Duivenvangers op de Nieuwemarkt, 1972

Uit het Vrije Volk van 14 maart 1973:
„Doet u wat aan duiven? Ja? Nou, dan moet u bij mij eens langskomen Het is verschrikkelijk. Ik kan m’n zonnescherm niet gebruiken, het zit vol, Ze bederven alles. Wanneer kunt u komen?” Ik hoor de boze man schreeuwen door de telefoon tegen Kralingse Bos-baas Van Brandwijk. Op zijn kantoortje (in het bos, bij de manege) gaat de telefoon om de vijf minuten. Een twintig keer per dag zijn er mensen aan de lijn die klachten hebben over duiven. Van Brandwijk laat door de telefoon niets blijken. Hij praat vriendelijk, zegt: „Goed meneer, goed, ik zal het de parkwachter zeggen. Hij komt langs. Ja meneer, we zullen zien wat we eraan kunnen doen. Dag meneer”. Ik zucht, als de telefoon weer ligt. Van Brandwijk zucht nauwelijks meer. Hij kent het. Ik ben verbaasd over zijn kalmte, nu ik weet wat een wanhopige taak Rotterdams park- en boswachters hebben naast hun gewone werk. Wanhopig is het: het vangen van duiven. Van Brandwijk noemt het ‘een heel probleem’ voor hem en zijn mensen.

Een paar jaar geleden kreeg Gemeentewerken (en dan speciaal de Plantsoenendienst) opdracht van B. en W. de Rotterdamse duivenoverlast te beperken. De duiven kunnen schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Ze kunnen duiveluis dragen, en ook salmonellosen (bacil van paratyfus).

Duiven poepen (excuseer het woord, maar zo is het toch?) alles vol: ramen, deuren, kozijnen, stoepen, balkons. Dat zijn de twee minpunten van de verstedelijkte duif. Pluspunt: ze zijn zo lief om te voeren. Ze zijn leuk om naar te kijken: het zijn immers dieren?

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt via delpher.nl uit het Vrije Volk van 14 maart 1973.

Met medewerking van Rotterdam van toen

No votes yet.
Please wait...