Waarom de ene buienradarapp het beter weet dan de ander

Het is november, het weer wordt minder en toch wil je even uitwaaien op het strand. Je bekijk een weerapp: zonnige voorspellingen dit weekend. Maar de buienradar zegt juist dat het gaat regenen. Hoe kunnen twee verwachtingen zó ver uit elkaar lopen?

Verschillen in de weersverwachting zijn heel normaal en gebeuren vaak, zeker op de lange termijn. De afwijking begint namelijk al vroeg in het proces: vrijwel alle meteorologen baseren zich op bepaalde modellen van grote weerinstituten, die internationaal beschikbaar zijn.

De twee belangrijkste instituten zijn het European Centre for Medium-Range Weather Forecast (ECMRWF) en de Amerikaanse National Weather Service (NWS). Allebei hebben ze grote supercomputers staan die werken met data die ze verzamelen van satellieten en weerstations.

Deze gegevens stoppen ze in een wiskundig model dat de belangrijkste natuurkundige processen van de aarde simuleert, zoals de beweging van luchtstromen en de manier waarop vocht zich in de atmosfeer gedraagt. De uitkomst van deze berekening noemen we het weermodel. Op basis van het weermodel kunnen weer weersvoorspellingen op de langere termijn worden gedaan.

De NWS kan zestien dagen vooruitkijken, het ECMRWF zo’n tien dagen. Dat betekent niet dat het model van de NWS beter is: hoe verder je vooruitkijkt, hoe groter de kans dat je het mis hebt. Ook kunnen de dagelijkse metingen verschillen omdat de twee instituten niet dezelfde meetstations en berekeningen gebruiken. Sterker, het ‘Europese model’ staat bekend als het accuraatst.

Gaat fout bij doorberekeningen

Een foutje in een meting van een weerstation betekent misschien dat er vandaag een klein beetje minder wind staat dan gedacht. Reken je echter door met die ene foute meting, dan kan het zijn dat de wolken twee weken later op een heel andere plek hangen dan je verwacht had.

Veel weerapps, zoals de apps die zijn meegeleverd met iOS en Android, baseren zich op een van deze modellen. Amerikaanse apps zullen bijvoorbeeld sneller het model van de NWS gebruiken.

Van model naar plaatselijke weersvoorspelling

“Voor Weeronline maken we gebruik van alle twee de modellen”, vertelt meteoroloog Jaco van Wezel. “We laten daar een statistisch algoritme op los, dat dagelijks voor elk element van de voorspelling – van temperatuur tot neerslag – uitrekent welk model het accuraatst is. Zo kan je bijvoorbeeld situaties hebben waar we 10 procent van het Amerikaanse model en 90 procent van het Europese model meenemen.”

Maar het model is eigenlijk slechts het startpunt van een weersverwachting. De modellen van de twee weerinstituten gaan vooral over de grote mondiale lijnen.

“Vervolgens laten wij daar weer geografische informatie op los”, zegt Van Wezel. “Bepaalde plaatsen liggen bijvoorbeeld aan het water, waardoor het daar kouder is dan het model verwacht. Op de Veluwe hebben de zandgronden dan weer impact op het weer. Wij kunnen dat soort gedetailleerde informatie weer meenemen in onze verwachting.”

Een weersverwachting die daarop let, klopt dus beter dan een voorspelling die alleen gebruikmaakt van een internationaal weermodel. “Dat zie je bij neerslag bijvoorbeeld heel goed. Het Amerikaanse model ziet of er een regenwolk over het land trekt, maar wij kunnen per plaats bepalen hoe groot de kans is dat daar ook echt regen valt.”

Volgende week is soms voorspelbaarder

“Het klinkt vreemd, maar soms is het weer van volgende week gemakkelijker te voorspellen dan het weer van deze week”, zegt Van Wezel. “Je ziet in het model dat er overmorgen een kleine stormdepressie aankomt, maar je weet niet zeker of die ook echt over Nederland trekt. Tegelijk zie je wel heel goed dat er de week daarop een hogedrukgebied is dat voor mooi weer gaat zorgen.”

Uiteindelijk moeten meteorologen dus veel keuzes maken voordat ze een voorspelling doen. En dat maakt precies het verschil, besluit Van Wezel. “De mix van informatie die je kiest en de statistische berekening die je daarop loslaat, bepaalt alles.”

Door: Len Maessen

No votes yet.
Please wait...