Category Archives: Blijdorp

Uitkijktoren diergaarde Blijdorp 1971

D uitkijktoren van Diergaarde Blijdorp met op de voorgrond een ijsbeer, 1971 (geschat).

Het ontwerp van de nieuwe dierentuin is van Sybold van Ravesteyn, waarbij traliewerk en hekken zo veel mogelijk zijn vermeden en vervangen door greppels en grachten. De verwarmde binnenverblijven en ruime leefweiden waren toentertijd uniek in de wereld.

Op 7 juli 1940 werd het noordelijk gedeelte geopend en in december was de nieuwe diergaarde geheel open. Van Ravesteyn had de dierentuin zo ontworpen dat er een symmetrieas door het park liep, waarop de betonnen gebouwen lagen: de Rivièrahal, de 47 meter hoge uitkijktoren, het roofdiergebouw, de grote vijver en het theehuis. Aan weerszijden van deze as lagen grote weiden voor hoefdieren als bizons en zebra’s.

Ter gelegenheid van het 100-jarige jubileum in 1957 werden tegels met gestileerde dierenfiguren vervaardigd door Groeneveldts aardewerkfabriek. In dit jubileumjaar werd ook het predicaat Koninklijk verleend en werd de naam gewijzigd in Stichting Koninklijke Rotterdamse Diergaarde. In 1963 werd de Vereniging Vrienden van Blijdorp opgericht. De vereniging ondersteunt de diergaarde financieel, waardoor onder andere in 1965 het Henri-Martinhuis kon worden gebouwd, een gebouw voor kleine apen en nachtdieren. In 1972 werd de markante uitkijktoren wegens bouwvalligheid afgebroken. In 1984 werd in Blijdorp het eerste olifantje geboren, een Aziatische olifant met de naam Bernhardine, vernoemd naar Prins Bernhard. Bernhardine is voor zover bekend de eerste olifant die werd geboren in een Nederlandse dierentuin. Inmiddels zijn er zo’n tien olifanten geboren in Blijdorp.

In 1988 kwam Blijdorp met een masterplan, dat de hele dierentuin heeft veranderd. Volgens het masterplan worden dieren per werelddeel geordend, in natuurlijk ogende biotopen. Daarbij worden niet alleen dieren, maar ook planten en culturele elementen uit het nagebootste biotoop getoond. De eerste jaren stonden deze aanpassingen in het teken van Azië. Zo werd in de lente van 1991 de vleermuisgrot geopend, waar bezoekers vrij tussen honderden vliegende roezetvleermuizen konden lopen. In 1992 werd de wolvenvallei geopend, het eerste nieuwe verblijf voor Europese dieren, een groot bosrijk verblijf waar een roedel wolven wordt gehouden.

In 1994 volgde Taman Indah, het grote verblijf voor onder meer Aziatische olifanten, Indische neushoorns en Maleise tapirs. In 1999 werd het Afrikaanse Gorilla-eiland geopend en in 2000 volgde het Oceanium. Het Oceanium werd gebouwd op een 11 hectare grote uitbreiding van de dierentuin aan de andere kant van de spoorlijn naar Den Haag. De totale oppervlakte van de dierentuin is nu ongeveer 28 hectare.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Nenijto 1928

Luchtopname van het terrein en de gebouwen van de Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling (Nenijto), 26 mei – 15 september 1928.

In het najaar van 1926 ontstond bij enkele Rotterdamse ondernemers het idee om een nationale tentoonstelling op te zetten waarmee een beeld kon worden gegeven van de jongste verwovenheden van nijverheid en techniek. Dit idee leidde tot het ontstaan van de ‘Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling 1928 (internationaal)’, afgekort Nenijto: een tentoonstelling met een gedegen voorbereiding en succesvolle afloop. Meer dan anderhalf miljoen mensen bezochten tussen 26 mei en 30 september 1928 deze tentoonstelling. Sinds de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1883 was in er Nederland geen nijverheidstentoonstelling meer geweest die zo groot van opzet was.

De gedachte om de toestand in de ontwikkeling van de nijverheid weer te geven in de vorm van een tentoonstelling was volstrekt niet nieuw. De negentiende eeuw werd gekenmerkt door nijverheidstentoonstellingen in binnen en buitenland. In Nederland vond de eerste, op initiatief van koning Lodewijk Napoleon, plaats te Utrecht in 1808. Ook in Rotterdam waren al eerder nijverheidstentoonstellingen voorgekomen. Na 1900 was er met regelmaat sprake van een grote bedrijfstentoonstelling. In het ‘Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen’ aan de Schiedamsesingel waren in 1905 Rotterdamse industrieprodukten te zien, in ‘De Vereeniging’ aan de Schiekade had in 1916 een soortgelijk evenement plaats. Nog in 1923 was er ter gelegenheid van het jubileum van de ‘Vereeniging Nederlandsch Frabrikaat’ aan de Coolvest een expositieruimte ingericht voor nijverheidsproducten. Alleen deze laatste was van meer dan lokaal belang , maar ook in vergelijking met de Nenijto was deze maar klein van opzet.

Het verlangen om nijverheidstentoonstellingen te houden had te maken met het doel om de kwaliteit van de nijverheidsproducten te verbeteren en de nationale economie te stimuleren. Daarnaast traden ook steeds meer politieke doelstellingen als het kweken van een nationaal besef op de voorgrond. In 1928 ging het met de Nederlandse economie goed, er was zelfs sprake van een kleine economische bloei. De nijverheidstentoonstelling in Rotterdam gold voornamelijk als een mogelijkheid voor de fabrikant om zijn goederen aan de consument te tonen. Naast dit commerciële doel speelde een andere belangrijke reden een rol. In 1928 vonden namelijk in Amsterdam de Olympische Spelen plaats. Voor enkele Rotterdamse ondernemers stond het vast dat er geprofiteerd moest worden van de internationale belangstelling die ons land tijdens de Spelen zou krijgen. Een tentoonstelling zou het toeristisch verkeer dat tijdens de Spelen in Amsterdam verbleef over kunnen halen om ook Rotterdam te bezoeken. Dat men met de tentoonstelling Rotterdam in de belangstelling probeerde te zetten, bleek ook wel uit een opmerking van het NRC: ‘In ieder geval kwam (hiermee) de kans om de menschen, die onze havens en het vele andere, dat er hier te bewonderen valt, de reis naar Rotterdam niet waard mochten achten, door wat speciaals te lokken’. En inderdaad trok Rotterdam gedurende de Nenijto veel bezoekers. 1928 zou het jaar van Rotterdam worden want niet alleen vond de Nenijto er plaats, in dat jaar bestond de stad ook nog eens 600 jaar. Al met al was het groot feest dat jaar.

Hoewel de Nenijto oorspronkelijk van nationale opzet was, bleek het vooral een lokaal karakter uit te dragen. Het overgrote deel van de inzendingen was afkomstig van bedrijven uit Rotterdam en omgeving. De nadruk van het tentoongestelde lag dan ook op de handel en industrie die samenhingen met de havenfunctie van Rotterdam. Het woordje ‘internationaal’ achter de naam van de tentoonstelling duidde op buitenlandse inzenders. Aanvankelijk was het alleen de bedoeling geweest om uitsluitend producten uit Nederland en de koloniën tentoon te stellen. Toen echter bleek dat het aantal inzendingen niet toereikend zou zijn, werd al snel het roer omgegegooid. In januari 1928 werd het woordje ‘internationaal’ aan de naam Nenijto toegevoegd en kwam er een speciale hal op het tentoonstellingsterrein ter beschikking van buitenlandse inzenders.

De foto is gemaakt door KLM Aerocarto en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Prinsenkerk, Statensingel 1932

De aanbouw van de Prinsekerk bij de Statensingel, gezien vanuit noordoostelijke richting, 1932-1933.

De Prinsekerk werd gebouwd naar een ontwerp van de architecten Meischke en Schmidt en dit fraaie gebouw werd gesitueerd op de hoek van de Statensingel en de Schepenstraat. De eerste steen werd gelegd door Mr. Abm. van der Hoeven op 17 December 1932. Op 13 december 1933 werd de kerk door ds. A.C.G. den Hertog in gebruik genomen.

De naam Prinsekerk ontleende men aan het feit dat het in 1933 vier honderd jaar geleden was dat Willem de Zwijger werd geboren.

Toen in 1933 de laatste dienst plaats vond in de Hervormde Oosterkerk te Rotterdam, gebouwd in 1682 en gesloopt in 1933/1934, besloot men het orgel en het merendeel van het meubilair over te brengen naar de toen nieuw gebouwde Prinsekerk. Mede hierdoor is het interessant om deze kerk eens van binnen te bezichtigen. Zo zijn er bijzonder fraaie meubelstukken bewaard gebleven, t.w.: de vierkanten eiken preekstoel met drie weelderig met lover gesneden rechthoekige panelen. Het voorste toont een opengeslagen bijbel als symbool van het geloof. Het linker paneel heeft het anker als teken van de hoop. De liefde en barmhartigheid wordt op het rechterpaneel gesymboliseerd door een gevleugeld en brandend hart. Het ruggeschot toont een ovalen spiegel als symbool van de voorzichtigheid; erboven een gesneden lijst. Genoemde symbolen zijn gevat in de ouroboros, een slang die zichzelf in de staart bijt, het symbool van de eeuwigheid. Het rechthoekige klankbord heeft een gesneden lijst en rust op twee grote takken en wijd geopende bloemen, de bollen zijn nieuw. In de Oosterkerk had de preekstoel de trap aan de achterzijde. De twee leuningen werden in de Prinsekerk verzet naar de zijkanten omdat het meubel aldaar tegen de muur is geplaatst. De panelen zijn rijkelijk versierd met acanthusbladeren. Op de twee gebogen leuningen groeien takken en bladeren, die bij de eerste traptrede beginnen met wortels. Hoger opgaand ontluiken de knoppen en bloemen

De Statensingel is vernoemd naar de Staten van Holland. Dit college ontstond in de middeleeuwen als samenwerkingsorgaan van de schillende staten (standen). In Holland waren hierin de ridderschap en de steden vertegenwoordigd. De staten werden oorspronkelijk door de landsheer (in Holland de graaf) bijeengeroepen indien deze geld nodig had voor het overheidsapparaat of het voeren van oorlog. Dit geld werd hem dan verstrekt tegen toekenning van privileges (voorrechten). Sinds 1572 kwamen de Staten van Holland op eigen gezag bijeen. In 1581 werd de landsheer (koning Filips II) afgezworen. Tot 1795 vormden de Staten de regering over het autonome gewest Holland.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van reliwiki.nl. Lees verder op: http://reliwiki.nl/…/Rotterdam,_Schepenstraat_69_-_Prinseke…

Met medewerking van Rotterdam van toen

Stadhoudersweg 1950

De Stadhoudersweg richting de Schieweg, 26 juni 1950.

De Stadhoudersweg draagt de naam van de vroegere plaatsvervanger van de landheer. Ten tijde van de Republiek was hij dienaar van de Staten van de verschillende gewesten. Ter hoogte van het Stadhoudersplein bevond zich in vroeger tijd het ‘Galgenveld’, waar door het Rotterdamse gerecht veroordeelde personen werden geëxecuteerd. In 1795 werd het veld aan een paardenvilder verhuurd; daarom heette het later ook wel Vildersveld. Van 1913 tot 1932 was hier de Melkmarkt gevestigd.

De Rotterdamse Schie is de vaart, die ten gevolge van een handvest van 9 juni 1340 werd gegraven van Overschie naar Rotterdam. Ze sloot aan op de reeds bestaande Delftse of Oude Schie, die Delft met Overschie verbond. Ter plaatse van het latere Hofplein kwam de Schie uit in de Kolk welke door de Rotte was gevormd. Vanaf dit punt ging de vaart door de stad onder de naam Delftsevaart. Deze was via een spuisluis verbonden met de Merwede (Nieuwe Maas).

De Schie komt ook een enkele maal voor als Spuivaart. Langs beide zijden van de vaart werden kaden aangelegd. In het begin waren deze van weinig betekenis. De Oost-Schiekade was omstreeks 1562 nog maar een betrekkelijk smalle zomerkade. Eerst in 1741 werd deze door de stad bestraat, voor rekening van de eigenaars van de huizen aan de kade en de 1ste, 2de en 3de Schielaan. Dit waren drie laantjes die vanaf de Oost-Schiekade langs de tuinen van de buitenhuizen liepen. De West-Schiekade was breder en werd als rijweg naar Delft gebruikt. Bij een overeenkomst in 1471 werd bepaald dat het onderhoud van deze weg van de Delftse Poort tot aan het Leprooshuis voor rekening van de stad kwam. Het onderhoud van het gedeelte tot aan de Waelheul (Heulbrug) zou worden betaald door de ingelanden van de ambachten van Beukelsdijk, Cool, Schoonderloo, West-Blommersdijk en Blijdorp.

De West-Schiekade, gelegen tussen de Heulbrug en Overschie en vroeger vaak Lugt of Trekweg genoemd, heette sinds 1904 Schieweg. Bij besluit B&W 19 april 1932 heeft deze weg een andere loop. Vanaf de huidige Stadhoudersweg, die over een klein gedeelte van het traject van de oude Schieweg loopt, is de weg in noordelijke richting naar de Gordelweg doorgetrokken. Hij sluit thans aan op rijksweg A20. Het rotondeplein in deze rijksweg ontving de naam Schieplein.

De Schiestraat kreeg haar naam omdat ze op de Schie uitliep. Vóór het bombardement in mei 1940 liep deze straat van de Schiekade naar de Delftsestraat. In verband met de bouw van de wijken Blijdorp en Bergpolder werd in 1931 besloten het gedeelte van de Schie tussen de melkmarkt (latere Stadhoudersplein) en de spoorbaan te dempen. De gemeenteraad besloot op 22 juni 1939 tot demping van het gedeelte van de Schie, gelegen tussen het Hofplein en het Stadhoudersplein. Deze demping geschiedde voor een groot gedeelte met het puin van de huizen, die verwoest waren bij het bombardement. Sindsdien is een bekend Rotterdams gezegde ‘Eerst lag de Schie in Rotterdam, thans ligt Rotterdam in de Schie’

De foto is gemaakt door de Fototechnische Dienst Rotterdam en komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Statentunnel 1933

Gezicht op bouwwerkzaamheden bij de Statentunnel met op de achtergrond Blijdorp, 1933-1937.

De Statentunnel is vernoemd naar de Staten van Holland. Dit college ontstond in de middeleeuwen als samenwerkingsorgaan van de schillende staten (standen). In Holland waren hierin de ridderschap en de steden vertegenwoordigd. De staten werden oorspronkelijk door de landsheer (in Holland de graaf) bijeengeroepen indien deze geld nodig had voor het overheidsapparaat of het voeren van oorlog. Dit geld werd hem dan verstrekt tegen toekenning van privileges (voorrechten). Sinds 1572 kwamen de Staten van Holland op eigen gezag bijeen. In 1581 werd de landsheer (koning Filips II) afgezworen. Tot 1795 vormden de Staten de regering over het autonome gewest Holland.

De wijk Blijdorp dankt haar naam aan de voormalige Blijdorpsepolder, waarin ze is gelegen. De polder moet in de 13de eeuw zijn ingedijkt. De naam is een verbastering van Bridorp (Brijdorp). Dorp heeft hier vermoedelijk de betekenis van akkerland. Bij bri of brij kan men denken aan modderig og papperig. In een leenregister (eind 13de eeuw) is sprake van land in heer Enghebrechts ambacht. Hiermee wordt Blijdorp bedoeld. In 1389 wordt er gesproken over 2 morgen land ‘gelegen in Schyeban in de Bridorpsate’. In het noordwestelijke deel van de polder lag de buitenplaats ‘Blijdorp’. Deze komt voor het eerst voor op een kaart van 1653. In de 19de eeuw is ze gesloopt. Van 1787 tot 1797 stond in de polder, ter hoogte van het Vroesenpark, het eerste Nederlandse stoomgemaal (de vuurmachine van Steven Hoogendijk). De wijk Blijdorp is gebouwd in de jaren dertig van de 20ste eeuw. De wijk Blijdorpsepolder wordt voornamelijk gevormd door een recreatiegebied met parken en volkstuinencomplexen.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Diergaarde Blijdorp 1971

De uitkijktoren van Diergaarde Blijdorp met op de voorgrond een ijsbeer, geschat 1971.

In 1855 werd in de Rotterdamse binnenstad, bij de Kruiskade, een tuin ingericht voor fazanten en watervogels. De vogeltuin was eigendom van de spoorwegbeambten F. van der Valk en G.M. van den Bergh. Dit werd een groot succes, en op 18 mei 1857 werd de Rotterdamsche Diergaarde geopend. De eerste directeur was de toentertijd in geheel Europa beroemde dompteur Henri Martin. Op 15 september werd de ‘Vereniging Rotterdamsche Diergaarde’ opgericht. Alleen leden van de vereniging, vooraanstaande burgers, mochten de dierentuin bezoeken. Later mochten Rotterdamse niet-leden gedurende enkele dagen in augustus de diergaarde bezoeken, maar wel via een aparte ingang. De dierentuin was in de eerste halve eeuw van zijn bestaan een groot succes en groeide meer en meer.

In 1924 raakte de dierentuin echter in financiële problemen. De negentiende-eeuwse dierentuin raakte met de komst van de Hagenbeckstijl uit de mode, en met het drukker wordende verkeer had de gemeente de locatie op het oog om een weg aan te leggen tussen het Hofplein en Spangen, Tussendijken en Blijdorp. Ook werd de grond van de binnenstad veel te duur. De dierentuin probeerde het tij te keren door lidmaatschap goedkoper te maken, tentoonstellingen en kermissen te organiseren op het terrein en verlichting aan te brengen, zodat de dierentuin ook ‘s avonds te bezoeken was.

In 1932 werd er besloten om de dierentuin te reorganiseren. Eerst werd er besloten om vaker niet-leden toe te laten en het lidmaatschap aantrekkelijker te maken, maar het mocht niet baten. In 1937 werd er besloten om de dierentuin te verhuizen naar een nieuwe locatie. De dierentuin ruilde grond met de gemeente: de gemeente kreeg een deel van de oude diergaarde gratis, de rest moesten ze betalen. In ruil daarvoor werd de dierentuin eigenaar van twee derde van een nieuwe 13 hectare grote locatie in de wijk Blijdorp, terwijl over een derde van de nieuwe locatie pacht van één gulden moest worden betaald. Met financiële hulp van de Stichting Volkskracht werd een nieuwe dierentuin gefinancierd. De Volkskracht stelde echter een voorwaarde: voortaan moest de dierentuin voor iedereen toegankelijk zijn. Op 26 oktober 1938 werd de Vereniging opgeheven, en de Stichting Rotterdamsche Diergaarde (vanaf 1957 Stichting Koninklijke Rotterdamse Diergaarde) opgericht.

Het ontwerp van de nieuwe dierentuin is van Sybold van Ravesteyn, waarbij traliewerk en hekken zo veel mogelijk zijn vermeden en vervangen door greppels en grachten. De verwarmde binnenverblijven en ruime leefweiden waren toentertijd uniek in de wereld.

Op 7 juli 1940 werd het noordelijk gedeelte geopend en op 7 december 1940 was de nieuwe diergaarde geheel open. Van Ravesteyn had de dierentuin zo ontworpen dat er een symmetrieas door het park liep, waarop de betonnen gebouwen lagen: de Rivièrahal, de 47 meter hoge uitkijktoren, het roofdiergebouw, de grote vijver en het theehuis. Aan weerszijden van deze as lagen grote weiden voor hoefdieren als bizons en zebra’s.

Ter gelegenheid van het jubileum in 1957 werden tegels met gestileerde dierenfiguren vervaardigd door Groeneveldt aardewerkfabriek. In 1963 werd de Vereniging Vrienden van Blijdorp opgericht. Deze vereniging ondersteunde de diergaarde financieel, waardoor onder ander in 1965 het Henri-Martinhuis kon worden gebouwd, een gebouw voor kleine apen en nachtdieren. In 1972 werd de markante uitkijktoren wegens bouwvalligheid afgebroken. In 1984 werd in Blijdorp het eerste olifantje geboren, een Aziatische olifant met de naam Bernhardine, vernoemd naar Prins Bernhard. Bernhardine is voor zover bekend de eerste olifant die werd geboren in een Nederlandse dierentuin. Inmiddels zijn er zo’n tien olifantjes geboren in Blijdorp.
De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia

Met medewerking van Rotterdam van toen

Stadhoudersweg 1960

Staande in een oldtimer opent wethouder Bavinck het nieuwe Caltex tankstation aan de Stadhoudersweg in Blijdorp, 27 juni 1960.

Het grootste servicestation dat de Caltex tot op heden in ons land bouwde, is maandag in Rotterdam geopend door de wethouder van openbare werken, mr. H. Bavinck. Hij wees op de gunstige ligging ervan: aan een van de uitvalswegen naar Amsterdam en Den Haag, en vlak bij het Blijdorpplein, dat in de toekomst verbindingen zal krijgen met Hoek van Holland en de grote weg naar Gouda. De wethouder zei, dat volgens prognoses van deskundigen in 1970 het verkeer verzevenvoudigd zal zijn, dat wil zeggen op elke drie mensen een auto. Vervolgens bood mr. L. A. ten Bruggen Cate namens de Caltex de Rotterdamse verkeerspolitie een verkeerstestbord aan. Het nieuwe station heeft een capaciteit van 74.000 liter, verdeeld over dertien pompen. Er is een vrij staande tankgelegenheid voor bromfietsen.

De Stadhoudersweg draagt de naam van de vroegere plaatsvervanger van de landheer. Ten tijde van de Republiek was hij dienaar van de Staten van de verschillende gewesten. Ter hoogte van het Stadhoudersplein bevond zich in vroeger tijd het ‘Galgenveld’, waar door het Rotterdamse gerecht veroordeelde personen werden geëxecuteerd. In 1795 werd het veld aan een paardenvilder verhuurd; daarom heette het later ook wel Vildersveld. Van 1913 tot 1932 was hier de Melkmarkt gevestigd.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en uit het Gereformeerd Gezinsblad van 29 juni 1960 (via delpher.nl).

Met medewerking van Rotterdam van toen