Tag Archives: 1967

Winkelcentrum Jacob van Campenplein in het Lage Land, 1967

Winkelcentrum Jacob van Campenplein in het Lage Land, 1967 (geschat).

Jacob van Campen (Haarlem, 2 februari 1596 – Amersfoort, 13 september 1657) was een Nederlandse architect en kunstenaar uit de Gouden Eeuw.

Jacob van Campen stamde uit een welgestelde adellijke familie en bracht zijn jeugd door in zijn geboortestad Haarlem. Van Campen was Heer van Randenbroek, en ging, vooral bij wijze van tijdverdrijf, schilderen. In 1614 werd hij lid van het Sint-Lucasgilde. Na een verblijf in Italië van 1617 tot 1624 keerde hij terug naar Nederland, waar hij de ideeën van Andrea Palladio, Vincenzo Scamozzi en de klassieke architectuur van Vitruvius combineerde met de inheemse baksteenbouw. Het resultaat was het Hollands classicisme, een bouwstijl die behalve in Nederland ook internationaal van invloed was. Van Campen was bevriend met Constantijn Huygens, samen ontwierpen ze zijn nieuwe huis. Op Johan Maurits van Nassau-Siegen, de ontwerper van de De Kleefse tuinen en de Grote Keurvorst in Berlijn had Van Campen zelfs na zijn dood veel invloed. Frederik Willem van Brandenburg wenste koste wat het kost een boek door Van Campen geschreven te bezitten. Het stadhuis en het stadspaleis in Potsdam zijn op de ideeën van Van Campen gebaseerd.

Van Campen werkte zowel als architect, kunstschilder en ontwerper van decoratie-programma’s, zoals voor het kerkorgel in Alkmaar. Zijn kunst had tegelijk ook een invloed op de beeldhouwkunst. Bij zijn werken werd hij geassisteerd door Pieter Post, Daniël Stalpaert, Matthias Withoos, Philips Vingboons, Artus Quellinus, Tielman van Gameren en Rombout Verhulst. Mogelijk werkte hij ook samen met Albert Eckhout.

Tijdens de bouw van het Amsterdamse stadhuis, het tegenwoordige Paleis op de Dam, woonde Van Campen in het duurste logement in de Kalverstraat en zijn verteringen waren navenant. In 1654 is Van Campen met ruzie vertrokken, waarschijnlijk in verband met het ontwerp van de tongewelven. Stalpaert won en beëindigde het project – naar verluidt – met minder fraaie oplossingen.

Na een lange loopbaan, overleed Jacob van Campen in 1657 bij Amersfoort op de buitenplaats Randenbroek, dat hij had geërfd van zijn moeder. Het was door hemzelf verbouwd en door Caesar van Everdingen gedecoreerd. Van Campen is nooit getrouwd geweest, maar had wel een zoon, Alexander Van Campen, die zich later, na de erfenis, vestigde in Bloemendaal / Haarlem, waar de rest van de familie is geboren en getogen.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Ikazia ziekenhuis, Montessoriweg, 1967

Exterieur van het Ikazia Ziekenhuis Rotterdam aan de Montessoriweg 1, 1967. Het ronde gebouw is het zusterhuis.

In het begin van de 50-er jaren gingen er stemmen op om in Rotterdam-Zuid een Protestants Christelijk ziekenhuis op te richten, waar ook patiënten van de Zuid-Hollandse eilanden terecht konden. In 1961 werd aanvang gemaakt met de bouw, mogelijk gemaakt door de opbrengsten van een inzamelingsactie, georganiseerd door de stichting InterKerkelijke Actie Ziekenhuis In Aanbouw (Ikazia).

In 1965 werd de polikliniek van het Ikazia-ziekenhuis aan de Montessoriweg in Rotterdam-Zuid opgeleverd en werd de eerste patient opgenomen. Afdeling na afdeling ging open tot op 1 oktober 1968 de aanloopfase werd afgesloten met de officiële opening.

Architecten zijn Joh. H. Groenewegen, H. Mieras, B.J.K. Cramer en J.E. Kruisheer. Het grondplan bestaat uit een stervormige hoogbouw in drie vleugels. Omdat met de ruimte gewoekerd moest worden, werd besloten voor een bezoekersentree op een verhoging met daaronder, buiten het gezicht van de bezoekers, een verdiepte inrit voor ziekenauto’s. De buitenkant was lichtgekleurd met prefab-betonnen gevelplaten waartussen blauwe stroken de ramen scheiden. De polikliniek kreeg vanwege haar aparte functie een eigen vorm: een langwerpige vleugel met een dak van gebogen schalen, waardoor het licht naar binnen valt.

Naast de polikliniek zijn er nog aparte gebouwen voor, een kapel (met gekleurde glaswanden naar ontwerp van glazenier Berend Hendriks), en een verpleegstershuisvesting. Deze typische ronde woontoren was al van verre hét kenmerk van het ziekenhuis.

De ingang van de polikliniek wordt gevormd door een grote, brede trap. Die wordt gemarkeerd met een groot betonplastiek van beeldhouwer Rudi Rooijackers (*Djakarta 1920) en getiteld ‘Overdracht van kennis’. De plastiek is over twee verdiepingen aangebracht, vanaf het trottoir tot aan de bovenzijde van de polikliniek. ‘Overdracht van kennis’ vormt samen met ‘Drie figuren’ aan de Spaanseweg de enige twee werken van Rooijackers in Rotterdam. Rooijackers, die studeerde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, behoorde omstreeks 1950 tot de artistieke werkgroep ‘De Nieuwe Ploeg’ bestaande uit vooruitstrevende kunstenaars.

In 1997 werd het zodanig ingrijpend gerenoveerd dat er voorlopige onderkomens werden gebouwd voor poliklinieken, verpleegafdelingen en administratie. Om patiënten dicht bij huis te kunnen helpen, heeft Ikazia twee buitenpoliklinieken. De buitenpolikliek Carnisselande in Barendrecht en de buitenpolikliniek Klaaswaal, in Klaaswaal. In 2009 stond het Ikazia op de lijst van de beste ziekenhuizen in Nederland.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Rochussenstraat, 1967

Sloop van nachtclub en cabaret L’Ambassadeur aan de Rochussenstraat 172, juni 1967. Op de achtergrond een deel van het Maritiem Museum Prins Hendrik.

Uit het Vrije Volk van 13 juni 1967:
Zesentwintig jaar nadat het als „noodvoorziening” was opgetrokken is nu de witgepleisterde nachtclub I’Ambassadeur aan de Rochussenstraat met pensioen gestuurd. Gisteren is de nieuwe I’Ambassadeur geopend; schuin aan de overkant van het oude etablissement, aan het eind van de ‘s-Gravendijkwal, kan men thans voor avond- en nachtvertier terecht in een fraaie club. Aan de inrichting daarvan is alle zorg besteed, er bevinden zich twee bars in en een ruime dansvloer. De nieuwe Ambassadeur vormt een stevig contrast met de oude, die ook wat zijn interieur aangaat, toch wel duidelijk op sterven na dood was.

Na Cascade en Habanera verdwijnt thans dus ook de derde noodnachtclub. Zeer binnenkort zullen de slopers I’Ambassadeur met de grond gelijkmaken. De laatste herinnering aan het feit, dat de mens ook in de donkere oorlogsjaren ruimte nodig had om af en toe aan de zwier te gaan, zal daarmee vervagen.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het Vrije Volk (via delpher.nl)

Met medewerking van Rotterdam van toen

De Enk 1967

Op het tenniscomplex aan de Enk wordt geschaatst, 13 februari 1967.

In Drenthe verstaat men onder enk het ontgonnen gedeelte van de hei, dat in de onmiddellijke omgeving van oude dorpen wordt gevonden. Ze vormt dus de rand van de hei. Ook in Rotterdam ligt de Enk aan de rand en wel van Tuindorp Vreewijk.

In 1913 werd de NV Eerste Rotterdamse Tuindorp opgericht door K. P. van der Mandele, J. Mees en L.J.C.J. van Ravesteyn. Het doel van deze NV was “het stichten en exploiteren van een of meer tuindorpen, bijzonderlijk ten behoeve van de minder gegoede bevolkingsklasse”.

Het stratenplan van de wijk is gebaseerd op het oorspronkelijke sloten- en greppelpatroon van de voormalige polder, de singel langs de Langegeer was een brede sloot genaamd de Vliet en de Leede was een hoofdsloot. De vliet ontstond in de 15e eeuw en vormde de grens tussen het baljuwschap Putten in het westen en het baljuwschap Zuid-Holland in het oosten. De Vliet vormde ook de scheiding tussen de heerlijkheden West-IJsselmonde en Charlois en de polders Karnemelksland en Varkensoord.

Vreewijk is opgezet als een dorp en wordt gekenmerkt door veel groen. In het centrum ligt, zoals een clichématig dorp betaamt, De Brink. Het stratenplan werd ontwikkeld door Berlage (westelijk deel) en Granpré Molière (oostelijk deel). De huizen werden ontworpen door Granpré Molière, J.H. de Roos en W.F. Overeijnder.

In 1919 werden de eerste woningen opgeleverd. Het laatste deel, ten oosten van de Dordtsestraatweg, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog opgeleverd.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam en van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Modern Beat “67” Energiehal, 1967

Optreden tijdens het Beatfestijn “Modern Beat ’67” in de Energiehal, georganiseerd ter gelegenheid van een jubileum van de firma Radio Modern, 3 juni 1967.

Uit het Vrije Volk:
Ruim achtduizend personen van onder uit de tien tot ver in die twintig, alsmede een miniem percentage nieuwsgierig-ongeruste vaders en moeders zijn zaterdag getuige geweest van de omvangrijkste BEAT-dis, die het vaderland tot nog toe is voorgeschoteld.

De Energiehal aan de voet van Rotterdams Medische Faculteit-in-aanbouw was de plaats, waar wie het wilde van vier uur in de middag tot twaalf uur ‘s avonds pal kon gaan staan om voor een tientje de man het geweld van Outsiders, Motions, Q 65, Tee Set, Golden Earrings etc. te incasseren.

De aanhouder kon aan het eind van de avond beleven hoe het programma „gigantiseerde” in optreden van Dave Dee c.s., Shoes, Small Paces en de civiel-rechtelijk vervolgde Spencer Davis-group. Sandie Shaw mocht de choco-vanille gevooisde poppunten op de i’s zetten.

De organisatoren (jubilerende Radio Modern en Radio Veronica, bijgestaan door de organisator Jacques Senf) zijn tegen het ochtendgloren innig tevreden naar bed gegaan. Credit: een nadelig saldo (het festijn kostte een ton), debet: een heerlijk rustige avond en een sloot goodwill.

Dat de avond zo weinig gemeen had met vele ruige evenknieën en misschien zelfs als mat — alles naar verhouding — mag worden gekarakteriseerd is niet moeilijk te verklaren. In de eerste plaats: acht uren beat-the-hard-way krijgen zelfs de meest explosieve figuren klein. Ten tweede moet genoemd worden het in frustrerend groten getale aanwezig zijn van ordedienstleden en derzelver rustig optreden.

Ten slotte heeft vermoedelijk Invloed gehad het aanzienlijk afvloeien van bezoekers na elf uur. De oorzaak hiervan was de verwarrende berichtgeving over de speciale busgelegenheden, die waren gecharteerd.

Via Veronica was namelijk een dag eerder toeterend verkondigd, dat iedereen — waar die ook woonde — kon rekenen op vervoer. Tegen negenen zaterdagavond vertelde publiciteitschef J. Ploeger van Modern, dat dit ondoenlijk was gebleken en dat alleen de lijn Amsterdam-Hilversum- Utrecht zou worden onderhouden: oorzaak van het verloop.

Om kwart voor twaalf bleken toch plaatsen als Breda. Roosendaal, Hoek van Holland. Rockanje en Gouda in het routeschema te zijn opgenomen.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt uit het Vrije Volk van 5 juni 1967.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Toegangsroute naar de Beneluxtunnel (tol-o-maat) 1967

Toegangsroute naar de Beneluxtunnel met een automobilist die een gulden in de  werpt, 29 mei 1967.

Oorspronkelijk was de oostelijker gelegen Maastunnel de westelijkste vaste oeververbinding in de regio Rotterdam. Verkeer naar het havengebied moest via veerdiensten of over de in 1965 opengestelde Van Brienenoordbrug. In de jaren ’50 en ’60 groeide de haven van Rotterdam enorm, het was vanaf de jaren ’60 de grootste haven ter wereld. Hiervoor was een goede ontsluiting noodzakelijk. Geld voor een dermate grote oeververbinding was er echter niet, dus werd de Beneluxtunnel met tol gefinancierd.

De oorspronkelijke Beneluxtunnel was een tunnel die gebouwd is volgens de afzinkmethode. De tunnel was oorspronkelijk 23,90 meter breed en 7,84 meter hoog, met 2 rijstroken per richting, eigenlijk vergelijkbaar met de tegelijkertijd aangelegde Coentunnel in Amsterdam. De aanleg van de tunnel begon in april 1962. Het eerste werk bestond uit het uitgraven van een bouwdok bij Pernis, waar de tunnelelementen op het droge gebouwd zouden worden. Er werden acht tunnelelementen van 93 meter lang gebouwd. Het uitbaggeren van de sleuf waarin de tunnel zou komen was lastig vanwege het getij en de daarmee gepaard gaande beweging van slib op de bodem. De acht segmenten zijn tussen 27 maart en 31 oktober 1966 afgezonken. Daarna is de tunnel afgebouwd. Op 5 juni 1967 is de tunnel opengesteld voor het verkeer met 2×2 rijstroken. De tol werd slechts 13 jaar lang geheven en is in 1980 afgeschaft.

De Beneluxtunnel is in de jaren ’60 aangelegd door de concessionair Beneluxtunnel N.V. Deze concessionair bestond uit het bedrijfsleven en de gemeenten Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen.

De tol bedroeg fl. 1,- voor personenauto’s en busjes en fl. 2,50 voor vrachtwagens. Het tolstation lag 1.200 meter ten zuiden van de tunnel en werkte met een geldmandje.

Al voor de openstelling van de tunnel was er weerstand tegen de tolheffing. De RET was tegen tolheffing omdat bussen tol moesten betalen. Toen de Ring Rotterdam midden jaren ’70 zijn voltooiing bereikte werd de tol in de Beneluxtunnel als ongelukkig gezien, omdat het automobilisten afschrikte, waardoor de druk op de Maastunnel hoog bleef. In 1974 werd aangegeven dat bij een tolvrije Beneluxtunnel het verkeer met 75% kon toenemen en daarmee de Maastunnel en Van Brienenoordbrug ontlast zouden worden. In 1970 reden dagelijks zo’n 15.000 voertuigen door de toltunnel, wat steeg naar 30.000 voertuigen in 1975. Per 1 januari 1980 is de tunnel door het Rijk overgenomen. Gelijktijdig werd de tolheffing beëindigd. Vanaf dat moment reden dagelijks zo’n 50.000 voertuigen door de tunnel.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Haagseveer 1967

Een parkeerwachter controleert op het Haagseveer een parkeermeter, 1967 (geschat). Op de achtergrond het Hofplein met dancing Bristol en het Shellgebouw.

Het schippersveer op Den Haag was aan deze kade gelegen evenals het kantoor van het wagenveer. Een huis ”s-Gravenhage’ trof men hier al in 1596 aan. In het midden van de 17de eeuw is er sprake van ‘het Haagscheveer’ op de Delftsevaart, in 1707 is er bijgevoegd ‘naest het Coolhuys’ (de Sint Jorisdoelen). Delftsevaart was vroeger de gewone naam van deze straat. Later sprak men van Delftsevaart, anders genaamd Haagseveer. De laatste naam kwam in de 19de eeuw steeds meer in zwang. Na het bombardement werd het Haagseveer in zuidelijke richting verlengd met een gedeelte van de Westewagenstraat.

Het naoorlogse Hofplein kreeg zijn huidige vorm in 1955. Het is gebouwd als een verkeerscirculatieplein en maakt onderdeel uit van een hoofdwegenstelsel in de binnenstad, waarvan ook het Churchillplein en het Oostplein deel zijn. Het eerste naoorlogse gebouw dat aan het Hofplein verrijst, is het Shell-kantoor (1956-1960) van architect C.A. Abspoel. Het vijf verdiepingen tellende gebouw is gelegen tussen Schiekade, Pompenburg en het spoorwegviaduct. Het ontwerp omvat ook een 10 meter brede straat die het Centraal Station met Station Hofplein moest verbinden. Daarom werd het gebouw op 20 granieten kolommen geplaatst, waardoor een doorrijhoogte van 5 meter ontstond. Al tijdens de ontwerpfase werd besloten meerdere organisaties van Shell in het gebouw op te nemen, waardoor het geen vijf maar negen verdiepingen kreeg. Het was de tijd van de wederopbouw met een enorm gebrek aan materialen. De minister van Bouwnijverheid en Wederopbouw eiste dan ook dat in bedrijfsgebouwen zoveel mogelijk materialen moesten worden gebruikt die niet in de woningbouw werden toegepast. Daarom werd voor de vliesgevel gekozen voor een slank aluminium profiel.

Twintig jaar later, tussen 1974 en 1976 werd het Shell-kantoor uitgebreid door ernaast een toren van 26 verdiepingen te realiseren met eronder een parkeergarage. De opvallende spiegelende gevel is uitgevoerd in blauw-groene tinten. Hiermee wilde men aansluiten bij het nieuwe, moderne Rotterdam. De nieuwe toren is ontworpen door ZZDP Architecten en was toen met zijn 95 meter hoogte nummer twee op de lijst van Rotterdams hoge gebouwen. Nummer één was de medische faculteit van de Erasmusuniversiteit met 105 meter. PvdA-wethouder J. Mentink betitelde het gebouw indertijd als ‘de laatste erectie van het grootkapitaal’.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt eveneens uit het Stadsarchief Rotterdam.

Met medewerking van Rotterdam van toen

Havenvakschool Jan Backx Parkhaven 1967

De net in bedrijf gestelde drijvende havenvakschool Jan Backx in de Parkhaven met op de achtergrond de Euromast, 7 februari 1967.

Bij het overlijden van Jan Backx in 1982 maakte Dr. Stakenburg, de secretaris van de Scheepvaart Vereniging Zuid en medekompaan in de strijd voor een Havenvakschool, diens verdienstenbalans op. Hier het begin van het referaat:

Jan Backx, in 1903 te Amsterdam geboren als zoon van Cornelis Petrus Hendrikus Johannes Backx en Grietje Key, was een schitterende toekomst weggelegd, welke hij waar zou maken.

Zijn vader was stuwadoor en leidde eerst met zwager Jan en later met neef Gerrit Key Thomsen’s Stuwadoorsbedrijf. Grootvader Backx was notaris te Watergraafsmeer en stamde uit een zeer oud Brabants geslacht, in de middeleeuwen riddermatig.

Na het Gymnasium Erasmiamim te Rotterdam te hebben doorlopen, studeerde Backx te Leiden in de Rechten en Economie. Hij promoveerde in 1928 op een nog veel gelezen proefschrift ‘De Rotterdamse Haven’, waarna hij op 3 oktober 1929 in dienst van zijn vaderlijk bedrijf trad. Hij begon er “in de put”, zoals dat heet, en het laad- en loswerk der zeeschepen in al zijn facetten mede. In 1935 werd hij, nadat zijn praktische opleiding was beëindigd, directeur, en van dat ogenblik af zouden Thomsen’s Havenbedrijf, dat hij van 200 tot 2000 personeelsleden uitbouwde, en hij ondeelbare begrippen worden.

Zijn onderneming moest en zou in Rotterdam model worden voor de inrichting van een havenbedrijf!
Dit nagestreefde ideaal, dat gezien de resultaten veel meer was dan een droomwereld, bestempelt na 1935 Backx behalve als hervormer in eigen bedrijf als leider van een gemeenschap. Niet slechts binnen deze in de publieke opinie verachte, want verachterde, bedrijfstak, moest die gemeenschap – waarvoor in 1907 Dr W.A. Engelbrecht en, na hem Paul Nijgh de grondvesten hadden gelegd – worden opgebouwd, maar ook, ja bovenal!, daarbuiten: in de sociaal-culturele vorming van de mens; in zijn vrijetijdsbesteding; in zijn onderwijswetenschappelijke scholing; in zijn musische begeleiding.

Kortom in tientallen facetten van het leven. Het dagelijks bestaan van de geminachte bootwerker, de hoger geklasseerde industrie-arbeider, de modale bankbediende de uitzichtloze kantooremployé zou moeten worden verrijkt. De mens op zijn werk en de mens thuis, in zijn verenigingsleven, met zijn hobby’s, tijdens zijn schooluren of zelfstudie, zouden moeten worden geïntegreerd in één all-round persoonlijkheid!

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van http://www.havenvakschool.com/www.HAVENVAKSC…/JAN_BACKX.html 

Met medewerking van Rotterdam van toen

 

Boompjeskade 1967

Provokelder de Leiperd aan de Boompjeskade, onder de oprit van de Willemsbrug, 1967.

Provo wordt geboren in Amsterdam. Het hoogtepunt van de beweging is de verstoring van de trouwerij van prinses Beatrix en prins Claus. Tijdens de rijtoer steken de plaatselijke provo’s rookbommen af. De beelden gaan de hele wereld over.

In Rotterdam staat de provo-beweging dan nog in de kinderschoenen. Evenementen, ook wel een happening genoemd, zijn hier nog niet geweest. “De provo-beweging is vooral ontstaan uit middelbare scholieren”, zegt Holterman. “Een deel daarvan ging door naar Amsterdam. Vandaar de voorsprong. Daar komt bij dat Rotterdam een andere bevolkingssamenstelling heeft.”

Ondanks enkele kleine bijeenkomsten, duurt het tot halverwege 1966 voordat ook Rotterdam zijn eerste provo-happening kent. Op 14 mei 1966 wordt op het Hermesplantsoen (tussen de Oude en Nieuwe Binnenweg) een bijeenkomst gehouden. Rond elf uur staan er ongeveer honderd tot tweehonderd jongeren bij het standbeeld van Fikkie, een klein hondje, dat tegenwoordig op de Oude Binnenweg staat.

De happening zou om elf over elf beginnen. Het onderwerp: het leefbaar maken van Rotterdam, met meer groen, goedkoper openbaar vervoer en meer uitgaansgelegenheid (‘beatclubs’).

De politie is op de hoogte van de bijeenkomst en houdt de boel in de gaten. Als dan om elf over elf voorman Joop Stolk, broer van de bekende Amsterdamse provo Rob Stolk, op het beeld van Fikkie klimt om het woord te voeren, grijpt de politie in. De happening is een verstoring van de openbare orde en mag niet doorgaan.

Stolk roept de aanwezigen op om, in tegenstelling tot in Amsterdam, gewoon rustig weg te gaan. Als er dan een paar korte spreekkoren klinken tegen de oorlog in Vietnam, grijpt de politie toch in. Stolk wordt opgepakt en met hem 23 anderen.

Een dag later (op zondag!) komt een deel van de jongeren voor de rechter. De rechter is niet mild: “Rotterdam kan deze dingen niet hebben. Daarvoor is Rotterdam een te werkzame stad.” Er worden straffen van zes dagen cel uitgesproken. En niks voorwaardelijk. Gewoon zes dagen.

Is het daarmee meteen gedaan met de Rotterdamse provo-beweging? Nee. De provo’s komen elke zaterdag bij elkaar. Eerst bij het Hermesplantsoen, bij het beeld van Fikkie, maar later op andere plaatsen, omdat de politie de provo’s steeds opwacht.

Steeds pakt de politie meerdere provo’s op, die dan worden veroordeeld tot enkele dagen cel.

In Rotterdam is inmiddels ook een tweede provo-beweging ontstaan: De Nieuwe Generatie. Bij de oprichters horen ook Arnold en Thom Holterman. In het najaar van 1966 komen ze in het nieuws. Ze bezoeken de huishoudbeurs Femina. Ze zijn er, omdat ze in gesprek willen met burgemeester Thomassen en één van zijn wethouders die op de beurs aanwezig zijn. Ze eisen een eigen plek in de stad.

“Het was de groep Nieuwe Generatie die het voor elkaar kreeg dat er een eigen centrum kwam voor jongeren, de Leiperd”, vertelt Thom Holterman. “Die zat onder de Willemsbrug.”

Daarmee was een van de belangrijkste doelen van de provo-beweging bereikt. Holterman: “Een eigen plek voor de ongebonden jeugd. Veel van het jeugdwerk was in die tijd gericht op het verenigingsleven. Toen de Leiperd eenmaal draaide hebben we het aan de jeugd overgedragen, waarna die de naam heeft gewijzigd in Flaming Star”.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van de Vergeten Verhalen van RTV Rijnmond. Lees verder op http://www.vergetenverhalen.nl/…/ook-rotterdam-had-een-eig…/

Met medewerking van Rotterdam van toen

Ter meulen Binnenwegplein 1967

Op de stoffenafdeling zoekende vrouwen tijdens de uitverkoop in het warenhuis Ter Meulen aan het Binnenwegplein, 15 januari 1967.

In 1897 begon Hein ter Meulen met een manufacturenwinkel op de Nieuwe Markt in Rotterdam. In 1903 vestigde hij zich op de gedempte Slaak, en in 1912 verhuisde de winkel naar een pand in de Hoogstraat. In 1921 werd een groot eigen warenhuis geopend op de Hoogstraat bij het Oostplein. Bij het bombardement van Rotterdam in 1940 ging dit warenhuis verloren. Ter Meulen vestigde zich tijdelijk aan de Mathenesserlaan waar noodwinkels werden opgezet.
Na de Tweede wereldoorlog werd tijdens de wederopbouw vanaf 1948 begonnen aan een modern warenhuis aan het Binnenwegplein in Rotterdam en enkele jaren later werd postorderverkoop opgezet. In de jaren tachtig breidde Ter Meulen uit en kwamen er filialen in Spijkenisse (begin 1984), Dordrecht (1984), Almere (1987), Zoetermeer (1990) en Rotterdam Oosterhof (1992).

Ondanks de uitbreidingen ging het in de jaren tachtig slechter. In 1988 werd Ter Meulen gekocht door investeerder Wolters Schaberg. Na een reorganisatie ging de formule in januari 1993 failliet, onder meer door te hoge huurlasten. De filialen in Rotterdam Oosterhof, Zoetermeer en Almere werden overgenomen door Vroom en Dreesmann.

Het grote filiaal aan het Binnenwegplein in Rotterdam werd in 1951 geopend en is ontworpen door Van den Broek en Bakema die ook verantwoordelijk waren voor het winkelgebied van de Lijnbaan. Het warenhuis deelde het gebouw met N.V. Kledingbedrijven Wassen en de N.V. van Vorst Schoenenmagazijnen. Het gebouw bestond destijds uit drie winkellagen: een kelderverdieping, begane grond en eerste verdieping. Op de tweede verdieping bevonden zich de kantoren en magazijnen. In 1963 nam Ter Meulen Wassen over. Aan het gebouw is in 1977 een zijvleugel bijgeplaatst en een extra verdieping erbovenop.

Het gebouw sloot in 1993 haar deuren. Het beeldbepalende pand is in 2012 gerenoveerd naar ontwerp van Van Tilburg en Partners, waarbij de toegevoegde verdiepingen zijn verwijderd en vervangen voor de woontoren De Karel Doorman die grotendeels rust op de kolommen van het oorspronkelijke gebouw.

In 1954 begon Ter Meulen een postorderafdeling onder de naam Ter Meulen Post, dat landelijk opereerde. In 1962 werd besloten om een distributiecentrum te bouwen omdat de vestiging te klein werd. In 1969 werd een groot magazijn en kantoor geopend in de Spaanse polder. Het gebouw werd later uitgebreid van zes naar acht verdiepingen en had vanaf dat moment 55.000 vierkante meter. In 1977 had Ter Meulen Post 70.000 klanten en werkten er 2600 mensen. In 1986 werd het postorderbedrijf verkocht aan Vendex International en in 1992 kwam het in handen van het Engelse postorderbedrijf Freemans.
In juli 1993 ging Ter Meulen Post failliet. Delen zijn overgegaan naar het Duitse Klingel. Het distributiecentrum staat tegenwoordig bekend als de Spaanse Kubus en huisvest meerdere datacenters en kleine ondernemingen. Rond 2000 was ook het landelijke kantoor van Lijst Pim Fortuyn hier gevestigd.

De fotograaf is Ary Groeneveld en de foto komt uit het Stadsarchief Rotterdam. De informatie komt van Wikipedia.

Met medewerking van Rotterdam van toen