Tag Archives: 1971

Overzicht van de wijk het Lage Land in de Alexanderpolder, 1971

Overzicht van de wijk het Lage Land in de Alexanderpolder vanaf de kruising Prinsenlaan en de Jacob van Campenweg, 1971 (geschat).

De wijk het Lage Land ontstond in het begin van de jaren zestig van de 20e eeuw. De wijk werd zeer ruim opgezet (45 huizen per ha). Later heeft er enige verdichting plaatsgevonden. Toch blijft het een zeer ruime wijk met veel laagbouw.

In de beginjaren werd het Lage Land vooral bewoond door oud-inwoners van de wijken Kralingen en Delfshaven.

De naam van de wijk is ontleend aan de polder welke omstreeks 1860 door bemaling is ontstaan. Tot 1995 werd verondersteld dat het laagste punt van Nederland in deze polder lag: 6,67 meter beneden NAP. Door bebouwing vanaf de zestiger jaren was dat echter niet meer het geval. De gemeente Rotterdam heeft langs de Prinsenlaan, een van de grote ontsluitingswegen van de wijk, een monument aangelegd, omgeven door een vijverpartij.

In 1995 bleek uit een officiële meting echter, dat hier niet het laagste punt van Nederland ligt. Het allerlaagste punt van Nederland is een weiland in de Zuidplaspolder ten noordoosten van Nieuwerkerk aan den IJssel op een diepte van 6,76 meter onder NAP. Aan de rand van dit weiland, langs de snelweg A20, staat inmiddels ook een monument.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Van Oldenbarneveltplaats, 1971

Platenzaak Disk aan de Van Oldenbarneveltplaats, 1971 (geschat).

Uit het NRC van 27 juli 1982:
ROTTERDAM, 27 juli — In 1978 brak de verkoop van geluidsdragers, platen en cassettes, alle records. Vooral de toegenomen belangstelling voor het populaire genre, in het bijzonder de discomuziek, zorgden voor een omzet in de platenbranche van 629 miljoen gulden. Sinds dit topjaar is de afzet sterk gedaald. In 1979 werd voor 595 miljoen en in 1980 nog maar voor 540 miljoen gulden aan platen en cassettes besteed. Volgens de meest recente cijfers van de Nederlandse vereniging van producenten en importeurs van beeld- en geluidsdragers, de NVPI, is er ook vorig jaar een teruggang geweest: naar 530 miljoen gulden. De teruglopende verkoop komt vooral op rekening van -grammofoonplaten, die 87 procent uitmaken van de totale verkoop van geluidsdragers. Vorig jaar was de omzet daarvan tien miljoen gulden lager dan in 1980 (465 miljoen in plaats van 475 miljoen gulden). De verkoop van muziekcassettes, voorbespeelde bandjes, bleef met een waarde van 65 miljoen gulden gelijk aan het jaar daarvoor.

Om de malaise op de platenmarkt te verklaren wijzen detailhandel en fabrikanten op het afnemende besteedbaar inkomen van de consument, concurrentie, van andere vrijetijdsartikelen als sportfietsen en surfplanken en het thuis kopiëren van platen op onbespeelde cassettes. Door dit laatste verschijnsel, het zogenaamde ‘home-taping’, derft de fonografische industrie volgens eigen schatting 129 miljoen gulden per jaar. Ook het ontbreken van kassuccessen en van artiesten die het publiek massaal naar de platenzaken lokken, zou de verkopen hebben gedrukt. Groepen als de Beatles en de Rolling Stones, die in de -jaren zestig voor een constante stroom hits zorgden, hebben zich niet meer aangediend. Een andere verklaring voor de recessie op de platenmarkt is het wegblijven van de oudere consument (25 tot 40 jaar). Het populaire repertoire voor deze leeftijdsgroep, aangeduid met middle of the roadmuziek — simpele, goed in het gehoor liggende melodieën — zou in het verleden zijn verwaarloosd.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het NRC van 27 juli 1982 (via delpher.nl).

Met medewerking van Rotterdam van toen

De noordelijke oprit van de Willemsbrug in 1970-1971

De brug verbindt de rechteroever van de Nieuwe Maas met het Noordereiland. De huidige brug is de tweede Willemsbrug. De eerste werd ontworpen door C.B. van der Tak, werd in 1878 opengesteld en vernoemd naar koning Willem III. De tweede brug is ontworpen door Cor Veerling en is opgeleverd in 1981.

In 1927 werd de brug enkele meters opgevijzeld en van zijn ornamenten ontdaan. Ook werden het fiets- en voetpad naar de buitenzijde van de brug verplaatst, omdat het sterk toegenomen wegverkeer voor steeds gevaarlijkere situaties zorgde. De Willemsbrug was tot de opening van de Maastunnel tijdens de Tweede Wereldoorlog de meest westelijke vaste oeververbinding over de Maas, zodat ook het steeds belangrijker wordende internationale verkeer gebruik maakte van deze verbinding dwars door het oude centrum van Rotterdam.

Al voor de Tweede Wereldoorlog waren er plannen om de oude brug te vervangen. Geldgebrek leidde ertoe dat pas in 1981 de nieuwe tuibrug van Cor Veerling van de Dienst Gemeentewerken verwezenlijkt werd. Twee rode jukken van 50 meter hoogte dragen het wegdek. De op- en afritten van de brug zijn enigszins wonderlijk – ze liggen niet in het verlengde van de brug maar maken een bocht van 90 graden. De brug zou in eerste instantie de Maasboulevard rechtstreeks met de Oranjeboomstraat verbinden. Dat stuitte op bezwaren van omwonenden, die niet wilden dat de Oude Haven zou worden doorsneden en de Oranjeboomstraat tot stadssnelweg getransformeerd zou worden.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De zesdaagse van Rotterdam, Ahoy 1971

Burgemeester en wethouders tijdens de Zesdaagse van januari 1971. Op de fiets links burgemeester W. Thomassen, naast hem wethouder H. v.d. Pols, en daarnaast oud-wethouder R. Langerak. De wielrenner geheel rechts is ir. B. Fokkinga, directeur Dienst Stadsontwikkeling.

De wielersport is sinds eind negentiende eeuw populair in Rotterdam. In die tijd mochten bezitters van een twee- of driewieler niet zomaar de openbare Rotterdamse weg op. Het hoofd van de politie gaf pas een vergunning af als de fietser een cursus bij een rijwielschool had gevolgd. Hoewel de voetbalsport in die periode aan een snelle opmars bezig was, was de wielersport toch populairder.

Tegen het einde van de negentiende eeuw waren de wedstrijdfietsen al een stuk verbeterd. In de verslagen werden ze aangeduid als ‘karretjes’. Op deze wedstrijdfietsen werd ook de bekende THOR-wedstrijden Rotterdam-Utrecht-Rotterdam verreden. De eerste wedstrijd, verreden in 1893, werd gewonnen door de sportman bij uitstek, de niet-Rotterdammer Jaap Eden. Hij werd in de jaren negentig van die eeuw onder meer driemaal wereldkampioen schaatsen en tweemaal wereldkampioen bij het wielrennen. Het fenomeen Jaap Eden was een van de sporters die er voor zorgde dat de sportbeoefening in Nederland aanzien kreeg.

Rotterdam bleef ook in de twintigste eeuw het decor voor wielerwedstrijden. Zo werd op 29 juli 1923 aan de Kralingseweg voor uitverkochte tribunes de Rotterdamse wielerbaan geopend. Het was een mooie houten baan, waar nationale wedstrijden werden gehouden.
De bekendste wielrenners uit die dagen reden er hun wedstrijden. De wielerbaan werd in 1934 alweer gesloopt.

De Zesdaagse van Rotterdam ontstond in 1936. De allereerste wielerzesdaagse werd in november van dat jaar gehouden in de voor dat doel speciaal aangepaste en verwarmde Nenijtohal. Wat nu Ahoy voor de wielerwereld is, was toen – heel bescheiden – de Nenijtohal. In 1937 volgde nog een Zesdaagse, maar wegens een slechte organisatie is het daarna afgelopen. Pas in 1968 en 1969 keerde het wielerfestijn terug in Rotterdam, nu in de Energiehal. Vanaf 1971 werd het beter toegeruste Ahoy’-complex, dat over een wielerbaan beschikt, jaarlijks de plaats waar de wielrenners in koppels hun rondjes rijden. Vele tienduizenden bezoekers wisten hun weg naar het wielerfeest in Ahoy te vinden. De Zesdaagse ontwikkelde zich onder leiding van oud-Zesdaagse legende Peter Post van een honderdvierenveertig uur durende koers tot een zes-avonden-wedstrijd met meer spektakel. In 1988 komt aan de traditie een eind vanwege de steeds hogere kosten. Pas in januari 2005 keerde de Zesdaagse na zeventien jaar afwezigheid weer terug naar Rotterdam. De comeback van de Zesdaagse was te danken aan de inspanningen van de vroegere gangmaker Joop Zijlaard en zijn zoon Michael. Zij vonden dat Leontien Zijlaard-Van Moorsel, na vier olympische gouden medailles, negen wereldtitels en een baanrecord, een groots afscheid verdiende in de stad waar het drietal woonde. Leontien Zijlaard-Van Moorsel kreeg haar spectaculaire afscheid en bovendien bleek na zes avonden de Rotterdamse Zesdaagse een kostendekkend succes te zijn. De jarenlange wielertraditie uit de jaren zeventig en tachtig werd definitief voortgezet.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Zwart Janstraat, 1971

In het pand van een oude slagerij in de Zwart Janstraat wordt een filiaal van de Hollandsche Bank Unie gevestigd, 1971 (geschat).

De Spaanse terreur is de benaming van de schermutselingen van 9 april 1572, waarbij Spaanse soldaten na de inname van de stad ongeveer 40 Rotterdamse burgers doden, onder wie burgemeester Jan Jacobsz Roos en de smid Swart Jan.

Het strenge bewind van de Spaanse koning Filips II als landsheer van de Nederlanden leidt tot een opstand, waarbij Willem van Oranje vanaf 1568 ook geuzen gebruikt. Rotterdam, en in ieder geval het stadsbestuur, is rond 1570 nog erg Spaansgezind en neemt ter beveiliging van haar handel en scheepvaart deel aan de bestrijding van de geuzen die op 1 april 1572 Brielle innemen en op 7 april ook Delfshaven.

Spaanse troepen trekken vervolgens naar Rotterdam om van daaruit Delfshaven te heroveren. Bij hun aankomst op 8 april gaat het echter mis: een beschonken menigte houdt de Spanjaarden bij de Oostpoort tegen, zodat zij de nacht buiten moeten doorbrengen. De volgende dag, 9 april, mogen de getergde Spanjaarden wel de stad in trekken, maar de intocht van soldaten in grote aantallen loopt uit op gewelddadige schermutselingen waarbij ongeveer veertig Rotterdammers de dood vinden. Onder de Rotterdammers die daarbij worden vermoord, bevinden zich de stadsbestuurder Jan Jacobsz. Roos en de smid ‘Swart Jan’, die als eerste sneuvelde bij de Oostpoort. Tegenwoordig herinneren de Burgemeester Roosstraat en de Zwartjanstraat in de wijk het Oude Noorden nog aan de Spaanse terreur.

Nadat in 1549 een primitief houten beeld van Erasmus is gemaakt, wordt in 1557 bij de voltooiing van de brug over de Steigersgracht (Grotemarkt) aldaar een blauw arduinstenen beeld van Rotterdams beroemdste zoon geplaatst. Tijdens de gewelddadige gebeurtenissen van 9 april 1572 besmeuren de Spanjaarden dit beeld, schieten het stuk en smijten het in het water, naar verluidt hiertoe aangezet door een fanatieke Spaanse kapelaan met een grote afkeer van Erasmus.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Lijnbaan-Stadhuisplein 1971

Het beeldhouwwerk ‘Spelende beertjes’ van de Noorse beeldhouwster Anne Grimdalen op de Lijnbaan, met op de achtergrond het Stadhuisplein, 30 november 1971.

De Spelende beertjes zijn symbolisch voor de hartelijke banden tussen Rotterdam en Oslo. In 1951 kreeg de Maasstad van de Noorse hoofdstad (voor de eerste maal) een kerstboom, een traditie die tot op de dag van vandaag voortduurt. In 1956 besteedde de net nieuwe Lijnbaan aandacht aan Oslo met een tentoonstelling die werd geopend door de burgemeester van Oslo. Toen de tentoonstelling sloot, kreeg de Vereniging Winkelpromenade van de Noorse ambassadeur dit beeld van twee spelende beertjes aangeboden van de Noorse beeldhouwer Anne Grimdalen. De vereniging schonk het weer aan de Rotterdamse burgemeester Van Walsum, die het werk een definitieve bestemming gaf op de gloednieuwe winkelstraat. Het is een vrolijk beeld dat weliswaar op een sokkel staat, maar toch zo dichtbij de grond dat het lijkt of de beren samen ravotten over de grond. Het bevindt zich op ooghoogte van kleine kinderen, die het werk vaak bijzonder aanspreekt. De twee bronzen dieren vormen samen een compacte bal, waarvan de vorm terugkeert in het ronde plateau waar ze op steunen. De Spelende beertjes passen mooi in het ensemble van bronzen beeldjes op en rond de Lijnbaan, zoals het Lezend meisje en de Trommelslager.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van http://www.bkor.nl/kunstwerken/spelende-beertjes/

Met medewerking van Rotterdam van toen

Uitkijktoren diergaarde Blijdorp 1971

D uitkijktoren van Diergaarde Blijdorp met op de voorgrond een ijsbeer, 1971 (geschat).

Het ontwerp van de nieuwe dierentuin is van Sybold van Ravesteyn, waarbij traliewerk en hekken zo veel mogelijk zijn vermeden en vervangen door greppels en grachten. De verwarmde binnenverblijven en ruime leefweiden waren toentertijd uniek in de wereld.

Op 7 juli 1940 werd het noordelijk gedeelte geopend en in december was de nieuwe diergaarde geheel open. Van Ravesteyn had de dierentuin zo ontworpen dat er een symmetrieas door het park liep, waarop de betonnen gebouwen lagen: de Rivièrahal, de 47 meter hoge uitkijktoren, het roofdiergebouw, de grote vijver en het theehuis. Aan weerszijden van deze as lagen grote weiden voor hoefdieren als bizons en zebra’s.

Ter gelegenheid van het 100-jarige jubileum in 1957 werden tegels met gestileerde dierenfiguren vervaardigd door Groeneveldts aardewerkfabriek. In dit jubileumjaar werd ook het predicaat Koninklijk verleend en werd de naam gewijzigd in Stichting Koninklijke Rotterdamse Diergaarde. In 1963 werd de Vereniging Vrienden van Blijdorp opgericht. De vereniging ondersteunt de diergaarde financieel, waardoor onder andere in 1965 het Henri-Martinhuis kon worden gebouwd, een gebouw voor kleine apen en nachtdieren. In 1972 werd de markante uitkijktoren wegens bouwvalligheid afgebroken. In 1984 werd in Blijdorp het eerste olifantje geboren, een Aziatische olifant met de naam Bernhardine, vernoemd naar Prins Bernhard. Bernhardine is voor zover bekend de eerste olifant die werd geboren in een Nederlandse dierentuin. Inmiddels zijn er zo’n tien olifanten geboren in Blijdorp.

In 1988 kwam Blijdorp met een masterplan, dat de hele dierentuin heeft veranderd. Volgens het masterplan worden dieren per werelddeel geordend, in natuurlijk ogende biotopen. Daarbij worden niet alleen dieren, maar ook planten en culturele elementen uit het nagebootste biotoop getoond. De eerste jaren stonden deze aanpassingen in het teken van Azië. Zo werd in de lente van 1991 de vleermuisgrot geopend, waar bezoekers vrij tussen honderden vliegende roezetvleermuizen konden lopen. In 1992 werd de wolvenvallei geopend, het eerste nieuwe verblijf voor Europese dieren, een groot bosrijk verblijf waar een roedel wolven wordt gehouden.

In 1994 volgde Taman Indah, het grote verblijf voor onder meer Aziatische olifanten, Indische neushoorns en Maleise tapirs. In 1999 werd het Afrikaanse Gorilla-eiland geopend en in 2000 volgde het Oceanium. Het Oceanium werd gebouwd op een 11 hectare grote uitbreiding van de dierentuin aan de andere kant van de spoorlijn naar Den Haag. De totale oppervlakte van de dierentuin is nu ongeveer 28 hectare.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Schouwburgplein 1971

Concertgebouw en congrescentrum De Doelen vanaf het Schouwburgplein, links zichtbaar het Bouwcentrum, 14 mei 1971.

Een doelen was een oefenplek voor boogschutters, vaak met een sociëteit erbij. In de doelen van het Rotterdamse schuttersgilde gaven stadsmuzikanten regelmatig concerten. Met de opening van ‘De Doelen’ in 1966 werd deze traditionele naam voor een concertruimte in ere hersteld.

Deze naam komen we voor het eerst tegen in de 17e eeuw, toen door een groep stadsmuzikanten regelmatig concerten werden gegeven in een gebouw genaamd ‘De Doele’; het stond aan het Haagscheveer, dicht bij de Delftsche Poort.

Dit gebouw was een vervanging van de in verval geraakte ‘Sint Joris Doele’, dat sinds de middeleeuwen de sociëteit was geweest van het gilde van de voetboogschutters. Voetboogschutters oefenden in het boogschieten op ‘doelen’. De naam ‘Doelen’ komt dan ook in veel andere steden voor en verwijst dan vaak naar het oefenterrein van de voormalige schutterij.

In 1844 werd ter vervanging van De Doele aan het Haagscheveer de Groote Doelezaal aan de Coolsingel geopend, maar deze moest een kleine eeuw later, in 1930, wegens bouwvalligheid worden gesloten. In 1934 werd de nieuwe, herbouwde Doelezaal in gebruik genomen. Deze werd in mei 1940 bij het bombardement van Rotterdam verwoest.

De eerste paal voor het huidige gebouw werd op 9 juli 1962 geslagen door Eduard Flipse (dirigent van het RPhO). Op 18 mei 1966 werd de nieuwe Doelen geopend. Hiermee werd een traditionele naam in ere hersteld. De goede akoestiek van het nieuwe gebouw wordt geroemd.

Het nieuwe concert- en congresgebouw was tevens een bekroning van de wederopbouw in de eerste twee decennia na de oorlog. Daarom was de opening speciaal op de traditionele Opbouwdag 18 mei. Het ontwerp is van de Rotterdamse architecten H.M. en E.H.A. Kraaijvanger in samenwerking met R.H. Fledderus.

In 2009 zijn de Grote Zaal, de foyers en de ontvangstruimte gerenoveerd. Hierbij werden onder meer het klimaatsysteem en alle stoelen vervangen, maar de opvallendste vernieuwing was het grote zwevende “technisch plafond” met microfoons en andere apparatuur boven het podium.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Boekendepot “Maasstad”, Graafstroomstraat 1971

Verkoop van het Feyenoordboek Geen Woorden maar Daden in Algemeen Boekendepot ‘Maasstad’ in de Graafstroomstraat met zittend Coen Moulijn en (schrijver) Phida Wolff, staand Wim Jansen en trainer Ernst Happel, oktober 1971.

Moulijn debuteerde op zijn zeventiende voor de Rotterdamse club Xerxes, waar hij in zijn jeugd Faas Wilkes zag voetballen. Hij was 1 meter 72 lang en woog 62 kilo. De toenmalige linksbinnen toonde aan over talent te beschikken. In de zomer van 1955 kocht stadgenoot Feyenoord de dribbelaar voor 28.000 gulden, destijds een groot bedrag. Met dit bedrag kaapte de stadionclub de speler weg voor de neus van rivaal en stadgenoot Sparta.

Bij Feyenoord won Wim Jansen veel prijzen. Hij won er onder andere de Nederlandse beker, werd er drie keer landskampioen en won in zijn topjaar in 1970 ook nog eens de Europacup I plus de wereldbeker. In 1974 werd dat nog eens gevolgd door de UEFA Cup.

Na zijn periode bij Feyenoord speelde hij (samen met Johan Cruijff) nog een seizoen bij de Washington Diplomats en ook nog eens twee seizoenen bij Ajax, de grote rivaal van Feyenoord. Deze overstap werd hem door de Feyenoord-fans niet in dank afgenomen, zo kreeg hij bij zijn debuut voor Ajax in het duel Feyenoord-Ajax (4-2, op 7 december 1980), een sneeuwbal op zijn oog, waardoor hij het duel niet uit kon spelen.

In het jaar 1990 maakte Jansen zijn belangrijkste stap in zijn trainerscarrière. Hij ging naar Feyenoord toe, voor twee seizoenen als coach. Daarna bleef hij nog twee seizoenen technisch directeur. Hij won in die periode twee Nederlandse bekers, in 1991 en 1992. Later als technisch directeur werd hij in 1993 nog eens landskampioen en won in 1994 weer de Nederlandse beker.

Na zeven seizoenen in Den Haag ging Happel aan de slag bij landskampioen en bekerwinnaar Feyenoord, waar hij Ben Peeters opvolgde als hoofdcoach. In Rotterdam kon hij samenwerken met getalenteerde spelers als Willem van Hanegem, Coen Moulijn, Rinus Israël, Ruud Geels, Wim Jansen en de Oostenrijker Franz Hasil, die hij nog kende van zijn periode bij Rapid Wien. Het werd het begin van een gouden tijdperk. Happel, die hamerde op discipline, bekendstond om zijn tactische meesterzetten en zich vaak kort, maar krachtig in het Duits uitdrukte – “Tactiek ist der Rinoes, Wiellem und Coentje” – loodste Feyenoord in 1970 naar de finale van de Europacup I. De Rotterdammers schakelden op weg naar de finale onder meer AC Milan en Legia Warschau uit. In de finale won Feyenoord na verlengingen met 2-1 van Celtic, waardoor het de eerste Nederlandse club werd die de beker met de grote oren in ontvangst mocht nemen. De Schotse trainer Jock Stein loofde na afloop Happels tactiek: “Celtic heeft niet van Feyenoord verloren, ik heb van Happel verloren.”

Phida Wolff was zo’n veertig jaar administrateur van Feyenoord. Vele verhalen en gedichten over onze club werden jarenlang door Wolff aan het papier toevertrouwd en onder meer in het clubblad – De Feyenoorder – gepubliceerd. De schrijfstijl van Wolff was onovertroffen. Poëtisch, mooi en soms wat langdradig, maar recht uit het rood-witte hart. Wolff, die zijn schrijfcarrière begon bij de Telegraaf, schreef maar liefst 61 delen vol met verhalen en gedichten. Zo waren onder meer de eerste jaarboeken (Topclub Feyenoord) onder zijn redactie geschreven.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia. Het Stukje over Wolff komt van Lunatic News. http://www.lunaticnews.nl/feyenoord/clubmensen/phida-wolff/

Met medewerking van Rotterdam van toen

Haringvliet 1971

Het Haringvliet met het Havenziekenhuis, 18 mei 1971. Op de achtergrond De Hoge Wiek voor verpleegkundigen (zusterflat) van het Sint Franciscusziekenhuis aan de Oostmolenwerf.

De naam Haringvliet werd gegeven aan de vest die in 1575 ten zuiden van de Nieuwehaven werd gegraven. De naam voor deze haven komt al voor in 1596. Omstreeks 1575 werd ten zuiden van de Nieuwehaven een nieuwe vest gegraven. In 1592 werd deze vest als Zuid-Nieuwehaven verbreed en verdiept. Van 1595 tot 1598 werden de kaden aan beide zijden bebouwd. De naam Haringvliet komt voor deze haven reeds in 1596 voor. Aan het feit dat de schepen voor de haringvisserij hier een ligplaats konden vinden, zal deze naam zijn te danken. De nabijheid van het Buizengat wijst ook daarop. Ter ere van de Koning van Rome, de zoon van keizer Napoleon, werd de haven op 9 juni 1811 verdoopt in Quai du roi de Rome. Deze naam is tegelijkertijd met het Franse bewind in 1813 verdwenen. De zuidzijde van de haven werd vanwege de deftige herenhuizen ook wel Rijkeluis Haringvliet genoemd.

Het Havenziekenhuis is een algemeen ziekenhuis in Rotterdam met specialistische kennis in de tropengeneeskunde. Sinds 2007 is het Havenziekenhuis ook gespecialiseerd in ouderengeneeskunde en biedt het patiënten algemene basiszorg.

Rotterdam werd als havenstad niet alleen met zeelieden geconfronteerd, maar ook met de exotische ziektes die zij meebrachten. Het negentiende-eeuwse Coolsingelziekenhuis had een aparte afdeling voor zieke zeelieden. In 1927 werd het Havenziekenhuis als zelfstandig ziekenhuis geopend. Het was gevestigd in het oude Hotel Continental. In 1937 werd het huidige pand tussen het Haringvliet en de Maasboulevard geopend. Hoewel het Havenziekenhuis tijdens de Duitse aanval op Nederland in 1940 in de frontlinie lag, werd het niet getroffen. Ook tijdens het bombardement op Rotterdam werd het niet getroffen, alhoewel de brandgrens slechts op enkele tientallen meters was verwijderd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de ontwikkeling van specialistisch ziekenhuis naar algemeen ziekenhuis ingezet: tijdens de oorlog waren er geen scheepvaartverbindingen met tropische gebieden en het algemene Coolsingelziekenhuis was verwoest.

De Hoge Wiek was een zusterflat voor het Sint Fransiscus Gasthuis. Het gebouw werd in 1967 opgeleverd en is 52,9 meter hoog. Met haar 16 verdiepingen heb je vanaf het dak een mooi uitzicht over de stad. Tegenwoordig is de Hoge Wiek een studentenflat. Kijk op www.hogewiek.nl voor meer informatie.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam, van Wikipedia en van skyscrapercenter.com

Met medewerking van Rotterdam van toen