Tag Archives: rotterdam

Een toegang van stadion Woudestein aan de Laan van Woudestein, 1986

Een toegang van stadion Woudestein aan de Laan van Woudestein, waar de voetbalcompetitiewedstrijd tussen Excelsior en Feyenoord wordt gespeeld, 27 april 1986.

Kuipéquipe haalt zichzelf roddels op de hals Dankjewel, Feyenoord! Van onze verslaggever LOET VAN SCHELLEBEEK
ROTTERDAM — Excelsior wint met 2-1 van Feyenoord, we horen de verhalen al. Verkochte zaak natuurlijk, handjeklap, weggegeven, twee handen op één buik, wat wil je, die twee hebben een samenwerkingsverband.

De tv was er niet om het tegendeel te bewijzen en de argwaan in het land, en dan vooral in Maastricht en Nijmegen, weg te nemen. En aan de woorden van Feyenoordtrainer Ab Fafié “Dat leefde absoluut, niet bij ons, daarvoor willen we veel te graag tweede worden”. Ach, daar hecht je toch zeker geen waarde aan? Die zit óók in het complot vanzelf sprekend.

Nog even afgezien van de vraag of er inderdaad een luchtje zat aan Feyenoords sensationele nederlaag op Woudestein: het is wél zo dat de stadionploeg zich de verdachtmakingen zélf op de hals heeft gehaald.

Excelsior stond stijf ,van de zenuwen en bracht er vijf kwartier lang zó weinig van terecht dat Tahamata en de zijnen in de rust al met twee, drie doelpunten verschil hadden moeten leiden. Kansen zat. Maar of ze waren aan LIng, Eriksen en Rep niet besteed of het zat behoorlijk tegen.

„En wie de kansen niet benut moet op de blaren zitten,” improviseerde Ab Fafié naderhand op een bekend thema. „Het eerste half uur heeft, dacht ik, voldoende aangetoond dat we niet van plan waren de punten cadeau te geven. Excelsior kwam er toen niet aan te pas. Maar hun onmacht leidde op den duur tot verslapping bij ons. Dat is natuurlijk niet goed te praten en je probeert ook van alles om het tegen te houden, maar het gebeurt tóch. Je ziet het aan kleine dingetjes, slordigheidjes.”

Zoals die terugspeelbal van Stanley Brard, die Joop Hiele knullig door zijn vingers liet glippen. Die hoekschop bleef nog zonder gevolgen, maar tekenend was het wel. En langzaam maar zeker zag je méér van dat soort minpuntjes binnensluipen in het spel van Feyenoord.

Bewust of onbewust? Wie jongens als Henk Duut en André Hoekstra tekeer heeft zien gaan in de slotfase, toen het onheil al was geschied en Excelsior door twee treffers van Carlo de Leeuw op voorsprong was gekomen — wie getuige is geweest van de irritatie die vooral uit de duels tussen Duut en Raeven sprak, van de aanslagen op Koos Waslander ook, en andersom, van ‘Rooie Koos’ op diverse Feyenoorders, wie —kortom— erbij is geweest en niet van een afstand, van achter zijn radio oordeelt, die weet wel beter en zal geen moment aan een vooropgezet spelletje hebben gedacht.

Daarom was het een —zacht gezegd— ietwat ongelukkige woordkeus van speaker Wout Dijkhuizen, toen hij meteen na het laatste fluitsignaal van Chris van der Laar “Dankjewel, Feyenoord” in de micro toeterde. “Voor de prettige tegenstand,” zei hij erachter, maar dat heeft geen mens in het gelach nog verstaan.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt via delpher.nl uit het Vrije Volk van 28 april 1986.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Jacob van Campenweg, 1966

De Jacob van Campenweg in de wijk Het Lage Land, 1966 (geschat). De foto is gemaakt vanaf de Huslystraat. Op de kruising links- en rechtsaf de Prinsenlaan.

Jacob van Campen (1595-1657) heer van Randenbroek, architect en schilder.

Jacob van Campen stamde uit een welgestelde adellijke familie en bracht zijn jeugd door in zijn geboortestad Haarlem. Van Campen was Heer van Randenbroek, en ging, vooral bij wijze van tijdverdrijf, schilderen. In 1614 werd hij lid van het Sint-Lucasgilde. Na een verblijf in Italië van 1617 tot 1624 keerde hij terug naar Nederland, waar hij de ideeën van Andrea Palladio, Vincenzo Scamozzi en de klassieke architectuur van Vitruvius combineerde met de inheemse baksteenbouw. Het resultaat was het Hollands classicisme, een bouwstijl die behalve in Nederland ook internationaal van invloed was. Van Campen was bevriend met Constantijn Huygens, samen ontwierpen ze zijn nieuwe huis. Op Johan Maurits van Nassau-Siegen, de ontwerper van de De Kleefse tuinen en de Grote Keurvorst in Berlijn had Van Campen zelfs na zijn dood veel invloed. Frederik Willem van Brandenburg wenste koste wat het kost een boek door Van Campen geschreven te bezitten. Het stadhuis en het stadspaleis in Potsdam zijn op de ideeën van Van Campen gebaseerd.

(Hans) Jacob Otten Husly (Doetinchem, gedoopt 16 november 1738 – Oosterholt, 11 januari 1796) was een Nederlandse architect en stucwerker.

Otten Husly was een zoon van Albert Otten en Anna Hendrica Huslij. Al op jonge leeftijd verhuisde hij vanuit Doetinchem naar Amsterdam om daar onder leiding van zijn ooms, de toen befaamde stucdecorateurs Hans Jacob Huslij (1702-circa 1770) en Hendrik Huslij (1706-circa 1770), het stucwerkvak te leren. Hoewel hij geboren was als Hans Jacob Otten voegde hij vanaf ongeveer 1760 Husly (een variant van Huslij) aan zijn naam toe om deze familieband te onderstrepen, waarschijnlijk uit commerciële motieven. In 1758 was hij mede-oprichter van de maatschappij ‘Vriendschap vereenigt de Kunsten’, een directe voorloper van de Amsterdamse Stadstekenacademie, een instelling die een belangrijke rol zou gaan spelen in het Amsterdamse culturele leven. Otten Husly werd in 1765 een van de directeuren van deze Stadstekenacademie. In 1773 was hij de oprichter van de Leerschool der Tekenkunde.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Parkhaven, 1966

Zicht vanaf de brug van de Euromast op de Nieuwe Maas, de binnenvaartschepen in de Parkhaven, de havenbedrijven op de Müllerpier en bij de St.-Jobshaven, 27 juli 1966.

De Parkhaven kreeg de naam van het even ten westen gelegen stadspark, aangelegd door de Haarlemse tuinarchitect J.D. Zocher. Van 1852 tot 1855 werd naar zijn plannen een park aangelegd op een terrein onder Delfshaven. In 1851 was daarvoor ook de buitenplaats van Jan Valckenier, gelegen aan de Kievitsweide, aangekocht. Het huis met enig terrein werd in 1852 aan de officieren van de Schutterij verhuurd, die daarin een societeit oprichtten, waar ook muziekuitvoeringen werden gegeven. In 1857 verrees daar een nieuwe Officierensocieteit, die in 1912 door een derde gebouw (het huidige Parkzicht) werd vervangen. Het Park werd in 1875 uitgebreid met het terrein van de buitenplaats ‘De Heuvel’.

Op deze Müllerpier tussen Parkhaven en Sint-Jobshaven was vroeger Wm.H. Müller & Co’s Stuwadoors Mij. N.V. gevestigd.

De Sint-Jobshaven heet naar Sint Job, de heilige aan wie in Schoonderloo een kapel was gewijd. Voor de vereniging van Delfshaven met Rotterdam had men in Schoonderloo een op de Nieuwe Maas uitkomend watertje. In 1886 ontving dit de naam Sint Jobsgracht naar de vroegere kapel die aan de heilige Sint Job was gewijd. Omstreeks 1280 komt deze kapel reeds voor, en wel als parochiekerk van Schoonderloo. Het Sint-Jobspad heette van 1927 tot 1954 Zwartewegje als herinnering aan de weg van die naam, die daar vroeger lag. Van 1908 tot 1990 heette de kade op de Müllerpier langs de Nieuwe Maas Sint-Jobskade.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

met medewerking van Rotterdam van toen

Zuiderparkweg, 1973

De zeepkistenbaan tijdens Jeugdland, 16 juli – 10 augustus 1973. Op de achtergrond het metroviaduct langs de Zuiderparkweg.

Uit het Vrije Volk van 17 juli 1973:
‘Slaat zestiende Jeugdland aan?’ Organisatie wacht in spanning antwoord af
(Van een onzer verslaggevers)

ROTTERDAM — Op de .eerste dag van het jaarlijkse vakantiefestijn Jeugdland zijn 4000 kinderen voor de poorten van het Ahoy’ complex gegaan. Een aardig begin voor de organisator, de Rotterdamse Raad voorde Lichamelijke Opvoeding, die een stille hoop heeft dat het record van 75.000 bezoekertjes van een paar jaar geleden nog eens gehaald zal worden.’

Maar met 50.000 verkochte kaartjes zal de Raad voor de Lichamelijke Opvoeding al dik tevreden zijn. “Dat zou zou al het dubbele zijn van de 24.000 die vorig jaar, toen Jeugdland in de Energiehal werd gehouden, werd gehaald.” Een aantal dat de organisatoren toen aan het denken heeft gezet. „Zijn we na vijftien jaar nog wel op de goede weg”, vroegen zij zich af. „Of beginnen we antiek te worden?” Vandaar dat dit jaar met spanning afgewacht wordt of Jeugdland nog aanslaat.

De eerste dag heeft de organisatoren in ieder geval optimistisch gestemd, hoewel Jeugdland er nog negentien voor de boeg heeft, voordat het jaarlijkse festijn op vrijdag 10 augustus weer gesloten wordt. „Het gaat ons niet om wat het opbrengt”, zegt de heer Verheul van de Raad voor de Lichamelijke Opvoeding, „Als er 50.000 kinderen zouden komen zou dat 75.000 gulden opbrengen, terwijl Jeugdland zes ton kost. Dat is Jeugdland ons best waard, als er maar voldoende kinderen komen”. Voor die zes ton staat voor de jeugd zowel binnen als buiten een keur van activiteiten klaar, zon 80 in totaal.

De honderden kinderen die zich gistermorgen voor de kassa’s hadden verdrongen, konden nauwelijks op de opening wachten. Voordat wethouder H. van der Pols van Sport en Recreatie om tien uur met het doorprikken van een ballon het officiële startsein gaf, hadden ze al bezit genomen van het Ahoy’ complex. Hoogtepunten zijn zonder meer de manege Hillegersberg met een tiental paarden, de zeepkistenbaan, het bootjesvaren, het balspuiten en de minigolfbaan, waar rijen kinderen voor staat. Wat huiverig is de jeugd nog voor een oefenpartijtje karate, een boomlange karateka. deed gisteren vergeefse moeite jeugdige tegenstanders aan te trekken. Veel vertrouwen in zijn flitsende arm- en voetbewegingen hadden ze kennelijk nog niet. Maar er zijn ook tal van vreedzamer bezigheden. Zo wemelt het in het Ahoy’ complex van de stands, waar van alles gemaakt kan worden, van papieren bloemen tot emaillen sieraden. Verder kan er getekend en geschilderd worden, er zijn film-, dia- en circusvoorstellingen. Er kan aan allerlei sporten en spelen, zoals dammen, schaken en mens-erger-je-niet meegedaan worden. Er zijn, verschillende puzzels, een verkeerstuin, een kinderboerderij, en een huttendorp.

En wie honger of dorst krijgt van het afgelopen van al die activiteiten kan voor 1.50 gulden een kaart voor zes consumpties kopen. Heb je dat geld niet, dan is er nog niets aan de hand. Bij de ROTEB-stand kan je die consumptiebonnen zelf verdienen met het schoonhouden van de Ahoyhallen.

Jeugdland is tot 10 10 augustus elke dag, behalve op zaterdag en zondag, van half tien tot half vijf geopend. Een dagkaart kost ƒ1,50. Voor ƒ5.50 kan je een hele week naar binnen.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt via delpher.nl uit het Vrije Volk van 17 juli 1973.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Ungerplein, 1935

De Rotterdamse Schie vanaf de Schiekade oostzijde, 1935. Op de achtergrond de flat aan het Ungerplein en rechts net zichtbaar de Heulbrug.

De naam van deze kade is ontleend aan de Rotterdamse Schie, de vaart ten gevolge van een handvest van 9 juni 1340 gegraven van Overschie naar Rotterdam. Ze sloot aan op de reeds bestaande Delftse of Oude Schie, die Delft met Overschie verbond. Ter plaatse van het latere Hofplein kwam de Schie uit in de Kolk welke door de Rotte was gevormd. Vanaf dit punt ging de vaart door de stad onder de naam Delftsevaart. Deze was via een spuisluis verbonden met de Merwede (Nieuwe Maas). De Schie komt ook een enkele maal voor als Spuivaart. Langs beide zijden van de vaart werden kaden aangelegd. In het begin waren deze van weinig betekenis.

De Ungerpleinflat is een op de noordelijke hoek Schiekade/Ungerplein gelegen torenflat van dertien bouwlagen waarin zich oorspronkelijk luxe-appartementen bevonden. De torenflat maakt onderdeel uit van het Ungerpleincomplex, in 1928-1934 gebouwd naar ontwerp van Jo van den Broek in samenwerking met Heinrich Leppla volgens de principes van het Nieuwe Bouwen. Het complex is een rijksmonument.

De torenflat heeft per etage één vijf-kamerappartement op het Ungerplein en één zes-kamerappartement met dienstbodekamer georiënteerd op de Schiekade. De kamers waren bij beide woningtypen centraal gegroepeerd rond een hal en werden ontsloten door een ruim centraal trappenhuis met een dubbele lift. De flat, die volledig is opgetrokken in een betonskelet, vormt een architectonische eenheid met de aangrenzende bouwblokken rond het plein en aan de Schiekade doordat de borstweringen tussen de verdiepingen van de laagbouw doorlopen in de borstweringen van de flat. Aan het Ungerplein kragen de borstweringen van de flat iets uit. De hoofdingang bevindt zich aan het Ungerplein onder een betonnen luifel met een natuurstenen trappartij.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Het Boschje, 1908

Gezicht op een turfkar met straatverkoopster en verkoper bij het Bosje voor het atelier voor moderne fotografie van fotograaf Henri Berssenbrugge, 1908.

In 1659 komt het Boschje buiten de Hofpoort voor. Het was een met bomen beplant stadsplein aan de Goudsesingel. Het Boschje behoorde tot het terrein, dat nog in 1525 bekend was als het Foreest in Rubroek. De latere naam herinnert vermoedelijk aan dat Foreest (d.i. jachtterrein, wildernis met bos, woud). Ook de naam Goudsche Boschje kwam voor. Aansluitend bij het Boschje kreeg de daarop uitkomende laan de naam Boschlaan. Deze laan was in 1617 door Frans Jacobsz. Craay langs de oude vest aangelegd en daarom eerst naar hem genoemd. Later heette ze naar een andere eigenaar Laan Samuel Pietersz. Vlaming. De Boschlaan verbond het Boschje met de Jonker Fransstraat. Bij besluit B. 19 mei 1942 werd de naam ingetrokken. De naam Boschje werd bij besluit B&W 21 november 1952 ingetrokken.

De fotograaf Henri Berssenbrugge (1873-1959) is een van de belangrijkste fotografen in het vooroorlogse Nederland. Zijn werk was in vele publicaties te zien en werd nationaal en internationaal tentoongesteld. Hij runde een fotostudio aan het Boschje en later aan de chiquere Mauritsweg. Portretfotografie was zijn belangrijkste bron van inkomsten maar hij was te beweeglijk voor het werken in de studio. Naast de studio-opnamen fotografeerde hij voor zijn plezier op straat. Als een flaneur bewoog hij zich door de stad en haalde zijn camera op de juiste momenten tevoorschijn.

Berssenbrugge had geen oog voor het drukke moderne stedelijke verkeer met zijn trams, auto’s, havenkranen, graanelevatoren en grootse zeeschepen. Hij was niet geïnteresseerd in de stad van de toekomst. Hij zocht de stad die er nog was en die er binnen afzienbare tijd niet meer zou zijn: het buurtleven in de stegen, de levendige handel op de markten en de beurtvaart in de grachten. Het zijn opvallende sfeerbeelden van het alledaagse leven van Rotterdammers tussen 1906 en 1916. Kenmerkend voor zijn foto’s en gedurfd voor die tijd zijn de experimenten met grafische technieken en de schilderachtige toepassingen waarmee zijn werk raakt aan de schilderkunst.

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De flatgebouwen aan de Gijsinglaan, 1962

De Gijsinglaan is vernoemd naar Bernard Godfried Gijsing, burgemeester van Delfshaven van 1835-1840. Bij besluit van 28 november 1924 werd de Gijsingstraat gesplitst in een 1ste en 2de Gijsingstraat, terwijl een derde stuk Groote Visserijplein werd genoemd. In 1960 werd opnieuw een naamsverandering ingevoerd. De 1ste Gijsingstraat werd Gijsingstraat; de 2de Gijsingstraat ontving de naam Gijsinglaan.

De Gijsingflats zijn vijf naoorlogse galerijflats in Tussendijken die gebouwd zijn nadat deze plek per vergissing door de geallieerden gebombardeerd was is 1943. Het op zichzelf staande gebiedje is mooi gelegen vlakbij Marconiplein, de Schiedamseweg, Park 1943 en de markt.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van http://delfshavencooperatie.nl/de-gijsingflats/

Met medewerking van Rotterdam van toen

Wytemaweg met het Unilevergebouw, 1946

Gezicht op de Wytemaweg met het Unilevergebouw, 1946.

Het voormalig kantoor van Unilever (ook Unilevergebouw) is thans de hoofdvestiging van Hogeschool Rotterdam aan het Museumpark in Rotterdam. Het is tussen 1930 en 1931 gebouwd als hoofdkantoor van Unilever in zakelijk-expressionistische trant naar een ontwerp van architect H.F. Mertens.

Het gebouw ligt precies in de zichtas van het Eendrachtsplein en neemt door zijn architectonische autoriteit een cruciale positie in binnen het stedenbouwkundige plan dat Willem Gerrit Witteveen in 1926 voor dit gebied, het voormalige Land van Hoboken, maakte.

Tussen 1959 en 1962 werd het voormalige Unilevergebouw aan de zuidwestelijke zijde uitgebreid met een elf verdiepingen tellende hoogbouw naar ontwerp van architect A.J.B. van der Graaf.

In 1993-94 werd het kantoor door EGM-architecten verbouwd voor de Hogeschool Rotterdam en Omstreken, waardoor het oorspronkelijk interieur grotendeels verloren ging.

Het wigvormig pand is samengesteld uit twee scharnierende lange kantoorvleugels van vier bouwlagen op een kelderverdieping met een terugliggende derde verdieping langs de Rochussenstraat en de Wytemaweg en een representatieve ingangspartij in de kop van het gebouw aan de Mathenesserlaan. Een dwarsliggend bouwvolume verbindt de verdiepingen van de beide vleugels waardoor de wigvormige binnentuin ontstaat. De vleugels zijn voorzien van een betonskelet met een rationele indeling: over de hele lengte één doorlopende vrije plattegrond slechts doorbroken door een dubbele rij kolommen in het midden van het bouwvolume.

De fotograaf is Gerard Roos en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Autobedrijf J.L. Spoormaker N.V. aan de Aristotelesstraat, 1969

Aristoteles (Grieks: Ἀριστοτέλης, Aristotélēs) (Stageira, 384 v.Chr. – Chalkis, 322 v.Chr.) was een Grieks filosoof en wetenschapper die met Socrates en Plato wordt beschouwd als een van de invloedrijkste klassieke filosofen in de westerse traditie. Hij was lid van Plato’s filosofische Akademeia en diens invloed is dan ook aanwezig in Aristoteles’ werk, hoewel Aristoteles een duidelijk van Plato afwijkende filosofische stroming vertegenwoordigt.

Aristoteles was een zoon van de befaamde arts Nicomachus, lijfarts van koning Amyntas III van Macedonië (de grootvader van Alexander de Grote). Aristoteles is vroeg wees geworden. Hij werd opgevoed door zijn oom Proxenus. Op zeventienjarige leeftijd vertrok hij naar Athene en werd als leerling opgenomen in Plato’s academie, die hij pas twintig jaar later, na Plato’s dood in 347 v.Chr., weer verliet.

Aristoteles mag gezien worden als de eerste homo universalis, omdat hij bekwaam was in de totaliteit van de toenmaals bekende wetenschappen (filosofie, psychologie, politieke en sociale wetenschappen, wiskunde en natuurwetenschappen, taal- en letterkunde, theater…), die hij systematisch en methodisch tot een in zichzelf gesloten systeem uitwerkte. Aristoteles kan zo worden beschouwd als systeemfilosoof. Hij voerde bovendien de logica en de methodologie in als manier om wetenschap en filosofie te bedrijven.

Na op enkele plaatsen als docent werkzaam geweest te zijn, werd hij in ca. 342 v.Chr. door koning Philippus II naar Macedonië ontboden om als privéleraar de opvoeding te verzorgen van diens dertienjarige zoon Alexander, later ‘Alexander de Grote’ genaamd (tot ca. 340 v.Chr.).

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Goudse Rijweg, 1937

De Goudse Rijweg, gezien vanaf de Boezembrug, in de richting van de Vlietlaan, 1937. Rechts op de hoek van de Vredenoordkade een benzinestation van Standard. Geheel links de Sophiakade.

De Goudse Rijweg, de Goudseweg en de (vooroorlogse) Goudsewagenstraat vormden een onderdeel van de oude weg naar Gouda.De Goudsewagenstraat wordt al in 1366 in bronnen vermeld. Na 1358, toen er grachten om de stad gemaakt mochten worden, zal ook bij deze ‘rijweg’ aan de stadsvest een poort gebouwd zijn en kon men van Gouda daardoor met wagens in de stad, d.w.z. op de Hoogstraat, komen. Later was hier het beginpunt van het Goudse Wagenveer.

De Boezembrug ontleent haar naam aan de Hoge Boezem. Op 14 januari 1769 werd door de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend om, tot ontlasting van de gemeene boezem de Rotte, een tweede boezem te maken in de polder Rubroek. Het overtollige water kon door een sluis bij de Oostpoort ontlast worden in de Nieuwe Maas. De aanbesteding van de hoge en de lage boezem en de watermolens vond plaats op 25 april 1772. In 1854 werd nog een Reserveboezem gegraven. In 1897 werden de Hoge en Lage Boezem gedeeltelijk en de Reserveboezem geheel gedempt.

De Vlietlaan is ontstaan door demping van de Vliet tussen de Jaffabrug bij de Oudedijk en de Groene Wetering (de latere Weteringstraat). De oostzijde van de laan heette voor de demping Molenkade naar de Kralingse molens, die langs het water stonden. De westzijde vormde een onderdeel van de Goudse Rijweg. Het water met de daarlangs staande molens komt reeds voor op een kaart van 1615 en heette al in 1612 ‘De Vliet’.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen