Category Archives: Spangen

Spangesekade, 1940

De Spangesekade met rechts de Delfshavense Schie en op de achtergrond de spoorbrug, 1940.

De wijk Spangen en de Spangesekade danken hun naam aan de Spangense of Spaansepolder. In 1918 werd in deze polder met stratenaanleg begonnen. Er kwam hier een wijk met bijzondere woningbouw, zoals galerijbouw, tot stand. De wijk ontving de naam Spangen. In deze buurt lag vroeger het slot Spangen, eigendom van de familie Van der Spangen, een tak van de familie Van Mathenesse. Volgens oude kroniekschrijvers moet het slot in 1310 zijn gebouwd. Ten tijde van de Hoekse en Kabaljauwse twisten werd het enige malen verwoest en herbouwd. De Spanjaarden verwoestten het slot in 1572. De Spangesekade heette voor 1886 Boerenschie of West-Schiekade. De eerste naam was waarschijnlijk gegeven naar de boeren, die langs deze kade naar Delfshaven gingen. De andere naam omdat de kade ten westen van de Delfshavense Schie lag.

Hertog Aelbrecht van Beieren verleende in 1389 aan de stad Delft vergunning om vanaf Overschie een kanaal te graven tot aan de Maas. Dit kanaal sloot aan op de oude Delftse Schie. Aan de monding van deze vaart ontstond een nederzetting, die de naam Delfshaven ontving. Het water werd de Delfshavense Schie genoemd ter onderscheiding van de reeds bestaande Rotterdamse Schie.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Mathenesserdijk, Delfshavense Schie 1898

Gezicht op de Mathenesserdijk (links) en de Delfshavense Schie (rechts), 1898-1902.

Deze straatnaam is ontleend aan de ambachtsheerlijkheid Mathenesse die al in 1276 voorkomt. De naam zal een samenvoeging zijn van de woorden made (weide) en nes (aangeslibd land). Als oudste ambachtsheer wordt genoemd Dirk Bokel, wiens kleinzoon zich Dirk van Mathenesse noemde. Het Slot Mathenesse of Huis te Riviere, waarvan nog een ruïne aanwezig is, lag aan de Schiedamse Schie ten noordwesten van Schiedam. Binnen de ambachtsheerlijkheid lagen de polder Nieuw- en Oud-Mathenesse. De Mathenesserdijk, vroeger Schiedamsedijk geheten, maakt deel uit van Schielands Hoge Zeedijk. De dijk heette vroeger ook Groenedijk.

In 1389 verleende hertog Aelbrecht van Beieren aan de stad Delft vergunning tot het graven van een vaart naar de Maas. Aan de mond ontstond Delfshaven, de haven van Delft. In oude stukken treft men vaak de naam Delfsche haven aan. De naam wordt, ten onrechte, ook wel eens Delftshaven gespeld volgens de huidige schrijfwijze van de stad Delft. De oude naam van deze stad was Delf. Vandaar de naam Delfshaven. Het dorp heeft van 1795 tot 1803 een zelfstandig bestaan geleid. Daarna werd het weer een deel van Delft. De band met deze stad werd in 1811 definitief verbroken. In 1825 verkreeg Delfshaven de status van stad. De jonge stad werd in 1886 verenigd met Rotterdam. De Delfshavense Schie is de in 1389 gegraven vaart van Overschie naar Delfshaven. Ze draagt deze naam ter onderscheiding van de Schiedamse Schie en de Rotterdamse Schie. De Delfshavenseweg is de kade die in Overschie langs de Delfshavense Schie ligt.

De foto komt uit de collectie Topografie Rotterdam en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Da Costastraat 1930

Gezicht in de Da Costastraat met op de voorgrond het P.C. Hooftplein, 1930.

Isaäc da Costa (Amsterdam, 14 januari 1798 – aldaar, 28 april 1860) was een Amsterdams dichter en historicus. Da Costa kwam uit een welgesteld joods bankiersgezin. Hij volgde de Latijnse school en werd op vijftienjarige leeftijd lid van het Israëlitisch genootschap Concordia Crescimus.

Zijn leraar Hebreeuws Mozes Lemans bracht hem in contact met Willem Bilderdijk, wiens leerling hij werd. Hij schreef liederen en politieke poëzie; zo heeft hij ook geschreven voor ‘Nederlandsche Stemmen’, een tijdschrift van Het Réveil. Zelf meende hij dat zijn levensroeping het bestuderen van theologie, letterkunde en geschiedenis was. Hij promoveerde in 1818 in de rechten en in 1821 in de letteren.

Hij was vurig in het belijden van zijn godsdienst. Eerst was hij orthodox-joods maar later is hij orthodox protestants christen geworden. Dat maakte hij pas in 1822, na de dood van zijn ouders bekend, om zijn ouders niet te kwetsen. Hij vormde later met een groepje Het Réveil, die de samenleving wilden terugbrengen onder de heerschappij van Christus. Hij opende samen met z’n jonge vrienden een nieuwe wereld voor de jongeren van toen. Onder zijn medestanders telde hij onder meer de reiziger Johannes Haefkens. Een belangrijke tegenstander was de katholieke historicus, dichter en apologeet Joachim le Sage ten Broek die hem in een openbare brief opriep zijn heil te zoeken bij de kerk van Rome.

Zijn bekendste werk is de (geruchtmakende) brochure ‘Bezwaren tegen den geest der Eeuw’ (1823). In een voor- en nawoord en tien hoofdstukken over diverse onderwerpen bepleit hij een dominantie van het (protestantse) christendom in het openbare leven en betreurt hij – zoals hij die ziet – de dominantie van de Verlichting.

Pieter Corneliszoon Hooft (Amsterdam, 16 maart 1581 – Den Haag, 21 mei 1647) was een Nederlandse dichter, toneelschrijver en historicus, alsmede drost van Muiden en baljuw van Naarden. Hooft werd de meest karakteristieke exponent van de renaissance in Nederland en introduceerde de renaissancistische vormen in de Nederlandse literatuur. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw schiep Hooft zowel in de lyriek als in het drama de modelwerken waaraan de andere literatoren zich zouden optrekken. Literatuurcriticus Kees Fens noemde hem ‘de eerste moderne dichter’ in de Nederlandse taal.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Justus van Effenstraat, 1950

Het Justus van Effenblok aan de Justus van Effenstraat, 3 mei 1950.

Het Justus van Effencomplex is in 1918 ontworpen door de Rotterdamse architect Michiel Brinkman. De opdracht kwam van ir. A. Plate, toenmalig directeur van de Gemeentelijke Woningdienst. Hij wilde de huisvestiging voor de minst draagkrachtigen verbeteren. Het idee was om via een groot complex veel mensen tegelijk aan een woning te helpen. In september 1922 werd het complex voor de eerste keer opgeleverd, fonkelnieuw en hypermodern.

Het wooncomplex is opgetrokken uit gele IJsselsteen en roodbruine baksteen en bestaat uit vier woonlagen met een plat dak. Het complex heeft een omtrek van 80 bij 150 meter en telt vier ingangen. Het blok omsluit een binnenterrein waar wat kleinere huizenblokken staan. De voordeuren van de woningen liggen aan het groene binnenterrein en niet, zoals gebruikelijk, aan de omliggende straten, waardoor het woonblok de intieme sfeer heeft van een dorpje in de stad. Het telde in totaal 264 woningen.

De woningen bestaan uit één etage woningen op de begane grond en op de eerste verdieping. Hierboven op zijn maisonnettes gevormd op de derde en vierde woonlaag met een entree op de galerij. De woningen hebben centrale verwarming (voor het eerst toegepast in de volkswoningbouw in Nederland). Bovendien waren er allerlei voorzieningen in het complex gemeenschappelijk, zoals wassen, drogen en strijken. Die opzet zou bijdragen aan de saamhorigheid van de bewoners, zo hoopte architect Brinkman.

Het gebruik van een galerij, een verhoogde woonstraat aan de binnenkant van het blok, werd toen in Nederland nog nergens toegepast. De brede galerij langs de tweede verdieping maakte het bakkers en melkboeren mogelijk om met hun karren naar boven te gaan. De galerij is van zeer grote invloed geweest op de Nederlandse architectuur. Ze dient als inspiratie zoals bij eerste galerijflat van Nederland, de Bergpolderflat van Willem van Tijen.

De in 1984 gestarte renovatie van het inmiddels wereldberoemde Rijksmonument is uitgevoerd door architectenburo L. de Jong in samenwerking met de Rijksdienst van Monumentenzorg. De oorspronkelijke 264 kleine woningen (gemiddeld 50m2) werden samengevoegd tot 164 ruimere appartementen. De luchtstraat werd integraal vervangen en de authentieke gele gevels aan het binnenterrein wit geverfd. In 1985 kreeg het complex de status van Rijksmonument. Ondanks de ingrepen voldeed het gebouw al snel niet meer aan de moderne wooneisen en raakte het in verval.

In 2000 besloot Woonstad Rotterdam tot een grootscheepse restauratie. Uitgangspunt was het herstellen en terugbrengen van het gebouw in zijn oorspronkelijke waarde, waarbij het moest gaan voldoen aan de modernste eisen op het gebied van wooncomfort en energieprestatie. Aan de restauratie ging een visieprijsvraag vooraf die werd gewonnen door Molenaar & Co architecten en Hebly Theunissen architecten. Voor de ruimtelijke herinrichting van de binnenterreinen tekende Michael van Gessel Landscapes. Het bijzondere energieconcept is van W/E adviseurs. De werkzaamheden van aannemer Jurriëns Bouw begonnen in 2010.

Het aantal woningen werd verder teruggebracht. De 154 woningen voldoen nu aan de modernste eisen op het gebied van wooncomfort en energieprestatie. Waarbij veel oorspronkelijke details zijn hersteld die bij de eerste renovatie verloren waren gegaan. De gevels zijn in de originele staat teruggebracht, de trappenhuizen vernieuwd, de aluminium kozijnen zijn vervangen door houten reconstructies van de oorspronkelijke kozijnen, maar ook zijn de woningen voorzien van CO2-gestuurde ventilatie en vloerverwarming en zwaar geïsoleerd. Verwarming én verkoeling gebeurt door een centrale installatie voor warmte- en koudeopslag (WKO) die onder het voormalige badhuis is geïnstalleerd, op de plek van de oude stookkelder. De ingrijpende restauratie heeft twee jaar geduurd en 30 miljoen euro gekost. Op 6 september 2012 vond de officiële oplevering plaats. Het Justuskwartier, zoals het na de restauratie is gedoopt, is dan precies 90 jaar oud.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Sparta – DOS 1957

Jayne Mansfield zoent Spartaspeler Rinus Terlouw voor de aftrap van Sparta – DOS op 13 oktober 1957.

Via de site van Radio 1:
Voor veel Sparta-fans was het een legendarische gebeurtenis, die aftrap op 13 oktober 1957. Mansfield sloot het voetbalmoment af met een zwoele kus op de mond van aanvoerder Rinus Terlouw. Het elftal was daarvan zo onder de indruk, dat ze onderuit gingen met 7-1.

Herman Kuiphof, die bij de wedstrijd was, zou er in 1992 over vertellen in NRC. “Een van de weinige keren dat hij echt faalde, was in een vriendschappelijke wedstrijd tegen het Utrechtse DOS. Maar dat kwam waarschijnlijk doordat hij rond de aftrap een kusje had gekregen van de Amerikaanse sexbom-filmster Jayne Mansfield. Het werd 7-1 en `de rots’ was die dag van bordpapier.”

De historische aftrap nam Mansfield overigens in een even zo historisch stadion: Het Kasteel bestaat al meer dan 100 jaar. Tot april dit jaar was Mansfield te bewonderen op een groot billboard nabij het stadion, maar een voorjaarsstorm maakte daar een einde aan.

De Amerikaanse overleed tien jaar na de aftrap ten gevolge van een auto-ongeluk. Ze was op weg naar een nachtclub in Mississippi, waar ze zou optreden als zangeres. Ze was nog maar 34 jaar.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van https://www.nporadio1.nl/…/6227-deze-dag-toen-jayne-mansfie…

Met medewerking van Rotterdam van toen

Gezicht in de Spartastraat, 1922

De eerste versie van het Kasteel werd gebouwd in 1916, naar een ontwerp van de architecten J.H. de Roos en W.F. Overeijnder. Het eerste voetbalstadion van Nederland werd geopend op zondag 15 oktober 1916. De openingswedstrijd op ‘de Sparta Burcht’ werd gespeeld tegen Willem II. In de loop der jaren werden de tribunes van “Stadion Spangen” diverse malen vernieuwd en uitgebreid. De meest ingrijpende renovatie vond plaats in 1998-99: het stadion werd toen bijna volledig herbouwd volgens een ontwerp van architectenbureau Zwarts & Jansma. Het veld werd daarbij een kwartslag gedraaid, waardoor “Het Kasteel” nu deel uitmaakt van de Kasteeltribune aan de lange zijde van het stadion, terwijl het eerst aan de korte kant van het stadion gelegen was. De naam van het nieuwe stadion werd Sparta-Stadion “Het Kasteel”. Het heeft een capaciteit van 10.599 plaatsen. Het stadion werd heropend met een vuurwerk- en lasershow en een wedstrijd tegen Glasgow Rangers, die in 0-0 eindigde.

Alleen het gebouw met de twee torentjes, waaraan het complex al decennialang zijn bijnaam Het Kasteel dankte, bleef bij de verbouwing van 1999 behouden, inclusief het bouwaardewerk van Willem Coenraad Brouwer. Dat gebouwtje werd in november 2004 aangekocht door de zakenman Hans van Heelsbergen, die toen voorzitter van Sparta Rotterdam was. Van Heelsbergen opende er een horecagelegenheid en het Sparta Museum.

Ook liet hij de fanshop vernieuwen; deze werd naar de andere kant van het stadion verplaatst en werd ongeveer vijf maal zo groot als de oude fanshop. De shop heeft nu twee verdiepingen en verkoopt naast Sparta spullen ook merkkleding.

In 2014 is Sparta uit kostenoverwegingen overgestapt op een kunstgrasveld.

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Scorebord Sparta bij de wedstrijd Sparta-Eindhoven stand 6-0, 1956.

Scorebord bij de wedstrijd Sparta-Eindhoven met de stand 6-0, 28 oktober 1956.

Uit Het Vrije Volk van 29 oktober 1956:
ER IS FEEST op ‘t Kasteel; blijdschap in de harten van de Sparta-supporters. De roodwitten, sterk op eigen Rotterdamse bodem, behaalden een fiere 6 – 0 overwinning op Eindhoven. De grauwe somberheid van de vorige weken werd in deze snelle overrompelende wedstrijd met een half dozijn voortreffelijke doelpunten uitgewist…

Eindhoven, zwak in de defensie, traag in de voorhoede, werd door de vurige Spartanen volkomen van het veld gespeeld. De 15.000 toeschouwers zagen slechts de onuitblusbare aanvalslust van de Rotterdammers, hun rappe combinaties afgewisseld met razende solo’s van de buitenspelers Van Ede en Geel.

Daniëls, middenvoor, scoorde drie uitstekende doelpunten. Geel, Van Ede en Verhoeven namen het andere drietal voor hun rekening en zij drukten daarmee de grenzeloze activiteit van de gehele aanvalslinie uit.

Bosselaar en Benningshof speelden zoals binnenspelers betaamt: onvermoeibaar zwoegend, voortdurend met goede passes paniek zaaiend in het zuidelijk defensieblok.

De blauw-witte verdedigers raakten reeds in de eerste minuten hun zekerheid kwijt; Een fel doorzettende Benningshof (hij is zijn plaats volkomen waard!) drong door in het strafschopgebied en lanceerde uit een moeilijke positie een lage voorzet. Linksback Tebak en stopper Van Kemenade stonden elkaar in de weg. Tussen de benen van de spil door rolde de bal verder. En daar stond Daniëls. Zijn schot was half-hoog, hard en zuiver! (1—0).
Benningshof zelf knalde van verre afstand op de paal, de goed spelende rechtshalf Verbeek loste een schot, waarmee de jonge Eindhoven-goalie Heijink alle moeite had.

Het Sparta-bombardement verslapte slechts even om doelman Van Dijk gelegenheid te geven een heldenrol te spelen. Driemaal achtereen stond hij pal in de baan van schoten van zuidelijke aanvallers. Een stoere kopbal van middenvoor Louwers (na rust linksbuiten) werkte hij weg, maar voor de voeten van Tielens, die opnieuw inschopt. Van Dijk redde. Ten slotte probeerde Snoek het nog een keer, maar weer die keeper…

Hoofdschuddend trokken de Eindhovenaren terug. Zelfs het uitvallen van Terlouw (beenblessure) kon hen niet inspireren. Zij merkten trouwens snel, dat Hans de Koning ook een stopper van betekenis is. En invaller linkshalf Verhoeven was ook geen verzwakking.

De zuidelijken konden het hoofd blijven schudden. Zij zagen verbaasd toe hoe linksbuiten Peet Geel een formidabele rush ondernam, nadat hij door een pass van Benningshof in de vrije ruimte kwam. Hij omspeelde ook doelman Heijink en het was 2 – 0.

Nog voor rust toen Bosselaar een bekende dieptepass afgaf, die Tebak verkeerd beoordeelde. Daniëls liep door en scoorde heel goed. Tebak verliet kort daarna het veld (Vlemmix nam zijn plaats in). Trouwens alle spelers verlieten de kokende arena, want het was rust.

In de tweede helft geen Eindhovens herstel. Steeds minder bleken Louwers, Snoek c.s. in staat De Koning en zijn makkers te verontrusten, steeds minder vat kreeg de defensie op de niet te stuiten aanvallen van Sparta.

Het doelpuntenfestijn werd na 20 minuten voortgezet toen Tony van Ede (prachtig op dreef) weergaloos snel langs de lijn snelde en van verre voorzette. Keeper Heijink kon er niet bij. Rechtsback v. d. Boomen miste en Verhoeven knalde raak (4 – 0)

Van Ede toonde het verrukte publiek, dat zat te genieten in het heerlijke zonnetje, zijn uitgelezen sprinterskwaliteiten. Hij ving een fraaie hoge pass van Lou Benningshof op, schudde linkshalf Visscher van zich af, gleed vervaarlijk het strafschopgebied binnen en passeerde de arme doelman kansloos (5 – 0).

Weer speelde Van Ede een rol van betekenis, toen hij goed afgaf aan zijn middenvoor Daniëls, die zeer beheerst en zuiver het zesde, klassieke, doelpunt op zijn naam bracht (6 – 0).
En nog wisten de Spartanen niet van ophouden. Zij streden in dit eerlijke, mannelijke duel tot de laatste minuut op volle kracht. Gelukkig bleven ook de zuidelijken vechten voor een doelpunt, waarmee althans een stukje van de eer gered zou zijn. Het lukte niet. Jammer voor de dappere vechters uit het zuiden, die hun bijdrage leverden om deze zondag tot een gloriedag voor Sparta te maken. Een gloriedag, waar rood-wit op heeft zitten wachten, omdat daarmee de periode van herstel ingeluid kan worden.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit Het Vrije Volk van 29 oktober 1956 via delpher.nl

Met medewerking van Rotterdam van toen

Spartastraat 1929

Gezicht in de Spartastraat met rechts het Kasteel, 1929.

Sparta-Stadion “Het Kasteel” is het stadion van de Nederlandse betaald-voetbalclub Sparta Rotterdam. Het ligt in de Rotterdamse wijk Spangen.

De eerste versie van het Kasteel werd gebouwd in 1916, naar een ontwerp van de architecten J.H. de Roos en W.F. Overeijnder. Het eerste voetbalstadion van Nederland werd geopend op zondag 15 oktober 1916. De openingswedstrijd op ‘de Sparta Burcht’ werd gespeeld tegen Willem II. In de loop der jaren werden de tribunes van “Stadion Spangen” diverse malen vernieuwd c.q. uitgebreid maar de meest ingrijpende renovatie vond plaats in 1998-99: het stadion werd toen bijna volledig herbouwd volgens een ontwerp van architectenbureau Zwarts & Jansma. Het veld werd daarbij een kwartslag gedraaid, waardoor “Het Kasteel” nu deel uitmaakt van de Kasteeltribune aan de lange zijde van het stadion, terwijl het eerst aan de korte kant van het stadion gelegen was. Het nieuwe stadion werd gedoopt tot Sparta-Stadion “Het Kasteel”. Het heeft een capaciteit, na enkele kleine wijzigingen, van op dit moment 10.599 plaatsen. Het Stadion werd geopend met een vuurwerk- en lasershow en een wedstrijd tegen Glasgow Rangers, die in 0-0 eindigde.

Het Kasteel had ook bewoners. Er woonden verschillende mensen in die de functie van terreinmeester vervulden. De laatste bewoners was een familie Kiss, die er woonde van 1969 tot 1991.
“Slechts” het gebouw met de twee torentjes, waaraan het complex al decennialang zijn bijnaam Het Kasteel dankte, bleef bij de verbouwing van 1999 behouden, inclusief het bouwaardewerk van Willem Coenraad Brouwer. Dat gebouwtje werd in november 2004 aangekocht door de zakenman Hans van Heelsbergen die behalve directeur van de textielketen Hans Textiel ook voorzitter van Sparta Rotterdam was. Van Heelsbergen opende er een horecagelegenheid, en een Sparta-museum

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Schiedamseweg 1923

Schiedamseweg met het klooster Regina Pacis in aanbouw aan het Willem Beukelszplein, 1923-1927. Rechts het politiebureau.

De Schiedamseweg is de naam van de weg, die van Delfshaven naar Schiedam loopt. Bij besluit B&W 19 mei 1933 werd deze naam eveneens gegeven aan het gedeelte van de Mathenesserdijk tussen Marconiplein en de grens van Schiedam.

Het Willem Beukelszplein is vernoemd naar Willem Beukelsz. van Biervliet. Hij was een visser, die omstreeks 1397 het haringkaken uitvond. Het plein heeft bestaan van 1920 tot 1952.

Uit het Rotterdamsch Nieuwsblad van 28 april 1930:
Het nieuwe klooster ‘Regina Pacis’, van de broeders van de Onbevlekte Ontvangenis, die met het onderwijs voor de jongens zijn belast, op het Willem Beukelszoonplein in Spangen. Het is gebouwd naar teekening van architect Jos Margry en vorige week door den deken van Rotterdam, kanunnik J.W. van Heeswijk, plechtig ingezegend.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van delpher.nl

Van Lennepstraat 1918

Nederlandse Hervormde Kerk Kapel Spangen op de hoek van de Van Lennepstraat en de Betje Wolffstraat, 1918-1922.

Van Lennep, lid van de familie Van Lennep, was een zoon van de classicus en dichter David Jacob van Lennep (1774-1853) en Cornelia Christina van Orsoy (1778-1816). Hij studeerde rechten aan de Universiteit Leiden en verwekte aldaar op 20 jarige leeftijd bij een adellijke vriendin een buitenechtelijk kind, Geertrui Elisabeth Tulle, die vervolgens door een min werd opgevoed. In 1823 maakte hij met zijn studiegenoot Dirk van Hogendorp een voetreis door de Noordelijke – protestante – Nederlanden. In 1824 studeerde hij af en trouwde datzelfde jaar, tegen de zin van zijn vader, met jkvr. Henriëtte Röell, dochter van de Minister van Staat baron Willem Frederik Röell (1767-1835), waarna zij beiden zich in Amsterdam vestigden.

In 1829 werd Van Lennep benoemd tot rijksadvocaat. Een jaar later verhuisde hij naar de Keizersgracht, tegenwoordig nummer 560, waar hij tot zijn dood bleef wonen. In 1834/35 steunde hij de naar Engeland gevluchte dichter Gerrit van de Linde, beter bekend als de schoolmeester. In 1840 was hij de initiator van een duinwaterleiding tussen Bloemendaal en Amsterdam. Daaruit zou de Amsterdamsche Duinwater-Maatschappij ontstaan. Van 1853 tot 1856 was hij lid van de Tweede Kamer. Hij overleed in 1868 op 66-jarige leeftijd in Oosterbeek, waar hij op de Oude Begraafplaats begraven ligt.

Betje Wolff (Elizabeth Wolff-Bekker, Vlissingen, 24 juli 1738 – Den Haag, 5 november 1804) was een Nederlands schrijfster, vooral bekend van haar samen met Aagje Deken geschreven briefromans.

Betje Bekker werd geboren in een gegoede calvinistische familie. Ze had een onstuimig karakter en vrijzinnige ideeën.

Ze trouwde op 18 november 1759 met de 52-jarige dominee en weduwnaar Adriaan Wolff uit de Beemster. Zijn enige dochter uit zijn eerste huwelijk vertrok meteen het huis uit. Het nieuwe echtpaar bleef kinderloos.

In 1763 debuteerde zij met de bundel Bespiegelingen over het genoegen. In 1777, na de dood van haar echtgenoot, ging Wolff samenwonen met Aagje Deken en begonnen zij gezamenlijk te publiceren. In 1778 verhuisden Wolff en Deken naar De Rijp Rechtestraat 36 en later naar Rechtestraat 40, waar een gevelsteen geplaatst is met de tekst “Hier woonden Elisabeth Wolff-Bekker en Agatha Deken in 1780-1781′. Na het krijgen van een erfenis in 1782 door Aagje Deken vestigden ze zich in Beverwijk aan de Peperstraat 17. Ze werkten daar in het tuinhuis ‘Lommerlust’ aan hun boeken. Hun grootste successen waren de briefromans De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) en Historie van den heer Willem Leevend (1784-1785).

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen