Category Archives: Crooswijk

Koninginnekerk Boezemsingel, 1946

Parkeerdrukte voor de Koninginnekerk, rechts de Slachthuiskade en links de Boezemstraat, 1946.

De protestantse Koninginnekerk aan de Boezemsingel op de grens tussen de wijken Crooswijk en Kralingen in de gemeente Rotterdam werd in 1907 in gebruik genomen. Ze was genoemd naar koningin Wilhelmina.

Begin twintigste eeuw waren veel Rotterdammers naar nieuwe wijken buiten het stadscentrum verhuisd. Sommige in het centrum gelegen kerkgebouwen kampten daardoor met verminderd bezoek en werden gesloten en verkocht. De opbrengst investeerde men in nieuwe kerken in de randwijken. De Koninginnekerk werd op dergelijke wijze gerealiseerd. Bovendien ontving men een belangrijke gift van de gezusters Van Dam, die ook de Wilhelminakerk in Rotterdam-Zuid hadden gefinancierd en de bouw van het Rotterdamse Diaconessenhuis mogelijk maakten. In juli 1904 werd de eerste steen gelegd en op 1 april 1907 kon de nieuwe kerk plechtig worden ingewijd. Het ontwerp was van de architecten Barend Hooijkaas jr. en Michiel Brinkman. Het gebouw telde 1750 zitplaatsen. In de loop der jaren werd de Koninginnekerk een begrip in Rotterdam. Toen eind jaren zestig bekend werd dat het statige gebouw met zijn twee imposante torens afgebroken zou worden leidde dit in de stad tot veel protest. Desondanks werd het godshuis gesloopt nadat er op 31 december 1971 de laatste eredienst was gehouden.

Op de plaats waar de kerk stond verrees een dertien etages hoge verzorgingsflat voor ouderen, woonzorgcentrum Hoppesteyn geheten. Hiernaast kwam in 2001 de Koninginnetoren te staan, een 78 meter hoog gebouw met 85 seniorenappartementen. De bovenste etages zijn groen gemaakt als herinnering aan de kopergroene daken op de torens van de kerk.

De Slachthuiskade is vernoemd naar het Rotterdams Openbaar Slachthuis dat in 1897 werd gebouwd aan de Boezemstraat in Crooswijk. In de volksmond stond het al gauw bekend als het ‘abattoir’. Het lag dicht in de buurt van de veemarkt. In de loop van de jaren is herhaaldelijk gepoogd het slachthuis naar een ander deel van Rotterdam te verplaatsen. Tot 1981 bleef het echter op de oude plaats in gebruik. In dat jaar verhuisde men naar een nieuw slachthuis in de Spaansepolder. Het oude complex in Crooswijk werd kort daarop gesloopt. Van 1900 tot 1987 had een zijstraat van de Slachthuiskade de naam Slachthuisstraat. Deze straat heet thans Keurmeesterstraat.

De Boezemstraat ontleent haar naam aan de Hoge Boezem. Op 14 januari 1769 werd door de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend om, tot ontlasting van de gemeene boezem de Rotte, een tweede boezem te maken in de polder Rubroek. Het overtollige water kon door een sluis bij de Oostpoort ontlast worden in de Nieuwe Maas. De aanbesteding van de hoge en de lage boezem en de watermolens vond plaats op 25 april 1772. In 1854 werd nog een Reserveboezem gegraven. In 1897 werden de Hoge en Lage Boezem gedeeltelijk en de Reserveboezem geheel gedempt.

De foto is gemaakt door de Dienst Gemeentewerken en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

brouwerij van Heineken, Linker Rottekade 1968

De brouwerij van Heineken, 1968 (geschat).

Heinekens Bierbrouwerij Maatschappij is een van origine Amsterdams bedrijf. In 1873 opende het een vestiging in Rotterdam, op de hoek van de Linker Rottekade en de Crooswijksesingel. Daarin had de Rotterdamse ondernemer en politicus Lodewijk Pincoffs de hand, die brouwer Heineken wist over te halen zich ook in Rotterdam te vestigen. Heineken floreerde in Rotterdam en het complex werd regelmatig uitgebreid. Aangezien eenheid ver te zoeken was, werd architect Willem Kromhout gevraagd voor verdere uitbreiding. Tussen 1922 tot 1932 realiseerde hij de 15 meter hoge imposante ziederij, de brouwerij, de betonnen kolentransporteur, de graansilo en een kantoorgebouw van 52 meter lang met een 28 meter hoog trappenhuis. De ziederij en de graansilo voorzag hij van een bijzondere dakkoepel.

In 1968 verhuisde Heineken naar Zoeterwoude en de fabrieksgebouwen maakten plaats voor woningen. De gevel van het markante ziederijgebouw werd in 1980 gereconstrueerd. Het enig overgebleven gebouw van Kromhout is het kantoorgebouw, een rijksmonument met het art déco-interieur uit 1932. Het werd in 2000 gerestaureerd en na de restauratie het Heinekenhuis genoemd. De restauratie werd begeleid door NV Stadsherstel Historisch Rotterdam die eigenaar werd en het gebouw aan verschillende bedrijven verhuurde.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Boezemlaan 1926

Het overblijfsel van een der Boezemmolens aan de Boezemlaan, uit het zuidwesten, 1926.

De Boezemlaan ontleent haar naam aan de Hoge Boezem. Op 14 januari 1769 werd door de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend om, tot ontlasting van de gemeene boezem de Rotte, een tweede boezem te maken in de polder Rubroek. Het overtollige water kon door een sluis bij de Oostpoort ontlast worden in de Nieuwe Maas. De aanbesteding van de hoge en de lage boezem en de watermolens vond plaats op 25 april 1772. In 1854 werd nog een Reserveboezem gegraven. In 1897 werden de Hoge en Lage Boezem gedeeltelijk en de Reserveboezem geheel gedempt. De 2de Reserveboezemstraat heette van 1914 tot 1918 Kampioenstraat, een naam die herinnerde aan het door de voetbalvereniging ‘Sparta’ behaalde kampioenschap. Deze vereniging oefende op het nabijgelegen Exercitieveld. De Boezemweg vormde vóór 1973 een onderdeel van de Boezemsingel. Hoewel de naam Hoge Boezem als straatnaam reeds jarenlang in gebruik is, werd hij pas bij bovengenoemd besluit officieel vastgesteld. Op een plattegrond van 1881 komt de Boezemstraat voor onder de naam Abattoirstraat naar het slachthuis of abattoir, dat daar geprojecteerd was. Dit abattoir werd op 1 mei 1883 geopend.

Er maalden in 1766 31 molens uit op de Rotte. Bij de korenmolen ‘De Noord’ (dbnr. 2288) aan het Oostplein
stond De Kostverloren (dbnr. 3079), die het water op de rivier uitmaalde maar dit niet kon bolwerken. Er waren
ook nog plannen om de polders onder Bleiswijk en Bergschenhoek droog te malen.

Om het probleem op te lossen werd een boezem gegraven vanaf de Spiegelnissermolen aan de Rotte. In 1772
werden naar ontwerp van landmeter Dirk Smits acht molens gebouwd om onder andere de grote plassen ten westen van de Rotte tussen Bleiswijk en Bergschenhoek droog te malen, die het water uitmaalden op de Hooge boezem vanwaar het via sluizen afliep naar de Maas. Met zijn 2 km lengte en 25 m breedte kon de Hoge en Lage Boezem 70.000 m³ water bevatten. In 1854 werd noch een reserveboezem aangelegd als voor het geval van hevige regenval.

De molens kregen de nummers 1 t/m 8. Het waren achtkante grondzeilers, boezemmolens. Met de bouw van de molens werd aangevangen in 1769. Molens opgeleverd op 25-4-1772. Mogelijk zouden de 8 molens over 10 raderen beschikt hebben; dus 2 molens met 2 raderen. Plannen om ten zuiden van no. 8 nog drie molens te bouwen zijn nooit uitgevoerd.

Eén molen verbrandde in 1895/1896 als gevolg van blikseminslag. Op 1 november 1899 werden de zeven overgebleven molens stilgezet vanwege een nieuw gemaal. Het HHR Schieland ruilde met de gemeente Rotterdam de benodigde grond voor het stoomgemaal en ƒ 250.000,=
bijbetaling tegen het terrein van de Hoge Boezem met de molens. In 1899 werden de molens op twee na
geheel gesloopt (waarschijnlijk) door de firma J.B. Thobé uit Dordrecht.

Een der molens werd in 1901 gezet op het onderstuk van De Jonge Hendrik te Overschie en verbrandde daar ook nog in 1901. Zie De Oranje Nassau, dbnr. 2194. Eén molen werd (zeer waarschijnlijk) herbouwd in Rijpwetering (de huidige Blauwe Molen, Ned. Molendbnr. 1074) en een andere ging naar Apeldoorn om te worden herbouwd als de korenmolen van H. Vorderman (dbnr. 327). Restant verbrand in 1976. Een andere
molen kwam volgens Suetan nr. 150 in Zuidbuurt, Zoeterwoude, terecht als de Zuidbuurtse Molen van de Westbroekpolder (dbnr. 330), maar dat blijkt niet te kloppen met de jaartallen.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van http://www.molendatabase.org/molendb.php.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Zaagmolendrift 1930

De Zaagmolenbrug over de Rotte met op de achtergrond de Zaagmolendrift, 1930.

Vernoemd naar de houtzaagmolens, die vroeger aan de Rotte stonden. In 1671 kwam de houtzaagmolen bij de buitenplaats ‘Woelwijk’, genaamd ‘de twee Zwanen’ al voor. Verder was hier in 1784 een houtkoperij met twee zaagmolens, ‘de Ooievaar’ en ‘de Zwaan’ geheten. De Zaagmolendrift heette van 1910 tot 1912 Zaagmolenstraat en van 1912 tot 1926 Nieuwe Zaagmolenstraat. De Zaagmolenstraat droeg voor 1897 de naam Van Bommelstraat naar Cornelis van Bommel, die hier o.a. in 1869 bezittingen had. De Zaagmolenbrug was oorspronkelijk een ijzeren ophaalbrug, die in 1895 was gebouwd en tot 1910 ter hoogte van het Noordplein en de Crooswijksesingel over de Rotte lag. Daarna werd ze verplaatst naar de Zaagmolendrift en de Crooswijksestraat. Ze ontving toen de naam Zaagmolenbrug. In 1956 werd ze vervangen door de huidige brug van die naam.

De Rotte is een veenrivier in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. De rivier doet dienst als boezem die het teveel aan water uit de polders ten noorden van Rotterdam afvoert onder beheer van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De stad Rotterdam ontleent haar naam aan deze rivier.

De oorspronkelijke naam van de rivier is vermoedelijk Rotta, afkomstig van “rot” dat modderig of troebel betekent, en “a” dat water betekent. (zie Aa). Ook wordt wel verondersteld dat de naam zou zijn ontleend aan Roode A (vergelijk Goude A, waaraan Gouda zijn naam ontleent) of zou zijn afgeleid van Rotte of Rootte waarmee een stilstaand water werd aangeduid waarin de boeren de hennep te rotten of te roten legden.

In het verleden, vermoedelijk al in de Romeinse tijd, heeft de Rotte in verbinding gestaan met de Oude Rijn over de Hildam via het riviertje de Wilck. Dit riviertje tussen Moerkapelle en de Oude Rijn is in 1759 verdwenen. Een deel van de omgeving van de oude Rotteloop is gebruikt voor vervening, waaruit een moerassig plassengebied is ontstaan: de Wilde Veenen. Deze hebben gefungeerd als een soort nieuwe ‘bron’ van de Rotte. Deze plassen zijn in de 17de eeuw echter weer drooggemalen. Vanaf dat moment heeft de Rotte geen echte bron meer.

Ook de Rotteloop tussen oorsprong en monding heeft zich in de loop der tijd veranderd. Het gedeelte ten noorden van de Rottemeren heette vroeger (in 1373) de Leede en lag langs de westzijde van de tegenwoordige loop. Op een kaart van het Hoogheemraadschap Schieland van 1765 is het oude, droge bed naast de tegenwoordige loop te zien. Ook bij Oud Verlaat liep de Rotte vroeger vermoedelijk anders. Omstreeks 1280 boog hier de Rotte niet rechtsaf maar liep rechtdoor, om de Nessepolder (vroeger de Nes genoemd) heen. Dus langs de Vlietkade, Ommoordsekade en Rijskade. Deze lus in de Rotteloop is later afgesneden. Op de kaart Holland tusschen het IJ en de groote rivieren in 1300 in de Geschiedkundige atlas van Nederland (Nijhoff, 1916) is de lus aangegeven.

In de middeleeuwen vormde zich aan de monding van de Rotte de nederzetting Rotta. Door overstromingen van de Rotte in de twaalfde eeuw werd het gebied echter onbewoonbaar. In 1270 werd nabij de monding van de Rotte een 400 meter lange dam in de rivier gelegd, om het Maaswater buiten te houden. Het Rottewater kon via sluizen in de dam vrij uitstromen. De dam, die vrijwel onmiddellijk bebouwd werd, vormt de oorsprong van Rotterdam. Na verloop van tijd werd deze dam Hoogstraat genoemd.

Tegenwoordig is de Rotte onderdeel van de vaarweg van Rotterdam binnendoor naar Gouda, waardoor vooral kleine pleziervaartuigen de drukke Nieuwe Maas kunnen vermijden. Vanuit Rotterdam vaart men dan door het Zevenhuizer Verlaat verder via de Hennipsloot en de Ringvaart van de Zuidplaspolder.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Paradijslaan 1935

De Paradijslaan met rechts de Rusthoflaan, vanaf het Paradijsplein, 1935.

De Paradijslaan is vernoemd naar de hofstede ‘het Paradijs’ aan de Crooswijkseweg in Rubroek. In 1617 kocht de koopman Hubrecht Barentsz. een hofstede aan de Crooswijkseweg in Rubroek. Bij verkoop door diens erfgenamen in 1681 droeg deze hofstede de naam ‘het Paradijs’. In 1721 heette ze ‘het hooge Paradijs’. Ook deze toevoeging zal betrekking hebben op Hubrecht Barentsz., die meestal voorkomt met de toenaam Hoogewerff. Op 21 oktober 1885 is de hofstede, met alles wat daartoe behoorde, verkocht aan de stad. Omstreeks 1869 is voor het eerst sprake van een Paradijslaan. Deze vormde voordien een onderdeel van de oude Crooswijksche Rijweg. In 1924 is de oude Paradijslaan vervallen. Deze naam is toen overgegaan op de laan, die vroeger de Laan van Wandeloord heette. Sinds 1989 draagt het kruispunt Paradijslaan/Rusthoflaan de naam Paradijsplein. De Paradijsbrug ligt over de Boezem in het verlengde van de Nieuwe Boezemstraat ter hoogte van de Paradijslaan.

De Rusthoflaan dankt zijn naam aan de nabijgelegen begraafplaats Crooswijk.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Crooswijksesingel 1891

De Heineken Bierbrouwerij aan de Crooswijksesingel, uit het zuidoosten, 1891.

Heinekens Bierbrouwerij Maatschappij is een van origine Amsterdams bedrijf. In 1873 opende het een vestiging in Rotterdam, op de hoek van de Linker Rottekade en de Crooswijksesingel. Daarin had de Rotterdamse ondernemer en politicus Lodewijk Pincoffs de hand, die brouwer Heineken wist over te halen zich ook in Rotterdam te vestigen. Heineken floreerde in Rotterdam en het complex werd regelmatig uitgebreid. Aangezien eenheid ver te zoeken was, werd architect Willem Kromhout gevraagd voor verdere uitbreiding. Tussen 1922 tot 1932 realiseerde hij de 15 meter hoge imposante ziederij, de brouwerij, de betonnen kolentransporteur, de graansilo en een kantoorgebouw van 52 meter lang met een 28 meter hoog trappenhuis. De ziederij en de graansilo voorzag hij van een bijzondere dakkoepel.

In 1968 verhuisde Heineken naar Zoeterwoude en de fabrieksgebouwen maakten plaats voor woningen. De gevel van het markante ziederijgebouw werd in 1980 gereconstrueerd. Het enig overgebleven gebouw van Kromhout is het kantoorgebouw, een rijksmonument met het art déco-interieur uit 1932. Het werd in 2000 gerestaureerd en na de restauratie het Heinekenhuis genoemd. De restauratie werd begeleid door NV Stadsherstel Historisch Rotterdam die eigenaar werd en het gebouw aan verschillende bedrijven verhuurde.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Rechter Rottekade 1972

De Rechter Rottekade met drie van rond het jaar 1700 daterende panden, september 1972. Links op de achtergrond het gebouw van de RAC-garage, later na renovatie het gemeentearchief aan de Hofdijk 651.

Deze kade heet naar het riviertje de Rotte, waaraan de stad Rotterdam zijn naam te danken heeft. De Rotte wordt in 1242 voor het eerst genoemd. Ze moet echter eeuwen oud zijn, want in een oorkonde uit 1028 is er sprake van een nederzetting ‘Rotta’. De Rotte werd voor 1200 ter hoogte van Crooswijk voor het eerst afgedamd in het kader van de aanleg van een dijk vanwege de grote 12de-eeuwse overstromingen. De aanleg van Schielands Hoge Zeedijk meer naar het zuiden rond het midden van de 13de eeuw, betekende een tweede afdamming. In deze dam, het midden van de latere Hoogstraat, bevonden zich enkele uitwateringssluizen waardoor de (Binnen-)Rotte in verbinding beelf staan met de Maas. De beide kaden langs de Rotte ten noorden van de oude stad ontvingen de namen Rechter en Linker Rottekade. Waar deze kaden door Hillegersberg en Terbregge lopen kregen ze na de annexatie de plaatsnamen als toevoegsel. De Rottebrug verbindt over de Rotte de Gordelweg met de Boezembocht. De Rottestraat ontving haar naam omdat ze op de Rotte uitloopt. Zie ook Binnenrotte.

De Hofdijk herinnert aan de ridderhofstad Weena, die noordoostelijk van het huidige Hofplein was gelegen. De Hofdijk komt al in 1397 in bronnen voor. Het slot wordt reeds in 1306 vermeld. De oorspronkelijke Hofdijk stamde uit de 13de eeuw en strekte zich langs de Rotte uit tot het Zwaanshals en de Oudedijk. Het Hofplein ontstond in de eerste helft van de 19de eeuw nadat de Kolk of Gracht tussen de Delftse Poort en de Hofpoort was gedempt. Van 1853 tot 1875 was het plein als veemarkt ingericht. De oudste naam is Hofpoortplein naar de Hofpoort die daar stond en in 1833 is afgebroken. In 1908 werd aan het plein het station van de Zuid-Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij, de lijn Rotterdam-Scheveningen, geopend. Bij besluit B&W 13 september 1949 ontving het verkeersplein op het kruispunt Coolsingel, Weena, Schiekade, Pompenburg de naam Hofplein. Zie ook Weena.

De fotograaf is Lex de Herder en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Rubroekstraat 1958

Start Ronde van Crooswijk in de Rubroekstraat, juli 1958.

Deze straat heet naar het vroegere ambacht Rubroek, dat reeds omstreeks 1283 wordt vermeld. De oudste vorm is Rubroke, later komt ook voor Ruychbroek en Ruychpolder. Ruw en ruig zijn verwanten woorden. Rubroek moet verklaard worden als woest, nog niet ontgonnen moerasland. De polder Rubroek, bestaande uit Achter- of Oud-Rubroek en uit Voor-Rubroek of Vorenbroek werd vroeger, wat betreft waterschapszaken, bestuurd door ambachtsheren of molenbewaarders. Deze werden reeds in het midden van de 16de eeuw door Rotterdam aangesteld. Achter- of Oud-Rubroek behoorde tot de jurisdictie van Hillegersberg, Voor-Rubroek tot die van Rotterdam. Beide gedeelten waren gescheiden door de Oude Zeedijk. Van 1897 tot 1949 had men in deze buurt ook het Rubroekspad.

Omstreeks 1337 komt de heer Van Voorne voor als eigenaar van het huis of de hofstede te Crooswijk. Dit huis kwam later aan de graaf van Holland. Het stond waarschijnlijk op de plaats van het oude Duifhuis, een toltoren die door de Romeinen was gesticht. Het huis komt voor op een kaart van 1567 van Jan Potter. In 1828 kocht de stad de buitenplaats ‘het Huis te Crooswijk’, ook bekend onder de naam van Duifhuis, met de daarbij behorende grond. Het huis werd gesloopt en op het terrein werd een begraafplaats aangelegd. De Crooswijkseweg wordt reeds in 1489 genoemd. Deze liep van de huidige Goudse Rijweg naar de vroegere Oudedijk. Ze kwam ook voor onder de namen Crooswijksche Binnenweg, Goudscheweg, Rubroekscheweg, Oudelandscheweg, Schinkelweg en Gerrit Berchmansweg. De Crooswijksebocht werd voor 1948 alleen aangeduid met de naam Crooswijk.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Spiegelnisserkade 1913

De heer van Mil, een ouderwetse Rotterdamse melkboer in een wit jasje, met een hondenkar waarop de zorgvuldig gepoetste melkbussen met volle melk, taptemelk en karnemelk staan te blinken, bij de Spiegelnisserkade, 1913.

Tot eind 19e eeuw werd melk door of namens de melkveehouder op melkmarkten verkocht of aan huis gebracht. De melk werd vervoerd in houten vaten, die vaak met slootwater werden schoongemaakt. Het rondventen van de melk ging in de stad vaak met een transportfiets met een houten bak en soms een laag plateau waarop twee melkbussen konden staan. Er werd ook gevent met paard en wagen en hondenkarren. Later kwam de bakfiets en daarna de ijzeren hond. De gemotoriseerde SRV-wagen markeerde de laatste fase van bezorging aan huis, toen was de melkboer inmiddels gepromoveerd was tot ‘melkman’.

Er was veel concurrentie. Vaak verscheen in een trappenhuis meer dan een melkboer en na een verhuizing stonden meerdere melkboeren op de stoep om hun diensten aan te bieden. De melkboer had soms een ‘loper’; een sleutel die op alle deuren paste, of de keukendeur was open zodat een klaarstaande pan met melk kon worden gevuld. Vaak werd aan klanten krediet verleend, het zogenoemde poffen.

Sommige werkloze boerenzoons trokken naar de stad en begonnen een winkel waar ze melk, boter, kaas en eieren verkochten. Melkwinkels waren vaak echte buurtzaken. De klanten namen niet altijd pannen mee. Er bestond een systeem van groenteblikken met hengsel, die de melkboer schoonmaakte.

De overheid legde in de loop van de twintigste eeuw steeds meer regels op om de gezondheid en de kwaliteit van de melk te waarborgen. Al in de 19e eeuw werd duidelijk dat melk de veroorzaker was van veel epidemieën (tyfus, difterie, tbc) door de slechte hygiëne op de boerderijen en in de melkwinkel. In 1925 werd de melkkeuring verplicht. De Zuivelwet van 1932 regelde het vaststellen van de melkprijzen, stelde eisen aan de vakbekwaamheid van de melkboer en introduceerde een uitgebreid stelsel van vergunningen met premies voor een hygiënische bedrijfsvoering. In 1935 kwam er een ventverbod voor de zondag. De litermaten die de melkboer gebruikte moesten regelmatig worden geijkt. Sommige melkboeren waren berucht vanwege hun geknoei.

De Spiegelnisserkade heet naar de Spiegelnisserpolder in Schieland. De polder heette vroeger ook wel Kleyn-polder of het Oudeland. Reeds in 1392 wordt het ambacht Spiegelnisse in het Oudeland vermeld. Dit ambacht was het noordelijkste gedeelte van de polder Achter-Rubroek of het Oudeland.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia. Lees verder op https://nl.wikipedia.org/wiki/Melkboer

Met medewerking van Rotterdam van toen

Rotte 1908

Gezicht op de Rotte met de Noorderbrug, uit het zuiden gezien, 1908. Op de voorgrond schepen geladen met witte kool. Op de achtergrond de Heineken bierbrouwerij aan de Crooswijksesingel.

In 1860 werd ter hoogte van het latere Noordplein een hoge houten brug over de Rotte gemaakt, die de naam Rottebrug ontving. Deze werd in 1895 vervangen door een ijzeren ophaalbrug, die Noorderbrug werd genoemd omdat ze toegang gaf tot het Noordplein. In 1909 kwam hiervoor een vaste stenen brug in de plaats. De ophaalbrug werd verplaatst en kwam iets noordelijker over de Rotte te liggen ter hoogte van de Crooswijksestraat en de (Nieuwe) Zaagmolenstraat. Hier deed de Zaagmolenbrug, zoals ze sindsdien genoemd werd, dienst tot 1956.

Het riviertje de Rotte, waaraan de stad Rotterdam zijn naam te danken heeft, wordt in 1242 voor het eerst genoemd. Ze moet echter eeuwen oud zijn, want in een oorkonde uit 1028 is er sprake van een nederzetting ‘Rotta’. De Rotte werd voor 1200 ter hoogte van Crooswijk voor het eerst afgedamd in het kader van de aanleg van een dijk vanwege de grote 12de-eeuwse overstromingen. De aanleg van Schielands Hoge Zeedijk meer naar het zuiden rond het midden van de 13de eeuw, betekende een tweede afdamming. In deze dam, het midden van de latere Hoogstraat, bevonden zich enkele uitwateringssluizen waardoor de (Binnen-)Rotte in verbinding beelf staan met de Maas. De beide kaden langs de Rotte ten noorden van de oude stad ontvingen de namen Rechter en Linker Rottekade. Waar deze kaden door Hillegersberg en Terbregge lopen kregen ze na de annexatie de plaatsnamen als toevoegsel. De Rottebrug verbindt over de Rotte de Gordelweg met de Boezembocht. De Rottestraat ontving haar naam omdat ze op de Rotte uitloopt. Zie ook Binnenrotte.

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen