Tag Archives: 1937

De Paradijskerk aan de Nieuwe Binnenweg, 1937

In 1647 stichtte kapelaan Bernardus Hoogewerff een nieuwe kerkplek in Rotterdam, omdat de schuilkerk aan de Oppert (HH. Laurentius en Maria Magdalena of Oppertse Kerk) te klein was geworden. Hij deed dit in zijn geboortehuis genaamd Het Paradijs, gelegen in de oude binnenstad tussen de Slijkvaart (later Lange Torenstraat) en de Delftsevaart, niet ver van de St. Laurenskerk. De kerk werd gewijd aan Petrus en Paulus, en stond in het begin ten dienste van de klopjes, maar werd later in 1649 door Philippus Rovenius erkend als een zelfstandige gemeente.

In 1718 werd aan de Lange Torenstraat op de plaats van een te klein geworden kapel een nieuwe schuilkerk gebouwd die een jaar later gereed kwam. De kerk werd ingericht met beeldhouwwerken van Alexander Dominicus Pluskens. Bij het Utrechts schisma van 1723 koos de parochie samen met haar zusterparochie van de Oppertse Kerk de kant van het Utrechtse kapittel, waardoor zij ging behoren tot de Oud-Bisschoppelijke Clerezie (later Oud-Katholieke Kerk van Nederland). Pas toen het gebouw in 1901 een nieuwe voorgevel kreeg was het van buitenaf als kerk herkenbaar.

In 1907 werden er verzakkingen en vermolming van het hout van de galerijen geconstateerd waarna de kerk wegens bouwvalligheid niet meer gebruikt kon worden. Men besloot naar ontwerp van architect Petrus Augustinus Weeldenburg aan de Nieuwe Binnenweg een nieuw kerkgebouw te doen verrijzen. In 1908 werd met de bouw begonnen en in op 30 juni 1910 werd de nieuwe kerk geconsacreerd door mgr. N.B.P. Spit, bisschop van Deventer en pastoor van de Paradijskerk.

De kerk valt op door zijn twee torens in barokstijl die beide 50 meter hoog zijn. Slechts in de rechter toren bevinden zich luidklokken. De eerste klok is in 1960 door parochianen geschonken bij het vijftigjarig bestaan van de Paradijskerk. Tot die tijd had de kerk geen klokken. De vier luidklokken worden met de hand geluid.

De foto is gemaakt door ‘ontdek uw stad’ en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Hofplein, 1937

Het Hofplein met een vrachtwagen van de De Maasbode en op de achtergrond café-restaurant Loos, 1937-1939.

Het Hofplein herinnert aan de ridderhofstad Weena, die noordoostelijk van het huidige Hofplein was gelegen. De Hofdijk komt al in 1397 in bronnen voor. Het slot wordt reeds in 1306 vermeld. De oorspronkelijke Hofdijk stamde uit de 13de eeuw en strekte zich langs de Rotte uit tot het Zwaanshals en de Oudedijk.

Het Hofplein ontstond in de eerste helft van de 19de eeuw nadat de Kolk of Gracht tussen de Delftse Poort en de Hofpoort was gedempt. Van 1853 tot 1875 was het plein als veemarkt ingericht. De oudste naam is Hofpoortplein naar de Hofpoort die daar stond en in 1833 is afgebroken. In 1908 werd aan het plein het station van de Zuid-Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij, de lijn Rotterdam-Scheveningen, geopend. Bij besluit B&W 13 september 1949 ontving het verkeersplein op het kruispunt Coolsingel, Weena, Schiekade, Pompenburg de naam Hofplein.

Station Hofplein was het Rotterdamse eindpunt van de Hofpleinlijn, de voormalige ZHESM lijn tussen Rotterdam en Scheveningen. Het station was tot juni 2006 in gebruik bij de NS en vervolgens bij de RET als eindpunt van RandstadRail, tot de sluiting van het station in augustus 2010.

Het stationsgebouw op deze plaats werd geopend op 1 oktober 1908. Het bijzondere halfronde gebouw, ontworpen door Jacobus Pieter Stok werd gebouwd aan het drukke vooroorlogse Hofplein, dat even ten oosten lag van het huidige Hofplein. Het stationsgebouw werd gescheiden van het emplacement en de perrons door het luchtspoor Rotterdam-Dordrecht. Onderlangs was een passage. Het stationsgebouw kwam op de plaats van enkele woningen en koffiehuizen, waaronder dat van het later bekend geworden café Loos. Loos heeft deze gedwongen situatie in zijn voordeel omgezet door zich tijdelijk onder het emplacement en later, prominent, in het stationsgebouw te vestigen. Het stationsgebouw werd vernield tijdens het bombardement van 14 mei 1940.

De fotograaf is J. Tieman en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Coolsingel 1937

De Coolsingel met links de hoek van de Aert van Nesstraat, 1937.

Het ambacht Cool komt al voor omstreeks 1280. In 1596 kocht de stad de ambachtsheerlijkheid Cool, Blommersdijk en Beukelsdijk van Jonkheer Jacob van Almonde. Een gedeelte van het grondgebied van Cool was reeds in 1358 bij de stad getrokken na de vergunning van hertog Aelbrecht van Beieren om grachten om de stad te graven en het stadsgebied te vergroten met het Rodezand in het ambacht Cool. De Coolvest scheidde voortaan stad en ambacht. In 1480 is er al sprake van de singel tegenover de vest achter Bulgersteyn, later Coolsingel genoemd. De singel is in verband met de aanleg van een brede verkeersweg in de jaren 1913-1922 geheel gedempt. De naam Coolvest is daardoor verdwenen.

Aert Jansse van Nes (Rotterdam, ged. 13 april 1626 – aldaar, 13 of 14 september 1693) was een Nederlandse marineofficier uit de 17e eeuw.

Aert ging op zijn elfde naar zee. Bij het begin van de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog van 1652-1653 had Van Nes zich opgewerkt tot schipper (de hoogste onderofficier) van een gewapende koopvaarder onder bevel van zijn vader. Op 23 augustus 1652 werd Van Nes door de Staten van Holland als directe vervanger van zijn overleden vader tot kapitein van de Gelderland benoemd, toen dat schip enige tijd door de Fransen geïnterneerd was in de haven van La Rochelle. Hij vocht in de Driedaagse Zeeslag, de Zeeslag bij Nieuwpoort en de Slag bij Ter Heijde. Ook deed hij mee aan het ontzet van Danzig in 1656 en aan de expeditie tegen Portugal in 1657. Daarbij won hij twee ‘prijzen’, dat wil zeggen dat hij twee schepen buitmaakte.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Het parkeerterrein aan het Beursplein en de Blaak, 1937

Dit plein dankte zijn naam aan het oude beursgebouw alhier. Op 9 februari 1635 besloot de vroedschap de vismarkt op het oosteinde van de Noordblaak tot beursgebouw in te richten ter vervanging van de oude Beurs aan het Haringvliet. In de jaren 1722-1736 werd ze verbouwd naar een ontwerp van de beroemde schilder en bouwmeester ridder Adriaan van der Werff (1569-1722). Ze zou ruim twee eeuwen het commerciële centrum van de stad vormen. In het begin van de negentiende eeuw werd de binnenplaats van de Beurs overdekt met een gietijzeren koepeldak.

Na de voltooiing van de Beurs in 1736 werd de oude Gapersbrug over de Blaak vervangen door een nieuwe brug. In 1826 werd deze gesloopt. Hiervoor in de plaats kwam een breed overwelfd brugplein, dat beursbrug en later Koninginnebrug heette. Het pleintje aan de voorzijde van het beursgebouw kreeg de naam Beursplein. Toen door de aanleg van het spoorwegviaduct en de bouw van het Beursstation de brug in 1872 werd afgebroken, ontstond op deze plaats een groot plein dat onder de naam Beursplein bekend werd. Het plein kwam in het begin ook voor onder de naam Dam. De Beurssteeg lag achter het beursgebouw en liep van de Vissersdijk naar het Beursplein. De Beurs werd verwoest tijdens het bombardement van 14 mei 1940. Bij besluit B. 30 juni 1942 zijn de namen Beursplein en Beurssteeg ingetrokken.

De betekenis van de naam Blaak is niet geheel zeker. Het is heel goed mogelijk dat de naam is afgeleid van het Zuidnederlandse woord ‘blak’, dat stil rustig water betekent. Ook kan gedacht worden aan het Middelnederlandse ‘blec’, dat de betekenis heeft van ‘Land, dat even boven het water uitkomt’. De Blaak was de oude vest voor de uitleg van de stad in het laatst van de 16de eeuw. In de stadsrekeningen van 1480/81 en 1481/82 wordt deze vest ‘die Blake’ genoemd.

De foto is gemaakt door de Gemeentelijke Technische Dienst en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Stadion Feijenoord 1937

Het pas gebouwde Stadion Feijenoord met publiek op de tribunes tijdens een wedstrijd van de club, 1937.

Al decennialang is Feyenoord de ‘bewoner’ van De Kuip. Het stadion is ontworpen door architect Van der Vlugt. Grote man achter dit idee was Leen van Zandvliet. De voorzitter van Feyenoord in de jaren 30 riep op een dag uit “Ik heb het, ik heb het!” Hij was wakker geworden uit een droom; hij schreef het idee snel op een kladblok. De vorm van het stadion, met een ‘loshangende‘ tweede ring zodat niets het uitzicht van de toeschouwers zou belemmeren, zou zijn droom tot hem zijn gekomen. Enkele maanden later werd architect Van der Vlugt uitgenodigd voor een gesprek. Een stadion met twee verdiepingen moest gerealiseerd worden. De kern van het gesprek was ‘eenvoud’, verfraaiingen kwamen er niet aan te pas.

In 1934 maakte Van Zandvliet enkele trips naar het buitenland om op zoek te gaan naar andere, soortgelijke stadions. Het Highbury van Arsenal FC maakte indruk op hem. Dat had namelijk ook sinds 1932 twee verdiepingen, hetzelfde idee als Van Zandvliet dus. Van Zandvliet vond dat de enorme toestroom van publiek tijdens wedstrijden van Feyenoord de bouw van een modern voetbalstadion met plaats voor tienduizenden toeschouwers rechtvaardigde. Hij ondernam tevens een studiereis naar Amerika en bezocht het stadion van de Boston Red Sox wat hem inspireerde om deze nieuwe inzichten van faciliteiten gecombineerd met meerdere lagen waarvanuit elk gezichtspunt de wedstrijd toch goed te zien zou zijn te verwezenlijken. Voor de financiering steunde hij op havenbaron Daniël George van Beuningen.

Eind 1934 werd er contact gezocht met Braat-constructiewerkplaatsen. Die wilde de taak op zich nemen en ging aan de slag. Een voetbalwedstrijd duurt twee keer drie kwartier. Tussendoor moet men spanning kwijt en wat kunnen eten. Zo zijn er dus zowel onder als boven toiletten tussen de stalen spanten gebouwd. Tevens moest er plaats zijn voor een vergaderruimte, een werkvloer, kleedlokalen, een hokje voor de officials en er is een politiebureau en ook nog een brandweerkazerne en het bevat ook nog eens 4 woningen. De trappen aan de buitenzijde van het stadion konden tevens als tribune dienen voor het trainingsveld.

Van Zandvliet had haast; zo gauw er een bouwtekening klaar was, gaf hij direct de opdracht om te beginnen met de bouw van het stadion. De eerste paal werd geslagen door Puck van Heel op 16 september 1935. Daarna werden er nog 578 heipalen 21 meter diep de grond ingeslagen. De bouw van het stadion werd in 1936 afgerond, maar doordat de door de gemeente beloofde infrastructuur rondom het stadion nog niet was aangelegd, stond het stadion er maandenlang onbruikbaar bij en vond de opening pas in maart 1937 plaats.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Schiedamseweg 1937

Gezicht op de Schiedamseweg met rechts op de voorgrond de Spanjaardstraat, 1937.
De Schiedamseweg is de naam van de weg, die van Delfshaven naar Schiedam loopt. Bij besluit B&W 19 mei 1933 werd deze naam eveneens gegeven aan het gedeelte van de Mathenesserdijk tussen Marconiplein en de grens van Schiedam.
De straatnaam Spanjaardstraat herinnert aan de bezetting door de Spanjaarden. Zij hielden van 10 april tot 21 juli 1572 verschrikkelijk huis in Delfshaven. Na hun vertrek werd de havenplaats rondom met wallen en schansen versterkt.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Wilhelminakade 1937

Bluswerkzaamheden tijdens een brand in het pakhuis Sumatra van Pakhuismeesteren aan de Wilhelminakade, 1 november 1937.

‘Pakhuismeesteren’ is het meervoud van ‘pakhuismeester’. Een pakhuismeester is een opzichter van een pakhuis. Van Dale vermeldt tegenwoordig als synoniemen magazijnbaas, magazijnhouder en stapelmeester. Als meervoudsvorm werden pakhuismeesters en pakhuismeesteren willekeurig naast elkaar gebruikt. Het was destijds ook de benaming van een door de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) en later door het gouvernement aangestelde ambtenaar die belast was met het toezicht op de pakhuizen waarin de koloniale waren werden opgeslagen. Pakhuismeester(en) was aanvankelijk uitsluitend de benaming van een activiteit, een beroep, die echter later ook doordrong tot de firmanamen van bedrijven die zich met die dienstverlening en daarmee verband houdende handel bezighielden.

Na haar oprichting in 1818 nam ‘Pakhuismeesteren van de Thee’ een deel van de Rotterdamse theehandelsactiviteiten van de V.O.C. over. De laatste was hierin actief tot haar nationalisatie in 1795, kort na het begin van de Bataafse Republiek. De Rotterdamse tak van de V.O.C. en later dus Pakhuismeesteren van de Thee waren destijds gevestigd in het Oost-Indisch Huis aan de Boompjes, dat in de Tweede Wereldoorlog als gevolg van het bombardement verloren ging. De firma ‘Pakhuismeesteren van de Thee’ werd destijds opgericht door de bekende families Voorhoeve, De Monchy en Van Rossem.

De komst naar Rotterdam in 1862 van de eerste petroleum was voor Pakhuismeesteren de start om zich intensief met de opslag van petroleum en andere aardolieproducten bezig te gaan houden. Daar kwamen later andere vloeibare stoffen bij. Die tankopslag en de distributie van chemicaliën hebben in de loop der jaren, samenlopend met de fusies tussen Pakhuismeesteren en Blaauwhoed tot Pakhoed in 1967, en daarna die van Pakhoed en Phs. Van Ommeren tot Koninklijke Vopak in 1999, de op- en overslag van stukgoederen geheel verdrongen.

Op de Wilhelminapier in Rotterdam staat tussen de Wilhelminakade en de Otto Reuchlinweg nog een veemgebouw van het voormalige Pakhuismeesteren, dat niet meer in gebruik is, maar dat alle vooroorlogse kenmerken van een dergelijk pakhuis in zich draagt. Er zijn vergevorderde plannen om het pand te renoveren en boven op het bestaande pakhuis appartementen te bouwen. Architect Fumi Hoshino maakte het ontwerp. In het pakhuis zullen ongeveer 2500 m² detailhandel en 437 m² vloeroppervlakte horeca gevestigd worden. Op de eerste en tweede etage komt 4500 m² kantoorruimte. Het lijkt erop dat de toekomstige exploitant van dit voormalige veemgebouw het wil vernoemen naar de vroegere eigenaar Pakhuismeesteren. Deze bedrijfsnaam staat nog steeds op de gevel van het pand.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Vierwindenstraat 1937

De Vierwindenstraat met op de achtergrond de Westewagenstraat, 12 mei 1937.

Deze straat heette naar het huis ‘de Vier Winden’ of ‘de Vier blasende Winden’, op de hoek van de Westewagenstraat en deze straat. Zij liep van de Westewagenstraat naar het Rodezand. De straat kwam in de 16de eeuw ook voor als Susterenstraat naar het Sint Agathaklooster of Witte Zusterhuis, over het terrein waarvan de straat is aangelegd. Ten noorden van het kloostercomplex was een huis als weeshuis ingericht. In 1579 kochten de weeshuismeesters naast het weeshuis een huis en erf aan om op deze plaats een straat aan te leggen. Vanwege de ligging werd de straat ook wel Nieuwe Weeststraat genoemd. Sinds het laatste deel van de 16de eeuw kwam ze ook voor onder de naam Wingerdstraat. Deze naam, misschien wel de oudste, zal waarschijnlijk zijn ontleend aan een huis ‘de Wingerd’ dat in de Westewagenstraat stond. In 1519 wordt in de Westewagenstraat een ‘Neeltgen in de Wingaert’ vermeld. Omstreeks het midden van de 17de eeuw is de naam Vierwindenstraat in gebruik geraakt. De naam Wingerdstraat bleef daarnaast echter nog lang bestaan.

De Westewagenstraat komt al voor in 1363, evenals de Wagenbrug aldaar op het Westeinde. Later wordt ze ook Delftsche Wagenstraat genoemd, omdat ze de ‘rijweg’ was naar Delft. Hier hadden zich wagenverhuurders gevestigd, voer het wagenveer af en konden boeren en buitenlui , die de Delftsepoort waren binnengetreden , hun paarden stallen. Ook wagenmakers en hoefsmeden oefenden daar hun bedrijf uit. Het gedeelte van de Oude Westewagenstraat, dat lag tussen de Hoogstraat en de Sint-Laurensstraat, heette tot 1902 Korte Westewagenstraat. De huidige Westewagenstraat ligt op dezelfde plaats als de vooroorlogse straat van die naam. Alleen het gedeelte ten noorden van de Meent vormt thans een gedeelt van het Haagseveer.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Vasteland 1937

Het Vasteland vanuit het westen, links de toegang tot de Schiedamsedijk, 1937.

Het Vasteland is de naam die de kopers van erven op het einde van de westzijde van de Leuvehaven bij de Zoutkeet aan dit gebied gaven. Zij voerden in 1620 een proces met de stad. De kopers vonden zich benadeeld door de kosten, die ze hadden moeten maken om hun erven te verhogen. De grond verzakte regelmatig, slechts een gedeelte in dit gebied lag op vaste bodem. Het gebied stond eerst bekend als Stadsplein; omstreeks 1720 komt de naam Vasteland in gebruik.

De Schiedamsedijk vormt een onderdeel van Schielands Hoge Zeedijk, aangelegd in het midden van de 13de eeuw. Een strook grond langs dit gedeelte van de dijk werd in 1598 als bouwgrond uitgegeven. In oude bronnen komt de straat afwisselend voor als Hoogstraat en Schiedamsedijk. In 1610 werd dit gedeelte van de dijk bestraat. Over de Schiedamsedijk en verder over Schielands Hoge Zeedijk (de latere Westzeedijk) liep de weg naar Schiedam. Het zuidelijke gedeelte van de Schiedamsedijk heette in de 17de en de 18de eeuw ook heel vaak schotsedijk vanwege het grote aantal Schotten dat zich daar had gevestigd.

Eveneens in het laatst van de 16de eeuw werd begonnen met het graven van de stadsvest, van de Binnenweg naar het Vasteland. Eerst in 1608 werd ten westen van de vest een weg aangelegd en met bomen beplant, die de Schiedamsesingel werd genoemd. De Schiedamsesingel tussen de binnenweg en de Witte de Withstraat werd rond 1900 gedempt. Tot 1930 heette dit gedeelte Schiedamsevest. Daarna sprak men van Schiedamsesingel. De demping van het resterende gedeelte volgde in 1940. In 1949 werd de naam Schiedamsevest gegeven aan de Schiedamsesingel tussen Binnenweg en Witte de Withstraat alsmede aan de in het verlengde aangelegde weg in zuidelijke richting. Het gedeelte tussen de Binnenweg en Westblaak is thans een deel van de Coolsingel

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Pannekoekstraat 1937

De Lange Pannekoekstraat, gezien vanaf de Heerenstraat, 1937.

Aan het verhaal van een van onze stadsbeschrijvers, dat in deze straat een pannekoekbakker woonde, die bij feestelijke gelegenheden de omwonenden van dit gebak voorzag, moet niet veel waarde worden gehecht. De ‘Panckoekstrate’ komt al voor in de stadsrekening van 1426/27. De herkomst van de naam is niet achterhaald. Door het aanleggen van de Nieuwemarkt in 1660 kwam een gedeelte van de straat te vervallen. Het midd.enstuk werd de oostzijde van het plein; de uiteinden werden respectievelijk Lange en Korte Pannekoekstraat genoemd. Het gedeelte ten noorden van de Nieuwemarkt en ten oosten van de Boterhal of het Boterhuis heeft kort na 1662 de naam Halstraat ontvangen. De gehele Pannekoekstraat ging bij het bombardement van 14 mei 1940 verloren. Bij bovengenoemd besluit werden de namen Korte en Lange Pannekoekstraat ingetrokken. De huidige Pannekoekstraat ligt ongeveer op dezelfde plaats als de vroegere straat, zij het dat het noordelijke gedeelte met een bocht naar links loopt. Bij besluit B. 30 juni 1942 werd de naam ingetrokken.

Al in 1522 komt er een ‘Heerstraat’ bij de Lombardstraat voor. Dat zegt overigens niets omdat in 1568 eveneens een ‘Heerstraat’ met de bijvoeging ‘genaemt de Meent’ wordt aangetroffen. De meeste nieuwe straten en stegen, die van stadswege werden aangelegd en niet aan particulieren toebehoorden, werden, voor ze een eigen naam kregen gewoonlijk zo aangeduid. De heren waren in dit geval de stadsbestuurders. De in de stadsrekening van 1426/27 vermelde Lammitgenssteeg, op het einde waarvan toen een brug bij de nieuwe vest werd gemaakt, was vermoedelijk een oudere naam voor deze straat. Zeker is, dat daar vroeger reeds een weg gelopen heeft als een verbinding van de Meent met zowel de stadsvest als de Pannekoekstraat. Aangenomen mag worden dat de naam Meent in de 16de eeuw ook wel voor de Heerenstraat voorkomt. Misschien is na 1587 laatstgenoemde naam in zwang gekomen. De straatnaam herinnert aan de Heerenstraat, die vóór het bombardement in mei 1940 in deze buurt lag. Ze lag in het verlengde van de Meent en liep van de Botersloot naar de Goudsesingel.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen