Category Archives: Bospolder

Bospolderplein 1935

Het Bospolderplein met muziektent en schoolgebouw, 1935.

Artikel van het AD op 6 januari 2007:
De Minervaschool, de Klimroos, de Bospolder kleuterschool, Hermes ulo, Aelbrecht Engelmanschool, de Hudsonschool: verschillende namen passeerden de revue.

Waar welke scholen precies waren gevestigd op dit Bospolderplein, daarover lopen de meningen uiteen. Wel kunnen we met stelligheid zeggen dat er in deze omgeving duizenden Rotterdammertjes moeten hebben gespeeld.

,,Die foto? Geweldig!’’ schrijft Rotterdammer Piet van Vliet. ,,In de omgeving van dit gebouw ligt mijn hele jeugd! In het rechter gedeelte, op de begane grond, was een openbare lagere school voor jongens. Het hoofd was de heer Peet. Daar boven was een meisjesschool. Het hoofd was mejuffrouw Van Weel. De ingang van deze scholen was de linkerpoort. De rechterpoort gaf toegang tot de ulo.’’

In het scholencomplex liggen de voetsporen van bekende Rotterdammers. André van Duin schijnt er te hebben gezeten en Hans van Heelsbergen, beter bekend als Hans Textiel. Rinus de Jong herinnert zich: ,,Ik zat op de lagere school bij hem in de klas. Zijn vader had in de Rosier Faassenstraat een textielwinkeltje. Zie wat ervan is geworden!’’

Veel anekdotes over leraren en leraressen bereikten ons. Juffrouw Poppel, meneer de Bruin, meester Peet, de juffen Van Weel en De Held, de meneren Kok, Den Ouden en Van Gameren, juffrouw Venema: ze komen allemaal voorbij.
Ben Saly: ,,Een leraar, Van Thiel heette hij geloof ik, had twee grijze pukkeltjes op zijn lip. Wij vroegen ons in het eerste jaar af waarom. Tot hij zich tijdens een les een keer naar het wasbakje spoedde om zijn aangebrande lip te blussen. Toen had hij er ineens drie. Hij bleek erg zuinig met roken te zijn. Roken mocht toen nog in de klas.’’

Ook bovenmeester Peet had een naam hoog te houden. ,,Hij had altijd z’n alledaagse bolhoed op. Eelt op zijn handen,’’ weet Cor Frings. ,,Als je daar mee te maken kreeg, dan voelde je de klap weken later nog. Meester Van der Meer was een hele fijne meester. Hij rookte Hofnarsigaren, en spaarde al zijn sigarenblikken voor ons op.’’

Maassluizer A. Klem kent de school via zijn vader. ,,Mijn vader was stoker op de Bospolderschool,’’ schrijft hij. ,,De verwarming werd warm gehouden met behulp van op kolen gestookte ketels. Zwaar werk was dat. Grote kitten werden met de hand gevuld en met een verrijdbare takel boven de ketels gehesen en leeggegooid.’’

In de Tweede Wereldoorlog werd onder het Bospolderplein een grote schuilkelder aangelgd, schrijven veel lezers. De school werd aanvankelijk gebruikt als kazerne voor het Nederlandse leger. Later werd het gebouw gevorderd door de Duitsers.
In de nadagen van de oorlog viel het meubilair ten prooi aan koukleumende Rotterdammers. ,,In de hongerwinter werd alles wat maar kon branden uit de school gesloopt,’’ schrijft mevrouw A. Kieneker. ,,Op zekere dag was ik met wat jongens stiekem houten wanden aan het slopen, toen iemand riep: ze staan ons op te wachten. Ik ben toen over het dak weggevlucht. Niet te geloven dat ik dat heb gedurfd.’’

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van ad.nl http://www.ad.nl/…/Meester-van-Thiel-brandde-zijn-lip-aan-n-peuk.dhtml

Met medewerking van Rotterdam van toen

Schiedamseweg 1937

Gezicht op de Schiedamseweg met rechts op de voorgrond de Spanjaardstraat, 1937.
De Schiedamseweg is de naam van de weg, die van Delfshaven naar Schiedam loopt. Bij besluit B&W 19 mei 1933 werd deze naam eveneens gegeven aan het gedeelte van de Mathenesserdijk tussen Marconiplein en de grens van Schiedam.
De straatnaam Spanjaardstraat herinnert aan de bezetting door de Spanjaarden. Zij hielden van 10 april tot 21 juli 1572 verschrikkelijk huis in Delfshaven. Na hun vertrek werd de havenplaats rondom met wallen en schansen versterkt.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Rosier Faassenstraat 1918

Rosier Faassenstraat met op de achtergrond de Gereformeerde Bospolderpleinkerk aan het Bospolderplein, 1918-1922.

Pieter Jacobus (Rosier) Faassen (‘s-Gravenhage, 9 september 1833 – Rotterdam, 2 februari 1907) was een Nederlandse toneelspeler en toneelschrijver.

De vader van Faassen bezat in Den Haag een zaal waar feesten en partijen werden gegeven, maar was bovendien regisseur van de Franse Opera. Faassen leefde als kind dus al in de toneelwereld. Al snel richtte hij een toneelvereniging op en ging hij in de leer bij de decoratie- en stadsgezichtenschilder Bartholomeus Johannes van Hove, die in de Haagse Tekenacademie lessen gaf. De Franse opera was in die tijd zo achteruitgegaan dat de vader van Faassen zijn betrekking verloor; ook in de zaal Tivoli gingen de zaken slecht zodat hij besloot daar zelf een toneelgezelschap te vestigen en zijn zoon daarin opnam, die naast het acteren ook de meeste toneelstukken, uit het Frans, vertaalde. Toen ook deze zaak dreigde te mislukken kreeg de vader van Faassen een engagement als regisseur-administrateur aan de Vaudeville Français, waaraan de zoon als tweede komiek werd verbonden.

Rosier debuteerde in het stuk Misanthropie et Repentir in 1850; na de dood van zijn vader bleef hij nog enige tijd als administrateur aan het gezelschap verbonden, toen het gezelschap uiteen viel en hij terechtkwam bij de firma Schoeman & Van Lier, waar hij van alles speelde, in blijspelen, drama’s, spektakelstukken en opera’s. In 1860 kwam Faassen bij Valois in Den Haag, waar Victor Driessens regisseur en eerste acteur was, en waar hij zestien jaar bleef. In 1876 viel het gezelschap uiteen (mede door de oprichting van Het Nederlandsch Tooneel) en verbond Faassen zich bij Le Gras & Haspels, nam enige tijd deel aan de afdeling Rotterdam van het Nederlands Toneel en trad daarna in de vennootschap die, behalve uit hemzelf, nog bestond uit Catharina Beersmans, Le Gras en de heren Jaap en Dirk Haspels en die sinds 1885 in de Eerste Schouwburg in Rotterdam speelde. Toneelstukken waarin Faassen speelde waren onder meer De Kiesvereniging van Stelledijk, Vorstenschool, Serge Panine, John Gabriël Borkman, De Militaire Willemsorde, enz.

In 1866 schreef Faassen zijn eerste stuk, Het leren van Ceasar, zes jaar later volgde De Werkstaking; latere stukken waren onder meer Anne-Mie, Manus de Snorder, Zwarte Griet en Hannes. Deze stukken speelden zich meestal af in een eenvoudig milieu, onder burger- of boerenmensen, waarvan Faassen de gewoonten en eigenaardigheden naar voren liet komen. Twee van zijn stukken werden door een Engelse schouwburg-ondernemer gekocht, vertaald en in Londen opgevoerd (Anne-mie en De ledige wieg). Op 31 augustus 1896 werd Faassen benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen