Welkom op Hertogjans Place

De site met muziek en webchat.
En natuurlijk het blog Rotterdam Oud & Nieuw.
Mocht je verhalen hebben mail me mijn email is janelburg@hotmail.nl .
Graag bestaande verhalen met foto’s.
Ik ben Dj bij een online radio station dus er zullen soms advertenties van het radio station staan, de  radio, webchat kan je vinden boven aan de site.
De meeste artikelen zijn met medewerking van Rotterdam van toen

Veel lees en eventueel luister en chat plezier.

Vriendelijke groet Jan

 

Koninginnekerk Boezemsingel, 1946

Parkeerdrukte voor de Koninginnekerk, rechts de Slachthuiskade en links de Boezemstraat, 1946.

De protestantse Koninginnekerk aan de Boezemsingel op de grens tussen de wijken Crooswijk en Kralingen in de gemeente Rotterdam werd in 1907 in gebruik genomen. Ze was genoemd naar koningin Wilhelmina.

Begin twintigste eeuw waren veel Rotterdammers naar nieuwe wijken buiten het stadscentrum verhuisd. Sommige in het centrum gelegen kerkgebouwen kampten daardoor met verminderd bezoek en werden gesloten en verkocht. De opbrengst investeerde men in nieuwe kerken in de randwijken. De Koninginnekerk werd op dergelijke wijze gerealiseerd. Bovendien ontving men een belangrijke gift van de gezusters Van Dam, die ook de Wilhelminakerk in Rotterdam-Zuid hadden gefinancierd en de bouw van het Rotterdamse Diaconessenhuis mogelijk maakten. In juli 1904 werd de eerste steen gelegd en op 1 april 1907 kon de nieuwe kerk plechtig worden ingewijd. Het ontwerp was van de architecten Barend Hooijkaas jr. en Michiel Brinkman. Het gebouw telde 1750 zitplaatsen. In de loop der jaren werd de Koninginnekerk een begrip in Rotterdam. Toen eind jaren zestig bekend werd dat het statige gebouw met zijn twee imposante torens afgebroken zou worden leidde dit in de stad tot veel protest. Desondanks werd het godshuis gesloopt nadat er op 31 december 1971 de laatste eredienst was gehouden.

Op de plaats waar de kerk stond verrees een dertien etages hoge verzorgingsflat voor ouderen, woonzorgcentrum Hoppesteyn geheten. Hiernaast kwam in 2001 de Koninginnetoren te staan, een 78 meter hoog gebouw met 85 seniorenappartementen. De bovenste etages zijn groen gemaakt als herinnering aan de kopergroene daken op de torens van de kerk.

De Slachthuiskade is vernoemd naar het Rotterdams Openbaar Slachthuis dat in 1897 werd gebouwd aan de Boezemstraat in Crooswijk. In de volksmond stond het al gauw bekend als het ‘abattoir’. Het lag dicht in de buurt van de veemarkt. In de loop van de jaren is herhaaldelijk gepoogd het slachthuis naar een ander deel van Rotterdam te verplaatsen. Tot 1981 bleef het echter op de oude plaats in gebruik. In dat jaar verhuisde men naar een nieuw slachthuis in de Spaansepolder. Het oude complex in Crooswijk werd kort daarop gesloopt. Van 1900 tot 1987 had een zijstraat van de Slachthuiskade de naam Slachthuisstraat. Deze straat heet thans Keurmeesterstraat.

De Boezemstraat ontleent haar naam aan de Hoge Boezem. Op 14 januari 1769 werd door de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend om, tot ontlasting van de gemeene boezem de Rotte, een tweede boezem te maken in de polder Rubroek. Het overtollige water kon door een sluis bij de Oostpoort ontlast worden in de Nieuwe Maas. De aanbesteding van de hoge en de lage boezem en de watermolens vond plaats op 25 april 1772. In 1854 werd nog een Reserveboezem gegraven. In 1897 werden de Hoge en Lage Boezem gedeeltelijk en de Reserveboezem geheel gedempt.

De foto is gemaakt door de Dienst Gemeentewerken en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Doklaan richting de Maastunnel, 1946

De Doklaan herinnert aan de hier gelegen voormalige Dokhaven. De haven werd in 1881 gegraven en ongeveer een eeuw later gedempt. Ze dankte haar naam aan de gemeentelijke dokken en veren, die hier lagen. Op het gedempte terrein zijn woningen gebouwd en is het Dokhavenpark aangelegd. Vóór de demping lag ten zuiden van de haven de Dokhavenkade.

De Maastunnel is de oudste afgezonken tunnel van Nederland. Hij verbindt in Rotterdam de oevers van de Nieuwe Maas met elkaar. De tunnel omvat vier buizen: twee voor auto’s, een voor fietsers en een voor voetgangers. De bouw ging in 1937 van start en was in 1942 voltooid.

Aan de bouw waren jaren van heftige discussies voorafgegaan, tussen 1898 en 1910. Iedereen was het er wel over eens dat een nieuwe oeververbinding nodig was, omdat er files ontstonden voor de Willemsbrug en de Koninginnebrug. De discussie spitste zich dan ook vooral toe op de vraag of er een brug of tunnel moest worden gebouwd. Uiteindelijk is er een tijd een veerdienst geweest die ook auto’s kon vervoeren, maar deze ferry-dienst kon de drukte bij de bruggen niet ontlasten. De gemeente Rotterdam kreeg uiteindelijk eind jaren twintig haar zin: een tunnel bleek financieel aantrekkelijker dan een brug, met name vanwege de grote hoogte, 60 meter, die een brug zou moeten krijgen om het scheepvaartverkeer niet te hinderen.

De Maastunnel werd gebouwd volgens de afzinkmethode. De afzonderlijke segmenten (caissons) voor de Maastunnel werden elders in een droogdok gebouwd, en zijn vervolgens naar de plaats van de tunnel gesleept en daar afgezonken. Deze methode zou later bij talloze andere Nederlandse tunnels worden toegepast. Om lekken te voorkomen is bij de Maastunnel rond de hele betonconstructie een bekleding van aaneengelaste staalplaten aangebracht. De Maastunnel is de eerste onderspoelde tunnel ooit gebouwd; na plaatsing op in de bodem van de Maas werd zand onder en naast de tunnel gespoten. Hierdoor kon de riviertunnel in rechthoekig dwarsprofiel worden uitgevoerd. Voordien hadden dergelijke tunnels altijd een ronde buis.

Elk van de negen afgezonken delen van de Maastunnel heeft een lengte van 61,35 meter, een hoogte van 9 meter en een breedte van 25 meter. Daarin liggen naast elkaar twee buizen voor gemotoriseerd verkeer (met een doorrijhoogte van 4 meter), en daarnaast twee boven elkaar gelegen buizen voor (brom)fietsers en voetgangers, bereikbaar via houten roltrappen. Voor het controleren van de luchtkwaliteit in de tunnel bevond zich een laboratorium in een van de ventilatiegebouwen.
Inclusief toeritten is de Maastunnel 1373 meter lang. Het gesloten gedeelte is 1070 meter lang. Het diepste punt van de tunnel ligt circa 20 meter onder NAP. Bovengronds is de tunnel te herkennen aan de karakteristieke ventilatiegebouwen op de beide oevers, ook goed zichtbaar vanuit de Euromast, die zich vlak bij de tunnel bevindt. In aansluiting op de Maastunnel is door Rotterdam de Tunneltraverse aangelegd.

De tunnel werd op 14 februari 1942 in stilte geopend. Dit geschiedde zonder ceremonieel, omdat men weigerde er een nazifeest van te maken.

De foto is gemaakt door de Dienst Gemeentewerken en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Landhuis De Oliphant aan de Kromme Zandweg, 1977

Herbouw van landhuis De Oliphant aan de Kromme Zandweg, 17 augustus 1977. Het dak van het torentje staat klaar om gemonteerd te worden. Op 18 augustus, ‘s morgens vroeg, is het torentje op het dak van de Oliphant geplaatst. Het streven is om De Oliphant eind oktober 1977 in gebruik te nemen.

In 1591 gaf Cornelis van Coolwijk opdracht voor de bouw van Landhuis De Oliphant in de nieuw bedijkte polder bij de Nieuwe Sluis op het eiland Voorne. Van Coolwijk woonde in Delft ‘In de Gulden Olyphant’. De naam van zijn huis kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Hij zou namelijk actief geweest zijn in de lucratieve ivoorhandel en hij had als rentmeester belangen op Voorne. Zijn nieuw gebouwde boerderij moest met het achthoekige torentje op een kasteeltje lijken en zo zijn invloed en aanzien zichtbaar maken. De pretenties van de bouwheer werden bovendien uitgedrukt in de gevelsteen in de vorm van een gotische spitsboog boven de toreningang, waarop een olifant met een burcht op de rug is afgebeeld. De gouden wapens met een lange zwarte punt in het midden, die in de twee hoeken van de gevelsteen staan, kunnen evenmin aan Van Coolwijk worden toegeschreven. De olifant werd geassocieerd met triomf en faam, begrippen waaraan ook de trompetvorm van de slurf doet denken. Vandaar ook dat ons landhuis ‘De Oliphant’ heet.

Na Van Coolwijk heeft de statige boerderij vooraanstaande eigenaren gekend, onder wie de Heren van Heenvliet en Oudenhoorn en opvallend veel vrouwen die het goed erfden. Ook de pachtboeren ontleenden de nodige status aan de allure van hun boerderij. Hoewel er in de zomer in De Oliphant altijd wel een herenkamer als logeerruimte voor de pachtboer en zijn gezin beschikbaar zal zijn geweest, liet in 1772 de toenmalige eigenaar de boerderij verbouwen en uitbreiden met buitenplaats. In de 19e eeuw fungeerde De Oliphant een tijd als permanente ambtswoning van de ambachtsheer en burgemeester van Zwartewaal. Daarna werd het pand een melkfabriek.

Het voortbestaan van dit historische monument werd een aantal keren bedreigd. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van het Voornse kanaal in 1827, de Tweede Wereldoorlog, de Watersnood van 1953 en later de industrialisatie op Rozenburg. Sloop werd meermaals overwogen, maar liefhebbers van dit landhuis wisten dit telkens te voorkomen. In handen van notaris Korteweg onderging het landhuis in 1929 een grondige restauratie. En in 1975 werd het monument opnieuw gered door het in zijn geheel te verplaatsen naar Charlois op IJsselmonde. Op de huidige standplaats aan de Kromme Zandweg was toen net een historische boerderij afgebrand. De Oliphant is zodoende een van de weinige nog bestaande kasteelachtige hofsteden uit de 16e eeuw.
(Met dank aan Willy Spaan)

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van https://www.oliphant.nl/geschiedenis/

Met medewerking van Rotterdam van toen

Plaswijckpark, 1936

Gezicht op het terrein en aanlegsteiger van het Plaswijckpark, 1936 (geschat).

Het Plaswijckpark werd in 1923 opgericht in Hillegersberg door de Rotterdamse horecaondernemer C.N.A. Loos, als Theetuin Hillegersberg. De theetuin was een van de vroegst opgezette recreatieparken in Nederland. Het park bestond naast de theeschenkerij uit een Engelse landschapstuin, speeltuin met uitkijktoren en een dierentuin, waar onder meer apen en wallabies te zien waren. Omdat het park in één jaar zoveel bezoekers trok, werd het een jaar later uitgebreid met een bloemen- en plantenkwekerij.

De volledige naam van het ruim opgezette recreatiepark langs de Bergse Achterplas luidde: Plaswijckpark, Wandel- en Dierenpark. Stapsgewijs werd het park uitgebreid met onder andere een rotsplateau, een rosarium, een tuin met een vijver en een café-restaurant . Dit horecapaviljoen met verschillende niveaus en terrassen werd het Amphitheater genoemd.

Het park ontwikkelde de eerste tien jaar goede spel- en sportvoorzieningen. In het park konden roeibootjes en kano’s worden gehuurd, er was een rondvaartboot, plekken voor sportvissers en een deel van het park werd bestemd voor een ijsbaan. In de zomer was het strandbad geopend, dat vanwege het donkere water de Inktpot werd genoemd. Ook was er een tennisbaan, maar daar konden alleen leden gebruik van maken.

De kracht van het Plaswijckpark was de veelzijdigheid van het park. Vanaf het begin waren er speciale attracties voor kinderen, zoals schommels, klimrekken en wippen. Het park vormde een ontspannings- en vermaakcentrum voor het hele gezin. Plaswijck was er om te flaneren, had goede sport- en spelmogelijkheden en speelde een educatieve rol, waarbij de dieren en planten tot kennisvergroting dienden. Naast de vaste attracties waren er ook culturele evenementen, zoals muziekuitvoeringen en poppenkastvoorstellingen.

Door haar veelzijdigheid kon het Plaswijckpark zich meten met de grote Europese stadsparken. Tussen 1923 en 1933 telde het park tweehonderdvijftigduizend bezoekers per jaar. Het park was tegen betaling toegankelijk, of mensen konden lid worden en dan was de toegang gratis. De toegang was relatief laag, zodat het park betaalbaar was voor de meeste Rotterdamse arbeidersgezinnen. Zij maakten in de zomer massaal gebruik van het park.

Vanaf 1927 kreeg het park subsidie van de gemeente Hillegersberg, omdat ze het park zag als een waardevolle culturele voorziening met een grote aantrekkingskracht. De economische malaise en financiële moeilijkheden van Loos zelf in de jaren dertig noopten de horecaondernemer tot verkoop van het Plaswijckpark. In 1937 kocht de gemeente Hillegersberg het park. Een nieuwe bloeiperiode brak na de Tweede Wereldoorlog aan en duurde tot 1962. In 1954 werd het park uitgebreid met wandelmogelijkheden, dieren en kinderattracties.

De neergang van het Plaswijckpark trad in medio jaren zestig. Oorzaken hiervoor waren een toegenomen concurrentie van nieuwe evenementen en een kritischer publiek dat andere eisen stelde aan kindvriendelijkheid van speeltuinen en diervriendelijke dierentuinen. Door de toegenomen mobiliteit van auto’s en scooters ontstonden er in de jaren zestig parkeerproblemen rond het park. Bovendien had het Plaswijckpark ouderwetse speeltuinen zonder mechanisch aangedreven attracties. Het park werd gaandeweg minder aantrekkelijk door veroudering en veel achterstallig onderhoud.

In 1975 werd het park met sluiting bedreigd. Dankzij subsidie van de Gemeente Rotterdam kon het blijven voortbestaan. Het Plaswijckpark probeerde haar oorspronkelijke karakter te behouden. Dit betekende dat er geen ‘harde’ recreatie kwam met mechanische en lawaaierige attracties. De focus bleef gericht op bezoekers met een laag inkomen, en op kinderen tot twaalf jaar. Het park kreeg een aantal nieuwe attracties, waaronder een midgetgolfbaan, manege en een beeldentuin, en organiseerde evenementen, zoals een fuchsiatentoonstelling, huisdierenkeuring en een knuffelberenmarkt.

In de jaren negentig kwamen er twee belangrijke educatieve attracties bij, de verkeerstuin en de milieutuin. In 2009 werd het ontwerp van het Plaswijckpark aangepast.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Bioscoop Colosseum Beijerlandselaan, 1972

De Beijerlandselaan met links de buurtbioscoop Colosseum, mei 1972 (geschat).

Informatie van de mooie site defilmkijker.com:
Nadat Carel van Zwanenburg (1875-1930) rond 1926 zijn Luxor-theater aan de Kruiskade verkocht had maakte hij plannen om een bioscoop in Rotterdam-Zuid te openen. Hij gaf opdracht aan de architecten Ten Bosch en Le Grand voor een ontwerp van een complex met woningen, winkels, het theater en een café. Toen de kosten daarvan te hoog waren, werd het aangepast door P.Dick. Vanwege de ovale vorm die het theater zou krijgen werd door de dochter van van Zwanenburg de naam Colosseum verzonnen. Op 19 december 1929 opende Colosseum de deuren aan de Beijerlandselaan.

De zaal had 1034 zitplaatsen (bruin voor de goedkopere stoelen, groen voor de duurdere) en een groot toneel van 9 meter.

Toen in 1930 van Zwanenburg overleed, nam zijn vrouw de exploitatie over en in 1933 besloot ze het te verkopen aan de heer C. van Willigen, die enkele verbouwingen liet uitvoeren. Zo werd er neonverlichting aan de buitenkant van het gebouw bevestigd.

Naast bioscoopfilms (meestal twee op een avond) was er in de beginjaren ook regelmatig variété voorstellingen (tot 1935). Tijdens de oorlog was ook deze bioscoop verplicht diverse Duitse films te draaien. In 1942 werd er een cinema-orgel geplaatst.

Na de oorlog trokken de bezoekersaantallen weer aan. In 1946 waren dat er meer dan een miljoen. De bioscoop werkte samen met onder andere Cineac en Victoria en hield de laatste ontwikkelingen bij. Zo liet de bioscoop in 1953 voor het eerst een 3D-film zien, House of Wax.

De groeiende populariteit van de televisie betekende echter dat er minder bezoekers waren. In 1967 werd de exploitatie door het Cineac-concern voor tien jaar overgenomen. Alhoewel er de eerste jaren nog goede films werden vertoond, begon de kwaliteit langzaam slechter te worden en werden er steeds meer karate- en seksfilms getoond. In maart 1977 viel uiteindelijk het doek voor deze bioscoop. De laatste film was “Op de Chinese vuist”. Daarna werd het theater voornamelijk gebruikt door diverse bijeenkomsten.

Bronnen:
“Fantasie, illusie en betovering, herinneringen aan Rotterdamse bioscopen” van Herman Romer
“Over stalles, Rotterdam en het witte doek en parket” van Henk Berg
Gemeentearchief Rotterdam
“Colosseum – de geschiedenis van een bioscoop in Rotterdam-Zuid” van Stichting Wijkmuseum Hillesluis (1985)

De Beijerlandselaan is vernoemd naar het dorp Oud-Beijerland in de Hoeksche Waard.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van http://www.defilmkijker.com/…/de-verdwenen-bioscopen-van-r…/

Met medewerking van Rotterdam van toen

Overzicht vanaf het Groothandelsgebouw richting centrum, 1961

Overzicht vanaf het Groothandelsgebouw richting centrum, 9 februari 1961.

Het Groothandelsgebouw is een gebouw en Rijksmonument in het centrum van Rotterdam, ontworpen door de architecten H.A. Maaskant en Ir. W. van Tijen, gelegen aan het Stationsplein naast het Centraal Station van de stad en aan het Weena.

Het Schouwburgplein is onderdeel van het Basisplan voor de Wederopbouw van Rotterdam uit 1946. Voor de oorlog was op de plaats van het Schouwburgplein een dichtbevolkte stadswijk. Door het bombardement op 14 mei 1940 brandde deze wijk af, op de bebouwing van de Mauritsweg na. In de oorlog werd in de open vlakte een noodschouwburg gebouwd van afgebikte stenen uit de binnenstad.

Vanaf 1962 verscheen aan de noordkant van het plein het concertgebouw De Doelen. Onder het Schouwburgplein werd in 1966 de parkeergarage geopend. Sinds die tijd is het Schouwburgplein bovengronds een autoloze en boomloze vlakte.

De westzijde van het Schouwburgplein is tussen 1980 en 1985 gevuld door het ‘Woondok’, een wooncomplex met winkels en kantoren op straatniveau. In 1987 is de noodschouwburg afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe. In 1996 is het plein geheel nieuw ingericht naar ontwerp van Adriaan Geuze. Het plein werd iets verhoogd en is volgens de architect een stadspodium. Op het plein werd dat jaar ook de bioscoop geopend.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Virulyplein 1926

Gezicht op het Virulyplein met op de achtergrond links de toren in aanbouw van de Willibrordkerk aan de Beukelsdijk, 1926.

VIRULY (Cornelis Elisa), geb. 25 Nov 1819, zoon van Mr Jan Viruly, heer van Vuren en Dalem, en Constantina Adriana van Gorkum, gest. 19 Juni 1892. In 1851 werd hij te Rotterdam als raadslid gekozen en in 1872 als wethouder. Tot 1891 bleef hij dit ambt waarnemen, nadat hij achtereenvolgens wethouder was geweest van onderwijs, financiën en plaatselijke werken. In laatstgenoemd jaar wilde hij wegens zijn leeftijd niet meer in aanmerking komen als lid van het college van B. en W., doch bleef lid van den raad tot zijn dood. Ook was hij sinds 1862 door Rotterdam afgevaardigd naar de Provinciale Staten. Wegens zijn verdienste voor de stad Rotterdam werd zijn, hem door de gemeente aangeboden en door Pieter Josselin de Jong geschilderd, portret in 1891 in het Museum Boijmans geplaatst. Ook gevoelde hij veel voor de kunst en bekostigde o.a. voor het grootste deel de inwendige versiering van de vestibule van het Museum Boijmans. Hij huwde 19 Juli 1843 met Maria Louize Wachter.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Kerstverlichting in de Peppelweg, 1957

De Peppelweg heet naar een boom, meestal populier genaamd en behorend tot de wilgenfamilie.

Schiebroek was oorspronkelijk een ambachtsheerlijkheid die reeds in het begin van de 14de eeuw bestond. Ze kwam in die tijd voor onder de naam Broek (moerasland). Later sprak men over Schiebroek vanwege haar ligging in Schieland. De heerlijkheid bestond uit een tussen 1772 en 1779 drooggemaakte polder en een woonbuurtje bij de Kleiweg. In 1941 werd Schiebroek door Rotterdam geannexeerd. Met uitzondering van de Schiebroekselaan en -straat liggen de bovengenoemde straten enz. in en bij de voormalige buurt. Het Schiebroeksepark is het recreatiegebied, dat ten noordoosten van de ‘tuinstad’ ligt. De Schiebroekse Ringvaart is het water dat ten tijde van de inpoldering van het moerasgebied in de 18de eeuw is gegraven. Van deze vaart bestaat alleen het gedeelte langs Ringdijk en Erasmussingel nog. Voor 1983 heette deze alleen Ringvaart.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Oppert 1910

De Oppert met de Oppertbrug over het Stokvisverlaat, vanaf de Galerij, 1910 (geschat).

Als vroegere vormen van de Oppert kwamen voor Nyepoorte, Nieupoort, Nupoort en Noppert. Uit ‘in de Noppert’ is waarschijnlijk ‘in den Oppert’ ontstaan. In de 17de en 18de eeuw werd telkens gesproken van Oppert of Nieuwpoort. Oorspronkelijk was de Nieuwpoort het nieuwe stadsgedeelte, dat misschien reeds in 1328 bij de oude stad werd getrokken, doch in ieder geval in 1339 reeds bestond (Nieuwpoort = Nieuwstad). Deze benaming van een stadsdeel is dan overgegaan op de voornaamste straat daarin. In 1343 kwam ze voor als ‘strate in de Nieuwpoort’. De huidige Oppert ligt ten westen van de vroegere straat van die naam. Ze beslaat voor een deel het gebied dat voor het bombardement Lange Torenstraat heette.

Van de Hofpoort naar de Delftsche Poort liep vroeger een met bogen voorziene vestmuur, die bedoeld was om als verdedigingswerk dienst te doen. Later werd ze als kazerne gebruikt. In het laatst van de 18de eeuw is deze muur weggebroken. De naam bleef echter bestaan. Misschien was de ‘galerij’ één van de verdedigingswerken die na de Jonkerfransenoorlog werden gebouwd. Wij weten alleen zeker, dat er een galerij bij de waterpoort tussen twee torens in 1534 bestond, welke toen in betere staat is gebracht. Daar bij de Blauwe toren in het Westnieuwland in 1578 een galerij wordt genoemd, kan deze echter ook bedoeld zijn. Huizen met een galerij kwamen trouwens meer voor in Rotterdam. In de 17de en 18de eeuw treft men minstens zes huizen in verschillende straten aan, die ‘de Gelderij’ heetten. De huidige Galerij ligt iets ten zuiden van de vroegere straat van die naam. Vóór het bombardement in mei 1940 lag over de Delftsevaart een brug die Galerijbrug heette.

De prentbriefkaart komt uit de collectie Goeree en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Poserende mannen bij een schip in aanbouw bij de RDM, 1919

Poserende mannen bij een schip in aanbouw bij de RDM, 1919-1931.

De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) is een voormalige werf voor scheepsnieuwbouw, – reparatie en machinebouw; werd in 1902 opgericht en is voortgekomen uit de werf ‘De Maas’ in Delfshaven. Deze werf was in 1856 was opgericht door de Schot Duncan Christie. Doordat het erfpachtcontract met de gemeente Rotterdam afliep, moest het bedrijf een andere plaats zoeken. Toen kwam Heijplaat in beeld. Onder de naam Rotterdamsche Droogdok Maatschappij gingen de werfactiviteiten op de linker Maasoever van start.

De naam ‘Droogdok’ geeft al aan dat reparatie en onderhoud van schepen de belangrijkste activiteiten waren, waarmee de werf startte. Tot 1983 zou dit de kurk zijn waarop het bedrijf zou drijven, maar ook nieuwbouw schuwde de RDM niet. Een indrukwekkende reeks nieuwe schepen, waaronder het ss Nieuw Amsterdam (1938) en het ss Rotterdam (1959), beide gebouwd voor de Holland-Amerika Lijn, verliet de werf. In 1925 nam de RDM de Schiedamse Scheepsbouw Maatschappij ‘Nieuwe Waterweg’ over en vanaf 1929 kreeg ze van de Koninklijke Marine orders voor het bouwen van onderzeeërs. Daarnaast leverde ze ook andere schepen af, zoals de kruiser Hr. Ms. De Zeven Provinciën, die na de oorlog lange tijd het meest geavanceerde schip van de vloten van de NAVO zou zijn. De RDM werd grootleverancier van de olieraffinaderijen, ontwikkelde apparatuur voor kernenergie, en bouwde booreilanden, kraanpontons en dergelijke.

Bij oprichting lag de werf bijzonder excentrisch, doordat het gebied was ingeklemd tussen Waalhaven, Heysehaven en Eemhaven. De enige toegangsweg was de Waalhavenweg. Het personeel moest van heinde en verre komen, en het was een wens van directeur ir. M.G. de Gelder om in de nabijheid van het bedrijf woningen te bouwen. Tussen 1914 en 1920 verrees Tuindorp Heyplaat, ontwikkeld door architect H.A.J. Baanders, die ook de werkplaatsen en kantoren had getekend. De op een L-vormige kavel opgetrokken huizen werden gebouwd in verschillende stijlen met vele details. Tegen het silhouet van de oceaanreuzen bloeide het verenigingsleven in het dorp van 2.000 inwoners. Een hechte gemeenschap wist te voorkomen dat in de jaren zeventig Heyplaat zou worden afgebroken.

Kort voor de oorlog hadden RDM en Wilton-Feijenoord de aandelen in handen gekregen van de Machinefabriek en Scheepswerf van P. Smit jr. en de dochtermaatschappij Waalhaven. Het bleek een opmaat te zijn naar de fusie die in 1966 plaatsvond onder de naam Rijn-Schelde Machinefabrieken en Scheepswerven. Na nog toetredingen van onder meer Wilton-Feijenoord ontstond uiteindelijk in 1971 het concern Rijn-Schelde-Verolme (RSV) met meer dan 30.000 werknemers.

Al in 1983 viel het doek voor de RDM, waarmee een belangrijk deel van de zware industrie voor Nederland verloren ging. RDM ging verder met nieuwbouw van onderzeeërs en met de machinefabriek. In de jaren negentig werd de onderneming opgesplitst in RDM Techology en RDM Submarines. Opnieuw lag het tuindorp onder vuur toen b&w bekend maakte dat het na 2005 gesloopt zou worden. En opnieuw wist men afbraak te voorkomen. Momenteel maakt het RDM-terrein een enorme ontwikkeling door en zijn er samenwerkingsverbanden tussen onderzoeks- en onderwijsinstellingen die havengerelateerd onderwijs aanbieden. RDM staat tegenwoordig voor Research, Design & Manufacturing.

De fotograaf is Francois Henry van Dijk en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.