De Katendrechtse Lagedijk ter hoogte van de Lepelaarsingel, 1937

Over het ontstaan van de naam Katendrecht zijn de meningen verdeeld. De naam Katendrecht of Kattendrecht zou, volgens sommigen, zijn afgeleid van de Katten (Catten), een Duitse volksstam die omstreeks het begin van onze jaartelling in dit gebied zou hebben gewoond. Volgens anderen moet de naam in verband worden gebracht met het Zeeuwse geslacht Cats, dat hier veel bezittingen zou hebben gehad. Ook wordt het woord in verband gebracht met caten (koten, eenvoudig of klein huis). Drecht betekent veer of waterloop.
In 1199 is voor het eerst sprake van een ambacht Katendrecht, dat behoorde aan de heer van Putten. Bij dijkdoorbraken in 1373 en 1374 overstroomde geheel Katendrecht. In 1375 gaf hertog Aelbrecht van Beieren opdracht aan de ambachtsheer om het land opnieuw te bedijken. Jacob van Gaesbeek, heer van Putten, verleende in 1410 aan Wolphaert Jansz. en Jan Wolphaertsz. vergunning om een nieuw zomerland in Katendrecht te bedijken. Dit wordt later vermeld als Jacob Potsland of Oud-Katendrecht. In tegenstelling tot Meester Arend van der Woudensland of Nieuw-Katendrecht (het opnieuw bedijkte gedeelte na de doorbraak in 1463). De bedijkers kregen in 1410 meteen de ambachtsheerlijkheid in leen.
De Lepelaarsingel heet naar een vogel uit de familie der Ibissen.
De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam
Met medewerking van Rotterdam van toen
No votes yet.
Please wait...