Tag Archives: 1935

De Rotterdamse Schie met de Schieweg en de Heulbrug, 1935

De Rotterdamse Schie met de Schieweg en de Heulbrug, 1935-1939. Rechts de Walenburgerweg. Op de achtergrond de Schiekade.

De Rotterdamse Schie is de vaart, die ten gevolge van een handvest van 9 juni 1340 werd gegraven van Overschie naar Rotterdam. Ze sloot aan op de reeds bestaande Delftse of Oude Schie, die Delft met Overschie verbond. Ter plaatse van het latere Hofplein kwam de Schie uit in de Kolk welke door de Rotte was gevormd. Vanaf dit punt ging de vaart door de stad onder de naam Delftsevaart. Deze was via een spuisluis verbonden met de Merwede (Nieuwe Maas). De Schie komt ook een enkele maal voor als Spuivaart. Langs beide zijden van de vaart werden kaden aangelegd. In het begin waren deze van weinig betekenis.

De gemeenteraad besloot op 22 juni 1939 tot demping van het gedeelte van de Schie, gelegen tussen het Hofplein en het Stadhoudersplein. Deze demping geschiedde voor een groot gedeelte met het puin van de huizen, die verwoest waren bij het bombardement. Sindsdien is een bekend Rotterdams gezegde ‘Eerst lag de Schie in Rotterdam, thans ligt Rotterdam in de Schie’.

De Walenburgerweg herinnert aan de vroegere hofstede Walenburg. In 1579 kocht Hillegont Pieters, echtgenote van Adriaen Pietersz., ‘de ruyge werff groot omtrent vijf hont lants’. Hierop werd een hofstede gebouwd, die vermoedelijk al vrij spoedig de naam ‘Walenburg’ gedragen zal hebben naar de op dit terrein gelegen Waal. De zoon van genoemde Hillegont Pieters noemde zich in 1594 namelijk Pieter Adriaensz. Walenburg. In de transportregisters komt de naam voor het eerst voor in een akte uit 1727. Er is dan nog steeds sprake van een hofstede. Eerst in 1801 komt ‘Walenburg’ voor als buitenplaats met herenhuis. De buitenplaats werd in 1881 verkocht en daarna als bouwgrond uitgegeven. Het herenhuis is eerst in de jaren vijftig van de 20ste eeuw afgebroken. De Walenburgerweg vormde voor 1886 een onderdeel van de Beukelsdijkscheweg. De oudste benaming van dit weggedeelte was West Blommersdijkscheweg. Het Walenburgerplein ligt op het terrein van de vroegere buitenplaats. Op de plaats van het plein lag van 1896 tot 1932 de Walenburgstraat.

De fotograaf is Lex de Herder en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Voorhaven met op de achtergrond molen de Distilleerketel, 1935

De Voorhaven met op de achtergrond molen de Distilleerketel, 1935-1939. Op de voorgrond worden vaten verladen op de kade voor Henkes distilleerderij.

Voor Delfshaven en Rotterdam in 1886 werden samengevoegd, droeg de Voorhaven de naam Oudehaven. Daar laatstgenoemde naam reeds in Rotterdam voorkwam werd de naam Voorhaven, waaronder de haven ook wel bekend stond, officieel vastgesteld. Eveneens werd in 1886 de naam Voorstraat officieel vastgesteld. Deze naam, die aansluit op denaam Voorhaven, was reeds voor 1886 in gebruik.

In 1824 kocht Johannes Hermanus Henkes samen met twee vennoten, Arie de Jong en Gerke d’Arnaud Gerkens, de reeds bestaande korenwijnbranderij aan de Voorhaven 27 te Delfshaven op en noemden deze: De Ooyevaar. Ook namen zij een aandeel in de moutmolen “De Distilleerketel”, die zich op het Middelhoofd bevond. De ooievaar kan mogelijk in verband gebracht worden met de Haagse afkomst van Arie de Jong.

Op het ogenblik van koop was de branche herstellende van de crisis onder de Napoleontische tijd, toen bijna de helft van de Delfshavense destilleerderijen moest worden gesloten. In 1850 verving hij de rosmolen in de destilleerderij door een stoommachine en was daarmee de eerste in zijn branche die zulks deed. In de jaren 60 van de 19e eeuw werd het nog bestaande pand gebouwd, dat de hele wand Voorhaven 19-31 bestreek.

Het product van De Ooyevaar werd ook geëxporteerd en verwierf een medaille op de Wereldtentoonstelling van 1867 te Parijs.

De familie Henkes ondertussen spreidde haar activiteiten. Zo werd de Rotterdamsche Boek- en Kunstdrukkerij opgezet. Daarnaast werd een vennootschap aangegaan met de steenfabriek De Vlijt te Halsteren.

Van 1948 tot 1977 werden merken als Henkes Jonge Jenever, Henkes Vieux, Henkes Bessenjenever en vruchtendranken op de Nederlandse markt gebracht. In 1959 verkreeg Henkes het predicaat “Hofleverancier”. In 1967 werd de productie verplaatst naar Hendrik-Ido-Ambacht. Henkes was nu in handen gekomen van de Suiker Unie. In 1970 werd de Henkes Verenigde Distilleerderijen (HVD) opgericht, waarin de distilleerderijen van de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek en die van de Zuid-Nederlandsche Melasse-Spiritusfabriek werden ondergebracht. Iets later werd Rynbende overgenomen.

In 1986 begon Bols, toen reeds marktleider op dit terrein, zijn positie te verstevigen en kocht Henkes op. Henkes werd daarmee een merk van Bols.

De foto komt uit het archief van Spaarnestad en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Straatweg vanaf de kruising met de Kleiweg (links) en de Kootsekade (rechts), 1935

De Straatweg loopt van de Ceintuurbaan tot aan de splitsing Bergse Dorpsstraat en Weissenbruchlaan en tussen de Bergse Voorplas en de Bergse Achterplas door. De vroegere naam was Bergweg.

De Kleiweg werd vroeger wel beschouwd als een onderdeel van een oude zeedijk, die door de Romeinen zou zijn aangelegd. De vroegst bekende dijk dateert echter van de 12de eeuw en bevindt zich bovendien ten zuiden van de Kleiweg. Deze dankt haar naam aan de Kleiweg in het veen (oeverwal van een stroom) waarop zij is gelegen. De naam ‘Cleyweg’ komt voor zover bekend voor het eerst in 1419 voor. De wijk Kleiwegkwartier wordt thans ook aangeduid met Hillegersberg Zuid.

Deze kade is vernoemd naar oliemolen ‘de Koot’ aan de Rotte op de hoek van de Rechter Rottekade en de Kootsekade, eertijds toebehorend aan de firma H. Lambert en Zonen. Hier werd lijn- en raapzaad geperst. De molen werd in 1905 afgebroken en in Vaals (Limburg) weer opgebouwd (later in 1934 afgebrand). Op de kaart van A. Dubreuil uit 1784 komt de molen reeds voor. Hij is hierop echter nog niet met name genoemd. In 1776 werd hij als pelmolen gebouwd en omstreeks 1850 omgebouwd tot oliemolen. Op de kaart van Schieland van Floris Balthazar (1611) komt de kade onder de naam Rijskae voor. Waarschijnlijk was deze kade oorspronkelijk gedekt met rijsbeslag.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Het Haagseveer, 1935

Het Haagseveer nummers 40-41, met op de achtergrond de toren van het stadhuis, 1935. Het café staat, waarschijnlijk door de economische wereldcrisis, te huur.

Het schippersveer op Den Haag was aan deze kade gelegen evenals het kantoor van het wagenveer. Een huis ”s-Gravenhage’ trof men hier al in 1596 aan. In het midden van de 17de eeuw is er sprake van ‘het Haagscheveer’ op de Delftsevaart, in 1707 is er bijgevoegd ‘naest het Coolhuys’ (de Sint Jorisdoelen). Delftsevaart was vroeger de gewone naam van deze straat. Later sprak men van Delftsevaart, anders genaamd Haagseveer. De laatste naam kwam in de 19de eeuw steeds meer in zwang. Na het bombardement werd het Haagseveer in zuidelijke richting verlengd met een gedeelte van de Westewagenstraat.

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Fabriek van melkproducten van de Vereenigde Zuivelbereiders ( R.M.I. ) aan de Persoonsdam, 1935

Voor de deur staan vrachtwagens met melkvaten erop.

Deze straatnam is ontleend aan Claes Jeremiasz. Persoons (+1692) en zijn zoon Johannes Persoons (+1692). Zij volgden elkaar van 1660 tot 1692 op als architect van Rotterdam. De eerste was stadsarchitect en is bekend geworden door het recht zetten van de Laurenstoren en de bouw van de Oosterkerk aan de Hoogstraat. Met het graven van de Persoonshaven werd pas in 1901 een begin gemaakt.

PERSOONS (Claes Jeremiasz.), te Rotterdam geboren en aldaar overleden 27 Juli 1692, was een zoon van Jeremias Claesz., metselaar, en Grietge Baltens Verbeeck, terwijl zijn geboorte waarschijnlijk in het eerste kwartaal der 17de eeuw gesteld mag worden. Oorspronkelijk metselaar van beroep, vestigde hij de aandacht der stedelijke regeering op zich door het indienen van een plan in 1653 voor het herstel en rechtzetten van den toren van de Groote of St. Laurenskerk te Rotterdam. Deze, reeds lang eenigszins overhellende, was in 1650 bij een zwaren storm 3½ voet naar het zuidwesten overgezakt. Hem werd verder het werk opgedragen, dat nog altijd de bewondering wekt van de bouwkundigen.

Den 7den Mei 1660 besloot de vroedschap den in dienst zijnden stadstimmerman en den stadsmetselaar te ontslaan en deze posten niet weer te laten vervullen, doch in plaats daarvan een stadsarchitect te benoemen, waartoe zij 24 Mei Claes Jeremiasz. aanstelden. Tot zijn dood heeft deze, die in 1668 met den toenaam Persoons voorkomt, het ambt van architect-bouwmeester bekleed; hij kan de eerste geacht worden van de rotterdamsche directeuren van gemeentewerken. Veelzijdig waren zijn werkzaamheden; hij had het toezicht over de metselaars, den timmermans- en den smidswinkel der stad over de straatmakers, enz. De vroedschapsresolutiën getuigen van de groote waardeering, die de stedelijke regeering voor zijn werk had, blijkende uit traktementsverhoogingen, extra-gratificatiën en het verschaffen van faciliteiten om op alle stadswerken toezicht te kunnen houden, zooals het aanschaffen in 1687 van een rijtuig te zijnen behoeve, toen hij oud en stram begon te worden, waarom ook zijn zoon Jan Persoons hem reeds als hulp was toegevoegd. Hij huwde 5 Juli 1650 met Adriaentge Jansd. Cardon en had bij haar vier kinderen, van wie Jan, die hem opvolgde als stadsarchitect, in October 1692 overleed.

De fotograaf is Francois Henry van Dijk en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW). http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/…

Met medewerking van Rotterdam van toen

Het spoorwegviaduct bij het Westnieuwland, 1935

Het spoorwegviaduct bij het Westnieuwland, 1935-1939.

Het Oost- en Westnieuwland waren zo genoemd, omdat zij ten oosten en westen van de haven lagen. In tegenstelling tot het reeds vroeger bedijkte land ten noorden van Schielands Hoge Zeedijk (Hoogstraat), het eigenlijke oudeland, waren ze in het midden van de 14de eeuw reeds bebouwd. In 1336 treft men huizen aan in het Westnieuwland, aan de ‘Rieddijcke’, in 1385 ook in het Oostnieuwland.

Oorspronkelijk behoorde al dit nieuwland aan de graaf. In het charter van 7 juni 1340, waarbij de graaf aan Rotterdam verschillende vrijheden verleende, werd de stadsvrijheid ook 50 gaarden over het nieuwe land uitgestrekt. Het gedeelte tot Blaak en Nieuwehaven viel dus binnen de stadsvrijheid. Op 5 januari 1384 verkreeg de stad het westelijke gedeelte in erfpacht en op 20 augustus 1412 werd de jurisdictie van de stad uitgebreid over het gehele gedeelte, dat zich ten zuiden, tussen het West- en Oostpoorthuis, uitstrekte tot de halve breedte van de Maas. In 1472 kreeg de stad van hertog Karel de Stoute het Westnieuwland in pand en het blijkt niet, dat dit ooit is ingelost.

Oorspronkelijk werd de naam Westnieuwland of Zuid-Westnieuwland ook gebruikt voor het ten westen van de haven en ten zuiden van de Blaak gelegen terrein. Later werd alleen het gebied tussen Steiger en Blaak zo genoemd. Bij de straten, die op dit terrein lagen, werd gewoonlijk vermeld ‘in het Westnieuwland’. Tenslotte is de benaming alleen gebruikt voor de straat, die ten westen van het spoorwegviaduct van de Grotemarkt naar het Beursplein liep. Het huidige Westnieuwland ligt op dezelfde plaats als de vooroorlogse straat van die naam.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Monument G.J. de Jongh in de tuin van museum Boijmans van Beuningen – Mathenesserlaan, 1935

Het monument voor G.J. de Jongh in de tuin van museum Boijmans van Beuningen aan de Mathenesserlaan, 1935.

Gerrit Johannes de Jongh (Willemstad, 4 juli 1845 – ‘s-Gravenhage, 31 januari 1917) was in de hoedanigheid van directeur van de dienst Gemeentewerken Rotterdam van 1879 – 1910 de ‘havenbouwer en stadsontwikkelaar’ van de Maasstad.

In feite was het De Jongh die bepaalde hoe de ontwikkeling van de stad werd vormgegeven. Onder zijn leiding werd voor het eerst een elektriciteitsnetwerk aangelegd. Ook zorgde hij voor de waterleiding en een moderne riolering.

De Westersingel, Noordsingel en de Boezemsingel werden onder leiding van De Jongh aangelegd naar een ontwerp van zijn voorganger Willem Nicolaas Rose.

Gerrit De Jongh werd vooral bekend vanwege zijn bemoeienis met de uitbreiding van de havens. In 1893 deed hij de oostzijde van de Parkhaven voltooien; in 1894 de Rijnhaven. De westzijde van de Parkhaven, die onderdeel uitmaakt van de zogenoemde Müllerpier, werd in 1908 tegelijk met de Sint Jobshaven opgeleverd.

Na de Katendrechtse havens in 1893 en 1896 en na de reeds genoemde Rijnhaven, volgde in 1906 de voltooiing van de Maashaven. De vrijkomende grond van de nieuwe Waalhaven, waarmee in 1907 een aanvang werd gemaakt, werd door een buizenstelsel naar een tussen twee tochten gelegen deel van de Prins Alexanderpolder bij de Kralingse Plas getransporteerd. Zodoende kon op de opgehoogde grond naar het idee van De Jongh het Kralingse Bos worden gerealiseerd.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Station Delftsepoort-Proveniersplein, 1935

De achterzijde van het station Delftse Poort, met de toegangsbrug aan het Proveniersplein, 5 juli 1935.

Station Rotterdam Delftsche Poort was een spoorwegstation aan de Oude Lijn van Amsterdam naar Rotterdam. Het station lag ten oosten van het huidige station Rotterdam Centraal.

Het eerste station Delftsche Poort werd geopend in 1847 bij de voltooiing van de spoorlijn Amsterdam – Rotterdam. Het station werd ontworpen door Cornelis Outshoorn, een assistent van Frederik WillemConrad. Hij koos voor een neo-Tudorstijl met drie grote bogen over het spoor waar de stoomtrein onder door kon.

In 1868 werd besloten een spoorwegviaduct (het Luchtspoor) door de stad te bouwen voor de verbinding met Dordrecht. De ligging van het station Delftsche Poort bleek niet te combineren met het aan te leggen viaduct, waarna een nieuw station Delftsche Poort ten noordwesten van het oude station werd gebouwd. Dit station was ontworpen door K.H. van Brederode en werd opgeleverd in 1877. Het eerdere stationsgebouw werd omstreeks 1878 afgebroken.

Door het bombardement van 14 mei 1940 raakte het station Delftsche Poort ernstig beschadigd. Het station werd in 1957 vervangen door het Station Rotterdam CS, dat, behoudens op het stationsgebouw zelf, in de communicatie van de NS sinds 29 mei 2000 Rotterdam Centraal heette.

De foto komt uit de Collectie Koops en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Gezicht onder het spoorwegviaduct over de Binnenrotte, 1935

De Binnenrotte is de straat tussen de Lombardkade en de Hoogstraat waar de centrummarkt wordt gehouden, oorspronkelijk een gedeelte van de rivier de Rotte.

Op de kruising van de Hoogstraat en de Binnenrotte ontstond rond 1270 op de plek waar de dam in de Rotte werd geslagen de stad Rotterdam. In 1340 ontving Rotterdam het stadsrecht en in 1358 werd de stad omvest. Vanaf 1600, toen de uitleg naar de Maas was voltooid, had de stad Rotterdam de vorm van een driehoek. Ze bestond uit twee delen: het waterrijke deel tussen Maas en Blaak waar zich de haven ontwikkelde (Waterstad), en het ommuurde gedeelte tussen Goudsesingel, Coolsingel en Blaak (Landstad).

Het hart van de oude Landstad heet nu Laurenskwartier, genoemd naar het oudste gebouw: de Laurenskerk. Tussen 1600 en 1650 groeide de bevolking van 13.000 naar 30.000 inwoners. Eeuwenlang vonden de belangrijkste activiteiten plaats rond de Laurenskerk. Tegen 1700 was de stadsdriehoek volgebouwd en Rotterdam een bloeiende koopmansstad.

De Binnenrotte was oorspronkelijk een gedeelte van de rivier de Rotte. Aan de Binnenrotte vond in de negentiende eeuw de grootste verkeersdoorbraak plaats, omdat er een rechtstreekse railverbinding moest komen tussen Antwerpen en Rotterdam met aansluiting op de spoorbrug over de Maas. Men besloot voor een verbinding over een viaduct hoog boven de stad. Daarvoor werd in 1871 de Binnenrotte gedempt. Daarmee kwam er definitief een einde aan het water waarlangs Rotterdam is ontstaan. Voor de doorbraak werden ter hoogte van de Moriaansteeg negentien huizen gesloopt evenals de Korenbeurs aan het Steiger.

Het luchtspoor werd op 1 mei 1877 in gebruik genomen. De bogen van het luchtspoor verschaften niet alleen een droog onderdak aan straathandelaren maar ook voor prostituees was het een perfect werkterrein. In 1993 werd het viaduct gesloopt nadat het overbodig was geworden door de aanleg van de Willemsspoortunnel. Tijdens de werkzaamheden kwam de oude loop van de Rotte weer te voorschijn en speciaal de plaats van de dam.

De Binnenrotte werd een grote open ruimte die sinds 1995 op dinsdag en zaterdag gebruikt wordt door de Rotterdamse Centrummarkt, een algemene warenmarkt met ruim 450 kramen. Tot de afbraak van het viaduct dienden de bogen als plaats voor de weekmarkt, die in 1958 van het Noordplein naar de Binnenrotte was verplaatst. Een tijdelijke verhuizing naar de Mariniersweg vond plaats in 1989 in verband met de aanleg van de Spoortunnel.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam

Met medewerking van Rotterdam van toen

Het Haagseveer en de Kikkersteeg, 1935

Het Haagseveer en de Kikkersteeg, 1935. Op de achtergrond de toren van het stadhuis.

Het schippersveer op Den Haag was aan deze kade gelegen evenals het kantoor van het wagenveer. Een huis ”s-Gravenhage’ trof men hier al in 1596 aan. In het midden van de 17de eeuw is er sprake van ‘het Haagscheveer’ op de Delftsevaart, in 1707 is er bijgevoegd ‘naest het Coolhuys’ (de Sint Jorisdoelen). Delftsevaart was vroeger de gewone naam van deze straat. Later sprak men van Delftsevaart, anders genaamd Haagseveer. De laatste naam kwam in de 19de eeuw steeds meer in zwang. Na het bombardement werd het Haagseveer in zuidelijke richting verlengd met een gedeelte van de Westewagenstraat.

De naam Kikkersteeg is waarschijnlijk terug te voeren op een huisnaam. In de periode 1585-1620 komt naast de naam Kikkersteeg ook die van Hollandsche Nachtegaalsteeg voor naar het huis ‘de Hollandsche Nagtegael’ in deze steeg. In het midden van de 18de eeuw stond op de hoek van het Haagseveer en de steeg een huis met een tegel, waarop drie kikvorsen waren afgebeeld. Het is ook mogelijk dat de steeg deze naam dankte aan de grote hoeveelheid kikkers, die hier vroeger werden aangetroffen. Dat in 1585 Jan Cornelisz. ‘Bouman’ verschillende erven verkocht, wijst op een boerenbedrijf dat daar gevestigd was. Ook kwam in dit gebied in 1812 nog een Kikkerslooot voor. De kroniekschrijver Jan Gerritsz. Van Waerschutvermeldt, dat omstreeks 1584 dit gehele terrein nog een laag moeras was. De steeg liep van het Haagseveer naar de Coolvest. Bij besluit B&W 26 maart 1937 werd de naam Kikkersteeg ingetrokken.

De foto is gemaakt door Volkshuisvesting en Bouwpolitie en komt uit de collectie topografie Rotterdam. De foto en informatie komen uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen