Tag Archives: 1965

Gezicht in de Gerrit van de Lindestraat, 1965

Gerrit van de Linde, pseudoniem De Schoolmeester, (Rotterdam, 12 maart 1808 – Londen, 27 januari 1858) was een Nederlandse dichter en kostschoolhouder in Engeland. Van de Linde excelleerde in het schrijven van veelal lichtvoetige en quasi-didactische gedichten. Ze behoren tot de meest gelezen en best verkochte poëzie van ons taalgebied.

Gerrit van de Linde was enig kind. Zijn vader was commissionair; zijn moeder stierf toen hij vier jaar oud was. Van de Linde studeerde theologie in Leiden vanaf 1825 en nam tijdens zijn studententijd deel aan de Tiendaagse Veldtocht. Hij had zijn studie bijna afgerond toen zijn vader besloot dat hij hem niet langer financieel kon steunen. De praktikant ontving toen geldelijke steun van Jacob van Lennep.

In 1959 maakte de historicus Kossmann bekend dat hij brieven gevonden had waaruit bleek dat Van de Linde toentertijd een verloofde had in Rotterdam, daarnaast een kind verwekt had bij de dochter van een Leidse muziekmeester, maar ook een verhouding bleek te hebben met Jeanne Mobachius Quaet, echtgenote van hoogleraar A.H. van der Boon Mesch. Volgens C.J. Soek waren er “genoeg indices om Gerrit voor alle ongelukken bij het beklimmen van den kansel te bewaren, en op den beganen grond te houden.”

Om de woedende professor, de gekwetste verloofde en de Leidse schuldeisers te ontlopen vertrok Van de Linde op 22 januari 1834, na eerst ondergedoken te zijn geweest bij een predikant in Schipluiden en in Ouderkerk aan de Amstel naar Engeland. Van de Linde sprak geen woord Engels, maar de vooruitzichten voor iemand die Hollands en Frans schreef schenen daar, of in een kolonie, vrij gunstig te zijn. Hij is de eerste jaren door de schatrijke Henry Philip Hope (1774-1839) en Van Lennep gesteund.

De foto komt uit de collectie Topografie Rotterdam en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Drukte op Koninginnedag op de Korte Lijnbaan, 1965

Drukte in de binnenstad op Koninginnedag, 30 april 1965. Links winkelpanden van House of England en van kapper John Postmus aan de Korte Lijnbaan.

Koningsdag (sinds 2014), eerder Prinsessedag (1885-1890) en Koninginnedag (1891-2013), is een nationale feestdag in het Koninkrijk der Nederlanden ter ere van het staatshoofd. In alle delen van het Koninkrijk geldt dit voor de meeste werknemers als vrije dag en wordt het gevierd met verschillende festiviteiten, waaronder de vrijmarkten en het dragen van oranje kleding. Traditioneel brengt de vorst op deze dag ook een ceremonieel bezoek aan een of meer gemeenten van het land.

Nadat koningin Juliana haar moeder Wilhelmina in 1948 had opgevolgd, werd vanaf 1949 Koninginnedag gevierd op Juliana’s verjaardag, 30 april. Terwijl koningin Wilhelmina en haar familie nooit aanwezig waren geweest bij de festiviteiten, kreeg koningin Juliana jaarlijks een bloemenhulde op Paleis Soestdijk. Vanaf de jaren vijftig was dit evenement via de televisie te volgen. Terwijl Koninginnedag in de naoorlogse jaren nog een gewone werkdag was, kregen in de loop der jaren steeds meer mensen een vrije dag, zodat 30 april kon uitgroeien tot een landelijke feestdag. In 1971 overleed kort voor Koninginnedag op 87-jarige leeftijd prinses Armgard, de moeder van prins Bernhard. Het defilé werd afgelast. Koningin Juliana woonde op haar 62ste verjaardag met alle andere leden van de Koninklijke familie de uitvaart bij van haar schoonmoeder.

Bij de troonopvolging op 30 april 1980 besloot koningin Beatrix deze dag in stand te houden als dag van aanvaarding van haar ambt als staatshoofd en inhuldiging als koningin der Nederlanden. Koningin Beatrix wijzigde ook de vorm van Koninginnedag. Op 28 januari 2013 kondigde zij aan op Koninginnedag troonsafstand te zullen doen. Vanwege Beatrix’ abdicatie en de inhuldiging van Willem-Alexander had Koninginnedag 2013 een afwijkend karakter. Het was tevens de laatste keer dat Koninginnedag werd gevierd en de laatste keer dat de nationale feestdag op 30 april viel.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking Van Rotterdam van toen

Een ja-knikker voor de oliewinning in Zomerland (IJsselmonde), 1965

Het Zomerland was oorspronkelijk een bekade en onbehuisde buitenpolder in de Riederwaard onder IJsselmonde. Het gebied lag achter een dijk, die alleen in de zomer in staat was bescherming te bieden aan watervloeden. De Zomerkade heette vroeger Zomerlandschekade.

De jaknikker is een uitvinding van Walter C. Trout, een werknemer bij een machinefabriek in Lufkin in de Amerikaanse staat Texas. Tot die tijd werd olie omhoog gehaald met pompen die voor het grootste deel gemaakt waren van hout, die een horizontale beweging omzetten in een verticale. De pomp die Trout in 1925 ontwierp, beweegt verticaal, maar werkt ook nog eens met een contragewicht, waardoor de efficiëntie toenam. De jaknikker zelf is het zichtbare gedeelte van een ondergronds mechanisch pompsysteem dat in een olieput is geïnstalleerd.

In Nederland waren van 1948 tot 2013 bij Schoonebeek in Drenthe en in Zuid-Holland jaknikkers van de Nederlandse Aardolie Maatschappij actief.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Van der Sluysstraat, 1965

De Van der Sluysstraat met op de achtergrond het stationspostkantoor en rechts de Provenierskerk, november 1965.

Deze straat is vernoemd naar Simon Doedesz. van der Sluys, +1499, en diens neef Willem Jacobsz. van der Sluys, geb. 1453. Simon was sinds 1463 doctor en raad van hertog Karel van Bourgondië en van 1474 tot 1499 domproost van Utrecht. Zijn neef Willem was van 1500 tot ca. 1509 pastoor van de Sint Laurenskerk te Rotterdam. Beiden hielden zich bezig met de geschiedschrijving van Rotterdam en Schieland.

Het stationspostkantoor uit 1959 is een typisch voorbeeld van Rotterdamse wederopbouwarchitectuur. Ontwerp en uitvoering verraden iets van het karakter van het bureau van de gebroeders Evert en Herman Kraaijvanger. In de naoorlogse periode ontwierpen zij robuuste bouwwerken, niet zelden met natuurstenen elementen verrijkt en vaak voorzien van tegeltableaus van de beeldhouwer M. van der Plas. Degelijkheid, solide bouw, duurzame materialen: het zijn de kenmerken die de status van het bureau hebben bepaald. De grote bloeiperiode kwam met de wederopbouw. Als zoveel Rotterdamse architecten profiteerden de gebroeders Kraaijvanger van de verwoesting van de Maasstad op 14 mei 1940.

De fotograaf is Lex de Herder en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van 100 jaar architectuur in Rotterdam. https://couvreur.home.xs4all.nl/…/architec…/100jaar/1959.htm

Met medewerking van Rotterdam van toen

Achterhaven, 1965

De westzijde van de Achterhaven met het restant van molen De Distilleerketel, 10 april 1965. Links de Voorhaven.

De Achterhaven ligt achter, of ten oosten van, de Voorhaven in Delfshaven. De Achterhaven is gegraven volgens een concessie van 3 juli 1451, waarbij de stad Delft van hertog Philips van Bourgondi toestemming verkreeg tot het graven van een ‘nieuwe haven’. Tot de vereniging van Delfshaven met Rotterdam in 1886 werd deze zowel Achterhaven als Nieuwehaven genoemd. De straten langs de haven heetten toen Achterstraat en Achterwater. Omdat in Rotterdam eveneens een Nieuwehaven bestond, besloot men de haven en de erlangs lopende straten de naam Achterhaven te geven. In 1962 werd een gedeelte van de bebouwing van de Havenstraat en het Piet Heynsplein afgebroken ten behoeve van een doorvaartverbinding van de Achterhaven met de Coolhaven.

De Distilleerketel is een in 1986 gebouwde windmolen. Het is een stellingmolen en dus een bovenkruier. De stelling zit op 10 m hoogte. De molen staat in het Rotterdamse Delfshaven.

De molen is gebouwd naast de plek waar de oorspronkelijk in 1727 gebouwde Distilleerketel stond. Deze in 1899 afgebrande molen werd herbouwd en in 1940 tijdens oorlogshandelingen in brand geschoten. Deze molen maalde mout tot moutschroot voor de distilleerderijen.

Het besluit de molen te herbouwen kwam dusdanig laat dat herbouw op de oorspronkelijke plek onmogelijk was geworden vanwege de geplande bouw van een flat waar de stelling overheen zou komen te hangen. Bovendien was men al met de sloop van de oude molenromp begonnen. Door de Distilleerketel elf meter verderop te herbouwen, werd voorkomen dat de stelling boven de flat zou komen die naast de molen werd gebouwd. Bij de herbouw is de romp een meter hoger opgebouwd, waardoor de nieuwe molen slanker lijkt dan de oude.

De uit 1985 afkomstige bovenas is van gietijzer. De as wordt gesmeerd met reuzel en de kammen (tanden) op de tandwielen met bijenwas. De vang, waarmee het wiekenkruis wordt afgeremd, is een met een wipstok bediende Vlaamse vang.

De molen beschikte tot 2007 over de klassieke wiekvoering, met zeil en zeilrail oudhollandse tuigage; tegenwoordig zitten op de binnenroede fokwieken volgens het systeem Fauël, in combinatie met remkleppen. Vlucht van de molen is op de buitenroede 27,50 meter.

De molen heeft twee koppel maalstenen en wordt gebruikt voor het malen van graan voor consumptie.

De fotograaf is Lex de Herder en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Van Brienenoordbrug, 1965

Publiek wandelt op het wegdek van de nieuwe Van Brienenoordbrug, 30 januari 1965.

De Van Brienenoordbrug is een vaste oeververbinding over de Maas vernoemd naar het nabij gelegen Eiland van Brienenoord. Het eiland dankt zijn naam aan koopman en politicus Arnoud Willem baron van Brienen van de Groote Lindt (1783-1854). Als heer van Dordtsmonde beschikte van Brienen over visprivileges in de omgeving van Dordrecht. In 1847 verwierf hij een oord in de Nieuwe Maas dat sindsdien zijn naam draagt. Officieel kreeg het bij besluit van Burgermeester en Wethouders in 1895 de naam Eiland van Brienenoord. Op deze plek werd de van Brienenoordbrug gebouwd.

Rijkswaterstaat kwam in 1959 met het plan voor de aanleg van de van Brienenoordbrug als derde vaste oeververbinding over de Maas na de Willemsbrug (1878) en de Maastunnel (1942). De plannen voor de brug dateerde al uit de jaren dertig maar het gereserveerde geld ging toen naar de Maastunnel. De brug bestaat uit een boogbrug met in het verlengde daarvan drie basculebruggen. Ze werd in zijn geheel ter plaatse gebouwd naar ontwerp van ir. W.J. van der Eb van Rijkswaterstaat. In 1961 werd een aanvang gemaakt met de bouw, in 1962 stelde de gemeenteraad de naam van Brienenoordbrug officieel vast en op 1 februari 1965 opende koningin Juliana de brug.

Minister van Verkeer en Waterstaat, N. Smit-Kroes, gaf in 1986 het sein tot het in de grond trillen van de eerste paal voor de verdubbeling van de brug. Het project zou in 1992 klaar moeten zijn. Deze keer werd de boog niet ter plaatse gebouwd, want men wilde het scheepvaartverkeer zo min mogelijk hinderen. Op 25 februari 1989 werd de nieuwe boog naar zijn definitieve plaats gevaren en was het opnieuw Smit-Kroes die het brugdeel plaatste. De tweede van Brienenoordbrug werd geopend door J.R.H. Maij-Weggen, minister van Verkeer en Waterstaat op 1 mei 1990. Tegelijkertijd demonstreerden op de brug verpleegkundigen voor meer salaris en milieuactivisten tegen toename van het autoverkeer.

De brug werd één van de breedste en drukste autosnelwegen van Nederland. De totale lengte bedraagt 1320 meter en met zijn ruim 300 meter overspanning is het de grootste brug van Nederland. Aangezien de doorvaarhoogte ongeveer 24 meter is, moet voor een deel van de scheepvaart de brug worden geopend, een karwei dat zo’n 18 minuten duurt.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Stationsplein, 1965

Wachten bij de tramhaltes op het Stationsplein, 1965 (geschat). Hier tram 16 en rechts het Groothandelsgebouw.

In 1878 werd de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM) opgericht. De eerste paardentram in Rotterdam reed in 1879. Later reden er ook stoomtrams in en om de nog niet uitgebreide stad.

Met de invoering van de elektrische tram in 1904 werd er een nieuwe trambedrijf opgericht, genaamd: Rotterdamsche Electrische Tramweg Maatschappij (RETM). Op 18 september 1905 nam de RETM de eerste elektrische tramlijn in gebruik, lijn 1 Honingerdijk – Beurs – Park. In 1906 kwamen er nog vijf lijnen bij. In 1907 en 1908 werden er nog vier lijnen in gebruik genomen.

De RETM droeg na enkele jaren onderhandelen het trambedrijf over aan de gemeente Rotterdam. Op 4 april 1927 valt het Raadsbesluit en op 15 oktober van dat jaar wordt de RETM een gemeentelijk vervoerbedrijf en krijgt het de naam RET, de 1903 werknemers komen in dienst van de gemeente.

Het Groothandelsgebouw is een gebouw en Rijksmonument in het centrum van Rotterdam, ontworpen door de architecten H.A. Maaskant en Ir. W. van Tijen, gelegen aan het Stationsplein naast het Centraal Station van de stad en aan het Weena.

Groothandelsgebouw is zoals de naam in origine werd geschreven. Het was daarmee een “gebouw voor de groothandel”. Begin 21ste eeuw draagt het gebouw een gewijzigde naam, namelijk Groot Handelsgebouw, hetgeen met letters, inclusief de hoofdletters, boven op het gebouw wordt aangegeven.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Blaak, 1965

Kantoorgebouwen van de Algemene Bank Nederland, Gulf en Nederlandsche Middenstandsbank aan de Blaak, 1965 (geschat).

De betekenis van de naam Blaak is niet geheel zeker. Het is heel goed mogelijk dat de naam is afgeleid van het Zuidnederlandse woord ‘blak’, dat stil rustig water betekent. Ook kan gedacht worden aan het Middelnederlandse ‘blec’, dat de betekenis heeft van ‘Land, dat even boven het water uitkomt’.

De Blaak was de oude vest voor de uitleg van de stad in het laatst van de 16de eeuw. In de stadsrekeningen van 1480/81 en 1481/82 wordt deze vest ‘die Blake’ genoemd. Sinds 1577 werden erven aan de Zuidblaak door de stad verkocht als bouwgrond, sinds 1581 ook aan de Noordblaak. Tot 1613 werd de vest voor scheepstimmerwerven gebruikt. In 1867 is een gedeelte van de Blaak gedempt ten behoeve van de bouw van een nieuw postkantoor. Het resterende gedeelte is in 1940 gedempt met het puin van de huizen uit de verwoeste binnenstad. De namen Noord- en Zuidblaak voor de straten ter weerszijden van het water zijn toen vervallen.

Sindsdien geldt de naam Blaak voor de brede verkeersweg die door de demping is ontstaan. Later werd de Blaak in westelijke richting doorgetrokken. De nieuwe weg ontving de naam Westblaak. De Overblaak is de straat die over de Blaak heenloopt, en is een onderdeel van het zogeheten paalwoningencomplex. In de volksmond is hieraan de naam Blaakse Bos gegeven.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Wilhelminakade, 1965

Een groep mensen bij de Holland-Amerika Lijn op de gangway boven de Wilhelminakade, 1965 (geschat).

In 1871 werd de vennootschap Plate, Reuchlin & Co opgericht door Antoine Plate F.jn en Jhr. Otto Reuchlin, met als doel een rechtstreekse verbinding met Amerika, uitgevoerd met stoomschepen. In 1873 werd Plate, Reuchlin & Co omgezet in de NV Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij (NASM). Vlak hierna, in 1875, werd de Nieuwe Waterweg geopend, waardoor Rotterdam een belangrijke Europese haven kon worden. In deze periode werd New York een vaste bestemming. Omdat in het spraakgebruik de naam ‘Holland-Amerika Lijn’ (HAL) gebruikelijk was geworden, voegde de NASM deze naam op 15 juni 1896 aan haar statutaire naam toe, zodat de vennootschap sindsdien officieel NV Nederlandsch-Amerikaanse Stoomvaart-Maatschappij ‘Holland-Amerika Lijn’ heet, kortweg HAL. In 1973 werd de naam ingekort tot Holland Amerika Lijn NV, vanaf dat moment zonder streepje tussen Holland en Amerika.

De Wilhelminakade droeg vóór het bezoek van de vorstinnen Emma en Wilhelmina op 30 mei 1891 de naam Prinsessekade. Bij dit bezoek werd door koningin Wilhelmina in het westelijk einde van deze kade een gedenksteen geplaatst. Gedurende de oorlogsjaren 1942 tot 1945 heette de kade Stieltjeskade.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia en uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Meent 1965

Geparkeerde fietsen op de Meent met rechts op de hoek, aan het Rodezand, restaurant Wienerwald en links het gebouw van het Stadstimmerhuis, 1965 (geschat).

De Meent kan men identificeren met de in 1385 genoemde ‘der Stede wech’ en met de ‘Poortweg’, waarvan in 1404 sprake is. De naam Meent als straatnaam treft men niet aan vóór de tweede helft van de 16de eeuw. Aangenomen kan worden dat aan deze straatnaam de betekenis ‘gemeene weide’ ten grondslag lag. Dit blijkt onder meer uit een keur op de twee jaarmarkten uit de eerste helft van de 15de eeuw. De paardenmarkt moest toen gehouden worden ‘in de Lombaertstrate upte meente neffens de capelle ende aldaer omtrent’. In 1531 en later komt ‘Beestenmarkt’ voor, daarna ‘Varckenmart’, ‘Meent ende Varckenmarct’ of ‘Meent bij de Varckenmarct’. Oorspronkelijk liep de Meent van de Botersloot naar de Oppert. Ten behoeve van het toenemende verkeer werd een plan ingediend voor de aanleg van een brede straat door de oude stad, die een verbinding tussen Coolsingel en Goudsesingel zou vormen. De Heerenstraat en de Meent zouden worden verbreed en in westelijke richting worden doorgebroken. Op 19 juni 1913 aanvaardde de raad het doorbraakplan. Toen in mei 1940 de oorlog uitbrak was de nieuwe Meent voor het grootste gedeelte voltooid. In de volksmond heeft de Meent enige tijd de Doorbraak geheten. De huidige Meent ligt op dezelfde plaats als de vooroorlogse straat van die naam. Alleen het noordelijke gedeelte tussen de Botersloot en de Goudsesingel, de vroegere Heerenstraat, heeft een iets andere loop gekregen.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen