw van de Willibrordkerk aan de Beukelsdijk, 1926.

VIRULY (Cornelis Elisa), geb. 25 Nov 1819, zoon van Mr Jan Viruly, heer van Vuren en Dalem, en Constantina Adriana van Gorkum, gest. 19 Juni 1892. In 1851 werd hij te Rotterdam als raadslid gekozen en in 1872 als wethouder. Tot 1891 bleef hij dit ambt waarnemen, nadat hij achtereenvolgens wethouder was geweest van onderwijs, financiën en plaatselijke werken. In laatstgenoemd jaar wilde hij wegens zijn leeftijd niet meer in aanmerking komen als lid van het college van B. en W., doch bleef lid van den raad tot zijn dood. Ook was hij sinds 1862 door Rotterdam afgevaardigd naar de Provinciale Staten. Wegens zijn verdienste voor de stad Rotterdam werd zijn, hem door de gemeente aangeboden en door Pieter Josselin de Jong geschilderd, portret in 1891 in het Museum Boijmans geplaatst. Ook gevoelde hij veel voor de kunst en bekostigde o.a. voor het grootste deel de inwendige versiering van de vestibule van het Museum Boijmans. Hij huwde 19 Juli 1843 met Maria Louize Wachter.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Rochussenstraat 1926

De Rochussenstraat ter hoogte van de ‘s Gravendijkwal, 1926. Achter de hond de bebouwing tussen Saftlevenstraat en ‘s Gravendijkwal.

De Rochussenstraat dankt zijn naam aan Charles Rochussen (1814-1894) Rotterdams schilder. Hij stamde uit een welgestelde Rotterdamse familie. Hij volgde les aan de Haagse academie van Beeldende Kunsten. Rochussen verbleef van 1849 tot 1869 in Amsterdam en keerde toen pas weer terug naar Rotterdam. Rochussen was ook bestuurslid van de Rotterdamse academie. Hij was een bekwaam schilder en aquarellist. Hij ontwierp historische optochten en werd bekend met zijn taferelen uit de vaderlandse geschiedenis, een genre dat in de eerste helft van de negentiende eeuw heel populair was. Ook schilderde hij soldatentaferelen en het tijdverdrijf van de gegoede burger, zoals harddraverijen, valkenjachten en zeilwedstrijden. Daarnaast was hij illustrator van vele boeken en hij voorzag schilderijen van verschillende collegaschilders van figuren. Zijn belangrijkste leerlingen waren August Allebé en G.H. Breitner.

De ‘s-Gravendijkwal is vernoemd naar de vroeger ongeveer op deze plaats gelegen dijk in het ambacht Cool, die al in 1358 onder de naam ‘s-Gravendijkwal voorkomt. De dijk, gelegen ten oosten van het Middelland die later ook wel Dijkwal wordt genoemd, is misschien onder graaf Floris V aangelegd. Voor het gebouw van de voormalige Eerste H.B.S. aan de ‘s-Gravendijkwal staat het monument van de beroemde Rotterdamse scheikundige Dr. Jacobus Henricus van ‘t Hoff 1852-1911. Dit monument werd op 17 april 1915 onthuld.

De Saftlevenstraat is vernoemd naar leden van de Rotterdamse schildersfamilie Sachtleven of Saftleven. Herman Hermansz Saftleven, +1627, en zijn zoons Cornelis, ca.1607-1681, Herman, 1609-1685, en Abraham, in 1628 naar Nederlands-Indië vertrokken.

De fotograaf is François Henry van Dijk en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Boezemlaan 1926

Het overblijfsel van een der Boezemmolens aan de Boezemlaan, uit het zuidwesten, 1926.

De Boezemlaan ontleent haar naam aan de Hoge Boezem. Op 14 januari 1769 werd door de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend om, tot ontlasting van de gemeene boezem de Rotte, een tweede boezem te maken in de polder Rubroek. Het overtollige water kon door een sluis bij de Oostpoort ontlast worden in de Nieuwe Maas. De aanbesteding van de hoge en de lage boezem en de watermolens vond plaats op 25 april 1772. In 1854 werd nog een Reserveboezem gegraven. In 1897 werden de Hoge en Lage Boezem gedeeltelijk en de Reserveboezem geheel gedempt. De 2de Reserveboezemstraat heette van 1914 tot 1918 Kampioenstraat, een naam die herinnerde aan het door de voetbalvereniging ‘Sparta’ behaalde kampioenschap. Deze vereniging oefende op het nabijgelegen Exercitieveld. De Boezemweg vormde vóór 1973 een onderdeel van de Boezemsingel. Hoewel de naam Hoge Boezem als straatnaam reeds jarenlang in gebruik is, werd hij pas bij bovengenoemd besluit officieel vastgesteld. Op een plattegrond van 1881 komt de Boezemstraat voor onder de naam Abattoirstraat naar het slachthuis of abattoir, dat daar geprojecteerd was. Dit abattoir werd op 1 mei 1883 geopend.

Er maalden in 1766 31 molens uit op de Rotte. Bij de korenmolen ‘De Noord’ (dbnr. 2288) aan het Oostplein
stond De Kostverloren (dbnr. 3079), die het water op de rivier uitmaalde maar dit niet kon bolwerken. Er waren
ook nog plannen om de polders onder Bleiswijk en Bergschenhoek droog te malen.

Om het probleem op te lossen werd een boezem gegraven vanaf de Spiegelnissermolen aan de Rotte. In 1772
werden naar ontwerp van landmeter Dirk Smits acht molens gebouwd om onder andere de grote plassen ten westen van de Rotte tussen Bleiswijk en Bergschenhoek droog te malen, die het water uitmaalden op de Hooge boezem vanwaar het via sluizen afliep naar de Maas. Met zijn 2 km lengte en 25 m breedte kon de Hoge en Lage Boezem 70.000 m³ water bevatten. In 1854 werd noch een reserveboezem aangelegd als voor het geval van hevige regenval.

De molens kregen de nummers 1 t/m 8. Het waren achtkante grondzeilers, boezemmolens. Met de bouw van de molens werd aangevangen in 1769. Molens opgeleverd op 25-4-1772. Mogelijk zouden de 8 molens over 10 raderen beschikt hebben; dus 2 molens met 2 raderen. Plannen om ten zuiden van no. 8 nog drie molens te bouwen zijn nooit uitgevoerd.

Eén molen verbrandde in 1895/1896 als gevolg van blikseminslag. Op 1 november 1899 werden de zeven overgebleven molens stilgezet vanwege een nieuw gemaal. Het HHR Schieland ruilde met de gemeente Rotterdam de benodigde grond voor het stoomgemaal en ƒ 250.000,=
bijbetaling tegen het terrein van de Hoge Boezem met de molens. In 1899 werden de molens op twee na
geheel gesloopt (waarschijnlijk) door de firma J.B. Thobé uit Dordrecht.

Een der molens werd in 1901 gezet op het onderstuk van De Jonge Hendrik te Overschie en verbrandde daar ook nog in 1901. Zie De Oranje Nassau, dbnr. 2194. Eén molen werd (zeer waarschijnlijk) herbouwd in Rijpwetering (de huidige Blauwe Molen, Ned. Molendbnr. 1074) en een andere ging naar Apeldoorn om te worden herbouwd als de korenmolen van H. Vorderman (dbnr. 327). Restant verbrand in 1976. Een andere
molen kwam volgens Suetan nr. 150 in Zuidbuurt, Zoeterwoude, terecht als de Zuidbuurtse Molen van de Westbroekpolder (dbnr. 330), maar dat blijkt niet te kloppen met de jaartallen.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van http://www.molendatabase.org/molendb.php.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Oranjeboomstraat 1926

Gezicht op de Nederlandse Hervormde Wilhelminakerk, en een tram van lijn 12, aan de Oranjeboomstraat, 1926. Links de Perssoonsstraat.

De Wilhelminakerk in Rotterdam werd opgericht als nieuwe wijkkerk van de toenmalige zelfstandige “Nederduitsch Hervormde Gemeente”, afgesplitst van de Hervormde Gemeente IJsselmonde. Evenals de Koninginnekerk in Rotterdam kon deze kerk gebouwd worden dankzij een gift van de gezusters Van Dam. De inwijding volgde op 27 november 1898. Het was een forse zaalkerk op centraliserende plattegrond met uitgebouwde, driezijdig gesloten apsis en fronttoren, geflankeerd door twee lagere traptorens. De apsis werd uitwendig geaccentueerd door topgevels en een eenvoudige dakruiter. Het interieur was voorzien van galerijen en werd gedomineerd door een forse vrijstaande kansel in het koor. Het gebouw was een belangrijk voorbeeld van stilistische vernieuwing in de protestantse kerkbouw van omstreeks 1900, voortkomend uit het eclecticisme, tevens belangrijk werk uit het oeuvre van B. Hooykaas Jr.

De kerk kreeg in de naoorlogse jaren grote bekendheid door de orgelconcerten van de bekende organist en dirigent Feike Asma. Als gevolg van teruglopend kerkbezoek werd de kerk in 1972 buiten gebruik gesteld en in het jaar daarna gesloopt. Een groot deel van de pijpen uit het orgel zijn aangekocht door de Hervormde Gemeente Veenendaal en zijn gebruikt voor het orgel van de Oude Kerk te Veenendaal.

Zowel de Koninginnekerk als de Wilhelminakerk beschikten over 1.600 zitplaatsen.

De Oranjeboomstraat heet naar bierbrouwerij ‘d’Oranjeboom’, die aan deze straat was gevestigd. De brouwerij dateert uit 1671 en is ontstaan uit de samenvoeging van de brouwerijen ‘De Dissel’ en ‘van den Oranjeboom’. De eerste was gevestigd aan de Coolvest, de laatste aan de Nieuwehaven. In 1885 werd de brouwerij van de Coolvest naar Feijenoord overgeplaatst en in 1902 werd de Naamloze Vennootschap Brouwerij d’Oranjeboom opgericht. In 1990 vertrok de brouwerij naar Breda.

De Persoonsstraat herinnert aan de stadsarchitecten Claes Jeremiasz. Persoons en zijn zoon Johannes Persoons. Zij volgden elkaar van 1660 tot 1692 op als architect van Rotterdam. De eerste was stadsarchitect en is bekend geworden door het recht zetten van de Laurenstoren,en de bouw van de Oosterkerk aan de Hoogstraat. Met het graven van de Persoonshaven werd eerst in 1901 een begin gemaakt.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Prinsenstraat 1926

De Prinsenstraat ter hoogte van huisnummer 39, op de hoek van de Lange Pannekoekstraat.

Tijd:7 juli 1926

De Prinsenstraat is vernoemd naar Prins Willem van Oranje (1533-1584). In 1575 werd een gedeelte van het Grauwe of Sint Agnietenconvent aan de Botersloot, dat omstreeks 1408 was gesticht, ingericht tot woning voor de Prins van Oranje. Dit in geval van een eventueel bezoek van de prins aan de stad. Sindsdien was het gebouw Prinsenhof of Prinsenlogement genaamd. Ook hield de Admiraliteit op de Maze hier haar zittingen en had zij op dit terrein een artilleriehuis en gevangenis. Deze toestand duurde tot 1645, toen de Oude Beurs aan het Haringvliet als Admiraliteitshof, daarna ook bekend als Prinsenhof, werd ingericht.

Een ander gedeelte van het Sint Agnietenklooster werd gebruikt als woning van de stadspensionaris. Van 1576 tot 1618 woonden hier achtereenvolgens de pensionarissen Johan en Elias van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot. Het resterende gedeelte van het gebouw bleef bewoond door de overgebleven kloosterzusters. De vroedschap besloot in 1593 laatstgenoemden onder te brengen in het Gasthuis aan de Hoogstraat. De poort, die toegang gaf tot het terrein van het klooster, werd afgebroken. Er werd daar een straat aangelegd die de naam Prinsenstraat ontving. De straat was bestemd voor een Nieuwe Beestenmarkt.

Aan het Prinsenhof herinnerde ook nog de oude kapel van het Sint Agnietenconvent. Deze kapel werd na de Reformatie veranderd en vergroot. Als Prinsenkerk is ze van 1608 tot 1909 in gebruik geweest bij de Nederlandse Hervormde Gemeente. In 1912 werd ze afgebroken. Op de daardoor vrijgekomen grond werd de Gemeentebibliotheek gebouwd, die 10 november 1923 is geopend. Het plein dat bij bovengenoemd besluit de naam Prinsenhof ontving omvat onder meer het westelijke gedeelte van de vooroorlogse Prinsenstraat.

Aan het verhaal van een van onze stadsbeschrijvers, dat in deze straat een pannekoekbakker woonde, die bij feestelijke gelegenheden de omwonenden van dit gebak voorzag, moet niet veel waarde worden gehecht. De ‘Panckoekstrate’ komt al voor in de stadsrekening van 1426/27. De herkomst van de naam is niet achterhaald. Door het aanleggen van de Nieuwemarkt in 1660 kwam een gedeelte van de straat te vervallen. Het middenstuk werd de oostzijde van het plein; de uiteinden werden respectievelijk Lange en Korte Pannekoekstraat genoemd. Het gedeelte ten noorden van de Nieuwemarkt en ten oosten van de Boterhal of het Boterhuis heeft kort na 1662 de naam Halstraat ontvangen. De gehele Pannekoekstraat ging bij het bombardement van 14 mei 1940 verloren. Bij bovengenoemd besluit werden de namen Korte en Lange Pannekoekstraat ingetrokken. De huidige Pannekoekstraat ligt ongeveer op dezelfde plaats als de vroegere straat, zij het dat het noordelijke gedeelte met een bocht naar links loopt.

Bron: Stadsarchief Rotterdam

Met medewerking van Rotta historica