Tag Archives: 1910

Gezicht op de Grote kerk te Overschie, 1910-1920

Eenbeukige kruiskerk op centraliserende plattegrond met toren, voorzien van een sierlijke spits met uivormige bekroning, gebouwd in 1900-1901 naar ontwerp van Barend Hooijkaas jr. (1855-1943). Het is één van de twee nog bestaande kerkgebouwen uit zijn oeuvre: de andere is de Dorpskerk in Pernis (1926). De vorige kerk ging in 1899 door brand verloren. De toren is een vrije kopie van die van de verbrande kerk. Interieur uit de bouwtijd.

Het orgel is in 1910 gebouwd door de firma J. & G. van der Kley (Rotterdam). In 1949 wijzigt de firma H. Vermeulen (Overschie) de dispositie. Dat gebeurt nogmaals in 1981 door M.C. Tiggelman (Zaltbommel). In 2008-09 wordt het orgel gerestaureerd door de firma Kaat & Tijhuis (Kampen), waarbij de dispositie grotendeels gereconstrueerd wordt. Deels gebeurt dat door gebruik te maken van pijpwerk uit het voormalige Pels-orgel (1931) van de basiliek van de H. Kruisverheffing te Raalte, deels door enkele stemmen van geheel nieuw pijpwerk te voorzien. Adviseur bij deze werkzaamheden is Peter van Dijk (Utrecht).

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Reliwiki. Lees verder op http://www.reliwiki.nl/…/Overschie,_Overschiese_Dorpsstraat…

Botersloot, 1910

Gezicht op viering van het Koninginnefeest aan de Botersloot, op de achtergrond het stadhuis, 31 augustus 1910-1912.

Koningsdag (sinds 2014), eerder Prinsessedag (1885-1890) en Koninginnedag (1891-2013), is een nationale feestdag in het Koninkrijk der Nederlanden ter ere van het staatshoofd. In alle delen van het Koninkrijk geldt dit voor de meeste werknemers als vrije dag en wordt het gevierd met verschillende festiviteiten, waaronder de vrijmarkten en het dragen van oranje kleding. Traditioneel brengt de vorst op deze dag ook een ceremonieel bezoek aan een of meer gemeenten van het land. 2013 was het laatste jaar waarin de feestdag op 30 april gevierd werd als Koninginnedag. Sinds 2014 heet de dag Koningsdag en wordt hij gevierd op 27 april, de verjaardag van koning Willem-Alexander.

In de 19e eeuw was ‘Waterloodag’, 18 juni, jarenlang de nationale feestdag. Tegen het einde van de eeuw vervaagde de herinnering aan de veldslag en het feest ging min of meer onopgemerkt voorbij.

Nog voor de ‘echte Koninginnedag’ werd op 31 augustus 1885 de eerste ‘Prinsessedag’ georganiseerd, de vijfde verjaardag van de toen jonge prinses Wilhelmina. Het initiatief hiertoe werd genomen door de hoofdredacteur van een lokale krant met als doel de nationale eenheid te benadrukken. Deze eerste editie vond plaats in de stad Utrecht. De initiatiefnemer was J.W.R. Gerlach van het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad. De belangrijkste activiteit bij de eerste Prinsessedag vond plaats in het Utrechtse Oranjepark in Wijk C. (Minstens) een jaar eerder waren in de stad Utrecht al activiteiten rond de verjaardag van prinses Wilhelmina, maar die gingen nog niet onder de noemer Prinsessedag. In de jaren erna namen andere plaatsen dit over. Na de dood van koning Willem III in november 1890, werd Prinsessedag in 1891 opgevolgd door de viering van ‘Koninginnedag’. Deze dag ontwikkelde zich tot een feestdag voor kinderen. Op haar achttiende verjaardag, 31 augustus 1898, werd Wilhelmina regerend vorstin. De inhuldiging vond op 6 september plaats. Tot en met 1948, toen koningin Wilhelmina troonsafstand deed, werd Koninginnedag op 31 augustus gevierd.

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Oppert 1910

De Oppert met de Oppertbrug over het Stokvisverlaat, vanaf de Galerij, 1910 (geschat).

Als vroegere vormen van de Oppert kwamen voor Nyepoorte, Nieupoort, Nupoort en Noppert. Uit ‘in de Noppert’ is waarschijnlijk ‘in den Oppert’ ontstaan. In de 17de en 18de eeuw werd telkens gesproken van Oppert of Nieuwpoort. Oorspronkelijk was de Nieuwpoort het nieuwe stadsgedeelte, dat misschien reeds in 1328 bij de oude stad werd getrokken, doch in ieder geval in 1339 reeds bestond (Nieuwpoort = Nieuwstad). Deze benaming van een stadsdeel is dan overgegaan op de voornaamste straat daarin. In 1343 kwam ze voor als ‘strate in de Nieuwpoort’. De huidige Oppert ligt ten westen van de vroegere straat van die naam. Ze beslaat voor een deel het gebied dat voor het bombardement Lange Torenstraat heette.

Van de Hofpoort naar de Delftsche Poort liep vroeger een met bogen voorziene vestmuur, die bedoeld was om als verdedigingswerk dienst te doen. Later werd ze als kazerne gebruikt. In het laatst van de 18de eeuw is deze muur weggebroken. De naam bleef echter bestaan. Misschien was de ‘galerij’ één van de verdedigingswerken die na de Jonkerfransenoorlog werden gebouwd. Wij weten alleen zeker, dat er een galerij bij de waterpoort tussen twee torens in 1534 bestond, welke toen in betere staat is gebracht. Daar bij de Blauwe toren in het Westnieuwland in 1578 een galerij wordt genoemd, kan deze echter ook bedoeld zijn. Huizen met een galerij kwamen trouwens meer voor in Rotterdam. In de 17de en 18de eeuw treft men minstens zes huizen in verschillende straten aan, die ‘de Gelderij’ heetten. De huidige Galerij ligt iets ten zuiden van de vroegere straat van die naam. Vóór het bombardement in mei 1940 lag over de Delftsevaart een brug die Galerijbrug heette.

De prentbriefkaart komt uit de collectie Goeree en bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Rotterdamsche Diergaarde, Kruisstraat 1910

De plantenserre in de Rotterdamsche Diergaarde aan de Kruisstraat, 1910.

Rond 1855 richtten twee spoorwegbeambten een spoortuintje in de Rotterdamse binnenstad in om hun verzameling exotische vogels onder te brengen. Deze hobby-vogeltuin werd een groot succes en leidde tot de oprichting van de ‘De Rotterdamsche Diergaarde’ in 1857. De eerste directeur was Henri Martin, oorspronkelijk leeuwentemmer van beroep. Aanvankelijk mochten alleen leden van de vereniging de dierentuin bezoeken.

In 1857 kreeg J.D. Zocher van de gemeente de opdracht om de tuin voor de Diergaarde aan te leggen. De bedoeling was om op een aangename wijze kennis van dieren en planten te bevorderen. Zocher voerde het plan uit samen met zijn zoon Louis Paul. De Diergaarde was een enorm succes. Tijdens de aanleg kon men de dieren al bezichtigen en binnen acht maanden tijd leverde dat ruim twaalfduizend bezoekers op. Daaronder bevonden zich bijna vierduizend stadgenoten die geen lid waren. Het lidmaatschap was namelijk erg duur, maar eenmaal per jaar, tijdens de kermis, kon de gewone man voor een gereduceerd tarief de dierentuin bezoeken.

De ingang van de Diergaarde was aan de Kruiskade. Rondom het terrein was een fraai hek geplaatst. De dierenverblijven en andere gebouwen werden ontworpen door de architecten A.W. van Dam en H.J. de Haas. In 1862 werd de Diergaarde uitgebreid, waarbij opnieuw de hulp van Zocher werd ingeroepen. Dit gedeelte, dat bekend werd onder de naam Nieuwe Tuin, sloot naadloos aan bij het oude gedeelte. De Diergaarde kon zich meten met die van Amsterdam en Antwerpen dankzij de smaakvolle aanleg van Zocher.

In 1937 besloot het gemeentebestuur van Rotterdam dat de Diergaarde uit het stadscentrum moest wijken voor stedelijke bebouwing. Vanwege het steeds drukker wordende verkeer werd de Diergaarde verplaatst naar de wijk Blijdorp. Het jaar erop begon men met de bouw van de nieuwe Diergaarde ‘Blijdorp’, genoemd naar de polder Blijdorp, waar de tuin nog steeds gehuisvest is. Architect S. Van Ravesteyn kreeg de opdracht voor het ontwerp.

Toen de verhuizing naar Blijdorp in volle gang was, bombardeerden de Duitsers op 14 mei 1940 de binnenstad en daarmee ook de Diergaarde. De chaos was enorm en vele dieren overleefden het bombardement en de vuurzee niet. Voor zover mogelijk werden de overlevende dieren overgebracht naar Blijdorp, waar men nog volop bezig was met de bouw van de nieuwe tuin. Op 7 december 1940 werd de nieuwe Diergaarde officieel geopend.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Leeuwenlaan, hoek Achterom, 1910

De Leeuwenlaan, hoek Achterom, 1910.

De Leeuwenlaan was de vroegere laan in het verlengde van de Leeuwenstraat tussen Rodezand en de stadsvest. Volgens de kroniekschrijver Nicolaas Zas kwamen in 1584 in de Leeuwenstraat nog enige huizen voor ‘daer leeuwen op de gevels stonden, van dewelcke dese straet sijn naem behouden heeft’. Dat er in de straat enige huizen met leeuwen waren versierd lijkt wat overdreven. Waarschijnlijk is daar vroeger wel een huis ‘Leeuwenburg’ geweest. Ook is het mogelijk dat het bolwerk of de toren aan de stadsvest ten westen van de Leeuwenlaan onder die naam bekend was. Bij besluit B&W 26 maart 1937 werd de vooroorlogse straatnaam ingetrokken. De Leeuwenstraat kan men vereenzelvigen met ‘een weechtgen, dat men gaet uut der Westewagenstrate totter capellen upt Rodesant’, dat genoemd wordt in de stadsrekening van 1426/27. Voor Leeuwenlaan en Leeuwenstraat komen in de 16de eeuw de namen Leeuwenburgschelaan of -straat, Nieuwelaan en Scheytlaan voor. De laatste naam ontving ze omdat ze een scheiding tussen twee tuinen vormde. De Leeuwenstraat werd ook wel Dwarszandstraat genoemd.

Het Achterom was zo genoemd omdat men daar achter om een complex gebouwen weer op de Coolvest kon komen. Zij lag bij de Coolsingel (Coolvest) ter hoogte van de korenwindmolen ‘De Hoop’. Bij besluit B&W 25 mei 1923 werd de naam ingetrokken.

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Graf Zeppelin boven het centrum, 1910

De Graf Zeppelin boven het centrum, oktober 1910.

Uit de Maasbode van 14 oktober 1929:
BOVEN DE MAASSTAD.
10.25. Al twee volle uren heeft Rotterdam gewacht; thuis voor het raam, op straat, bij het Land van Hoboken, het Nenijtoterrein, de Willemsbrug, overal. Tusschen den heftoren en de kerkspits van het Stieltjesplein komt, rechtstreeks uit de richting Dordrecht onder de laag drijvende wolken, de stompe grijze kop en een minuut later kan ieder, die hoog genoeg geklommen is, het weten: daar is tie! De voorname, indrukwekkende contouren zijn nu al te onderkennen, want, oogenschijnlijk tusschen Hefbrug en Maasstation — met een uur snelheid van 120 K.M. — komt hij over de Maas aanzetten op de oude stad. Allen roepen het elkaar toe, hollen met de kinderen naar een beter punt, het Witte Huis is bovenop zwart van de menschen, op den St. Laurenstoren staan ze, op de daken, voor de zoldervensters, in de dakgoten. Twee vliegmachines begeleiden hem plechtig, er komen meerdere toestellen bij, zes, acht!

Degenen, die denken dat ze het weten, en wie heeft nog nooit in een vliegmachine gezeten, zeggen met kennersovertuiging: hij is 300 Meter hoog. Maar de schitterende, de weergalooze Is slechts 100 a 130 meter boven de stad — kijk hij zwenkt nu langzaam, machtig, toch slank, onvergelijkelijk; een prachtig phenomeen. Hij glijdt rustig, boven de daken voorbij, de impressie is minder hevig dan toen Rotterdam hem voor het eerst zag. Toen dreunde de stad de navigatielichten en de gele gondelruiten waren in den laten schemer geheimzinnig, de romp onwezenlijk groot. Nu kennen allen de finesses van den glorierijken cirkel om de wereld en in het volle licht, terwijl de vliegtuigen zoemen, de schepen op de rivier hun koperen kelen openzetten voor een machtig accoord, hoort men niet meer zóó geweldig den dreun der motoren.

Kijk, de cijfers aan bakboordzijde zijn duidelijk te zien: D.—L. Z. 127, ook de fel-roode naam. Onder den kleinen gondel hangt een stip, de parachute, die ze zullen laten dalen. Bij de scherpe punt met de vier stuurvlakken is de kleur lichter. De ribben zijn haast te tellen.

Nu komt hij over den Coolsingel, plotseling schuift hij over de dakranden, vlak boven de menschen. Nog een minuut en hij is boven Delfshaven. Iedereen zegt, dat het schip recht over zijn huis heenkomt. Het duurt al 10 minuten. Zullen ze al doorvliegen? Nee, hij draait weer, gelukkig! Weer naar de rivier, en dan precies langwerpig boven heit water schuift het wonderlijke ding naar het Oosten. Wat zullen de passagiers nu genieten van onze havens en de prachtige Maas! Alle sleepbooten gillen, hun zuivere stoompluimen stijgen overal op. Een K. L. M. toestel blijft gedurig vlak onderaan den romp hangen. Weer wordt aan het stuur gedraaid en weer vaart het zeer elegante luchtmonster, aan z’n neus is de ankerring duidelijk te zien over het Maasstation en naar het Westen.

10.55. De Zeppelin verdwijnt boven de weien van Overschie. Een half uur heeft hij ons verrukt doen staan. Men tuurt hem na, totdat hij al boven Den Haag moet zijn. Tjonge, wat een pracht, wat een uitvinding, zeggen de menschen met glinsterende oogen tegen elkaar en den heelen verderen dag vertellen we aan anderen, hoe mooi het was.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit de Maasbode van 14 oktober 1929.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Gezicht op de Zeevischmarkt, 1910

Gezicht op de Zeevischmarkt, 1910. Links de hoek van het Hang en de smalle straat is de Vissersdijk.

Bijna 3 eeuwen lang stond er aan de kop van de Leuvehaven oftewel de Blaak de zeevismarkt. De markt was het centrum voor de vishandel in Rotterdam.

In 1566 gaf de stad de erven aan het Hang uit. Waarschijnlijk had men hier in het verleden een zogenaamde bokkinghang (een drogerij van haring). In het begin wordt dikwijls gesproken van Westnieuwland. Ook vinden wij vermeld ‘in den Hang op den Vischdijk’. In 1535 is er sprake van een haringplaats van de stad in deze buurt. Bovendien was het stadskeurhuis hier gelegen. De vroedschap besloot in 1594 voortaan geen bokkinghangen meer binnen de stad te dulden, namelijk niet meer in de Rijstuin en het Westnieuwland, wel ten zuiden van de Nieuwehaven, aan de Blaak en buiten de stad. In 1599 werden ook bokkingshangen toegestaan aan de zuidzijde van het Haringvliet en aan de Leuve buiten de Schiedamsche Poort. De meestal aangenomen verklaring, dat de vissers hun netten hier te drogen hingen, kan als onjuist worden bestempeld, omdat reeds in 1476 alleen vergund was de netten op te hangen aan het Oosterse hoofd en het Westerse hoofd en aan de Vest tussen de Delftsche Poort en de Schiedamsche Poort.

De ‘Rieddijcke’ in het Westnieuwland, vermeld in 1336, moet de latere Vissersdijk geweest zijn. Het Westnieuwland was oorspronkelijk alleen een rietveld en dit verklaart de eerste naam. Voor Vissersdijk heeft men wel de verklaring gezocht bij de familie De Visscher, die deze dijk zou hebben aangelegd. In 1333 komt Dirck de Visscher voor als eigenaar van het huis Bulgerstein. Leden van dit geslacht hebben een grote rol gespeeld te Rotterdam. Het is dus heel goed mogelijk dat zij de naamgevers van de dijk zijn. Eerst in de 16de eeuw komt de straat onder de naam Vissersdijk, of ‘Vischdijkje’, voor. Dit bewijst echter niet dat de naam niet veel ouder kan zijn. Op de Rietdijk woonde in het begin van de 16de eeuw Jan van Vlaerdinck, de Visser, die ook de naamgever kan zijn. Verder zou men voor een verklaring kunnen denken aan de nabijheid van de Vismarkt, waardoor veel vissers hier woonden. Het houden van bokkinghangen en haringplaatsen in het Westnieuwland getuigt ook van deze vissersbevolking, evenals de naam Hang.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Schiekade 1910

De Rotterdamse Schie met de Schiekade uit noordelijke richting gezien. 1910-1914.

De naam van deze kade is ontleend aan de Rotterdamse Schie, de vaart ten gevolge van een handvest van 9 juni 1340 gegraven van Overschie naar Rotterdam. Ze sloot aan op de reeds bestaande Delftse of Oude Schie, die Delft met Overschie verbond. Ter plaatse van het latere Hofplein kwam de Schie uit in de Kolk welke door de Rotte was gevormd. Vanaf dit punt ging de vaart door de stad onder de naam Delftsevaart. Deze was via een spuisluis verbonden met de Merwede (Nieuwe Maas). De Schie komt ook een enkele maal voor als Spuivaart.

Langs beide zijden van de vaart werden kaden aangelegd. In het begin waren deze van weinig betekenis. De Oost-Schiekade was omstreeks 1562 nog maar een betrekkelijk smalle zomerkade. Eerst in 1741 werd deze door de stad bestraat, voor rekening van de eigenaars van de huizen aan de kade en de 1ste, 2de en 3de Schielaan. Dit waren drie laantjes die vanaf de Oost-Schiekade langs de tuinen van de buitenhuizen liepen. De West-Schiekade was breder en werd als rijweg naar Delft gebruikt. Bij een overeenkomst in 1471 werd bepaald dat het onderhoud van deze weg van de Delftse Poort tot aan het Leprooshuis voor rekening van de stad kwam. Het onderhoud van het gedeelte tot aan de Waelheul (Heulbrug) zou worden betaald door de ingelanden van de ambachten van Beukelsdijk, Cool, Schoonderloo, West-Blommersdijk en Blijdorp.

De West-Schiekade, gelegen tussen de Heulbrug en Overschie en vroeger vaak Lugt of Trekweg genoemd, heette sinds 1904 Schieweg. Bij besluit B&W 19 april 1932 heeft deze weg een andere loop. Vanaf de huidige Stadhoudersweg, die over een klein gedeelte van het traject van de oude Schieweg loopt, is de weg in noordelijke richting naar de Gordelweg doorgetrokken. Hij sluit thans aan op rijksweg A20. Het rotondeplein in deze rijksweg ontving de naam Schieplein. De Schiestraat kreeg haar naam omdat ze op de Schie uitliep. Vóór het bombardement in mei 1940 liep deze straat van de Schiekade naar de Delftsestraat.

In verband met de bouw van de wijken Blijdorp en Bergpolder werd in 1931 besloten het gedeelte van de Schie tussen de melkmarkt (latere Stadhoudersplein) en de spoorbaan te dempen. De gemeenteraad besloot op 22 juni 1939 tot demping van het gedeelte van de Schie, gelegen tussen het Hofplein en het Stadhoudersplein. Deze demping geschiedde voor een groot gedeelte met het puin van de huizen, die verwoest waren bij het bombardement. Sindsdien is een bekend Rotterdams gezegde ‘Eerst lag de Schie in Rotterdam, thans ligt Rotterdam in de Schie’.

De foto komt uit de fotocollectie van het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Grote kerkplein (Ged. Binnenrotte)

Het Grotekerkplein met rechts het spoorwegviaduct aan de Binnenrotte, 1910. Op de achtergrond Hotel Café Spiereburg op de hoek met de Oppert.

Het Grotekerkplein was oorspronkelijk een deel van het oude kerkhof, dat rondom de parochiekerk lag. De aanwezigheid van de kerk leidde al snel tot de huidige naam. Vanwege het oude kerkgebouw, dat sinds 1572 voor de reformatorische eredienst in gebruik was, kwam al spoedig de huidige naam in gebruik. Het gedeelte van het plein dat ligt voor de hoofdingang van het kerkgebouw, heette van 1952 tot 1976 Sint-Laurensplaats.

Het Luchtspoor was een 2,2 kilometer lang spoorviaduct in de Spoorlijn Breda – Rotterdam dat dwars door het centrum van Rotterdam en met bruggen over de Nieuwe Maas en de Koningshaven heen ging. Het begon ter hoogte van station Rotterdam Hofplein en eindigde bij de aanvang van de vaste oeververbinding over de Nieuwe Maas; de officiële benaming was Binnenrotteviaduct. Dit spoorviaduct werd op 28 april 1877 geopend als onderdeel van de door de Staat aangelegde verbinding van Amsterdam naar België. Het is de enige spoorlijn in Nederland die dwars door een historische binnenstad gebouwd is. Uiteraard bracht dit de nodige overlast met zich mee; toch werd het Luchtspoor na verloop van tijd onlosmakelijk onderdeel van het Rotterdamse stadsbeeld. Omgekeerd bood het Luchtspoor treinreizigers een spectaculair uitzicht op de bedrijvige stad.

Vanaf 1855 werd gestudeerd op een spoorverbinding tussen Amsterdam en België. Het was mogelijk van Amsterdam naar Rotterdam te reizen met de trein, ook was er een treinverbinding tussen Moerdijk en Antwerpen, maar tussen Rotterdam en Moerdijk moest men van een stoomboot gebruikmaken. Een mogelijkheid was de verbinding met België via Utrecht en Tilburg te laten lopen. Dit plaatste Rotterdam voor een dilemma, enerzijds wilde men graag profiteren van een goede treinverbinding met België, anderzijds was men doodsbenauwd dat bruggen over de Nieuwe Maas de scheepvaart zouden hinderen. In 1862 greep de in de regering teruggekeerde minister Thorbecke in. Hij dwong Amsterdam en Rotterdam tot forse ingrepen om de spoorwegen aan te sluiten op de wereldhavens van beide steden. In Rotterdam moest daarvoor niet alleen een spoorlijn dwars door de stad worden aangelegd, maar ook een nieuwe haven worden gegraven: de Koningshaven.

Om een verbinding met Amsterdam te kunnen maken moest de nieuwe spoorlijn uit de richting Breda aansluiten op de bestaande Spoorlijn Amsterdam – Rotterdam die op het kopstation station Delftse Poort eindigde (ongeveer waar nu station Rotterdam Centraal ligt). Om de doortrekking mogelijk te maken werd een nieuw station Delftse Poort gebouwd. Het Luchtspoor kreeg ook een eigen station, midden in het centrum van Rotterdam: station Beurs. Na de oorlog zou station Beurs worden hernoemd tot station Blaak.

De prentbriefkaart komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

1e Lombardstraat 1910

Het Schotse kerkje, ofwel Sint-Sebastiaanskapel, in de 1e Lombardstraat gezien vanaf de Meent, 1910.

De Schotse kerk te Rotterdam, ook wel de Schotse Zeemanskerk, officieel de Scots International Church genaamd, is een Engelstalige protestantse kerkgemeenschap in de presbyteriaanse traditie die deel uitmaakt van de Church of Scotland. Schotse kerkdiensten werden vanaf 1643 gehouden in de Maasstad, aanvankelijk in de voormalige Sint Sebastiaanskapel op de hoek van de Lombardstraat en de Meent. De kapel was ten behoeve van de vele Schotse kooplieden, zeelieden en soldaten die in Rotterdam leefden beschikbaar gesteld door de stad. De eerste Schotse dominee die vanuit Perth in Schotland naar Rotterdam afreisde was Alexander Petrie. In 1697 kwam een nieuw gebouwd godshuis gereed aan het Vasteland, op de hoek met de Herderstraat. Uitbreiding van het kerkgebouw met een armenhuis voor weduwen en wezen van gesneuvelde Schotse soldaten volgde in 1722. Deze kerk ging in 1940 bij het bombardement op Rotterdam verloren. Het huidige gebouw aan de Schiedamsevest dateert van 1952 en werd ontworpen door M.C.A. Meischke.

De Lombardstraat wordt al in 1357 genoemd. Het is wel aan te nemen dat ze haar naam dankte aan de eerste lombardhouders, die hier hun tafel van lening en wisselkantoor hadden. In 1340 had Willem IV, graaf van Henegouwen, aan de stad vergunning verleend, om de vrijbrieven voor de Lombarden door haar schepenen te laten bezegelen. In 1370 worden dan vrijbrieven als tafelhouders gegeven aan Robbert Bestant en de gebroeders Taglert. Hun woonplaats wordt niet opgegeven, doch de naam Lombardstraat bewijst, dat zij of voorgangers gehad hebben, of dat in 1370 de vrijbrieven, aan hun gegeven, slechts verlengd zijn. Pas later is de straat onderscheiden in 1ste en 2de Lombardstraat. De straat liep van de Pompenburgsingel naar de Kaasmarkt. Bij besluit B. 30 juni 1942 werden de namen ingetrokken. De naam Lombard werd ook verbasterd tot Lommertstraat of Lommerstraat.

De fotograaf is Henri Berssenbrugge en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia en uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen